Om het volvoeren van een Christelijke staatkunde

2002-01-25
  • Jaargang 46
  • nummer 2
Op 27 september 2001 promoveerde J.P. Stoop tot doctor in de letteren aan de Vrije Universiteit in Amsterdam.
Zijn proefschrift gaat over de geschiedenis van de Anti-Revolutionaire Partij tussen de beide wereldoorlogen.
Dr Stoop is lid van de Nederlands Gereformeerde Kerk van Amsterdam-Centrum. Tot 1993 was hij leraar geschiedenis aan de Christelijke Scholengemeenschap Pascal in Amsterdam-West.

Aan het schrijven van dit proefschrift ging een gedegen stuk onderzoek vooraf. Dossiers werden geanalyseerd, kranten, boeken en tijdschriften aan nader onderzoek onderworpen. De dissertatie werd uitgegeven als een stevig boekwerk van ruim 360 bladzijden.
Op de omslag –hoe kan het ook anders- dé man van de antirevolutionairen in die tijd: dr Hendrik Colijn.

Onze voorvaderen
Er is sprake van hernieuwde belangstelling voor ‘onze Gereformeerde voorvaderen’. Te denken valt aan ‘De eeuw van mijn vader’ van Geert Mak en aan ‘De Gereformeerden’ van Agnes Amelink, boeken die in zeer korte tijd een reeks herdrukken beleefden. De Gereformeerde Kerken waren nauw verbonden met de Anti-Revolutionaire Partij (die daarnaast stemmen trok uit de Gereformeerde Bond van de Nederlandse Hervormde Kerk en uit de Christelijke Gereformeerde Kerken).
Een jaar voor Stoop promoveerde Jan-Jaap van den Berg (Opbouw 45/04) op de geschiedenis van de ARP na de Tweede Wereldoorlog. Zijn dissertatie richtte de schijnwerper vooral op de personen binnen de ARP. Stoop beschrijft dezelfde partij vóór de Tweede Wereldoorlog (nader gespecificeerd: tussen de beide wereldoorlogen, het interbellum).
Zijn onderzoek gaat minder in op de personen en meer in op de ideeën en opvattingen die binnen de partij leefden.
Het schrijven van een dissertatie vraagt –meer nog dan de beschrijvende publicaties van Mak en Amelink- zeer gedegen onderzoek en dat is aan het boek van Stoop goed te merken. De bronvermelding omvat maar liefst bijna 1200 verwijzingen naar gedrukte teksten en archieven.

Een eigen bolwerk?
In de inleiding plaatst dr Stoop de antirevolutionairen in hun tijd. Het is hem opgevallen dat de ontwikkelingen binnen de ARP na de dood van hun oprichter, dr. A. Kuyper, over het algemeen negatief worden beoordeeld.
Men zou de neiging hebben gehad om zich terug te trekken in het eigen bolwerk, er wordt gesproken over ‘verburgerlijking’ en over een ‘zelfgenoegzaam conservatisme’. De promovendus vraagt zich af of dat beeld terecht is.
Ging het de antirevolutionairen uitsluitend om handhaving en versterking van de machtspositie van de eigen ‘zuil’, of waren er ook andere motieven in het geding? Een vraag die hier op aansluit is: waren er binnen de partij spanningen en conflicten die hebben geleid tot een tegenstelling tussen ‘behoudenden’ en ‘vernieuwingsgezinden’ binnen de partij? Van den Berg had geconcludeerd dat de ARP meerdere stromingen kende. Waren die verschillen er ook al vóór de Duitse bezetting?

Spanningen binnen de partij
De ARP telde tussen de beide wereldoorlogen flink mee in het politieke bestel. Door de invoering in 1917 van de evenredige vertegenwoordiging werd de partij qua grootte de derde in ons land. Men nam deel aan alle kabinetten tussen de beide wereldoorlogen en 5 maal had dr. H. Colijn de leiding. Echter: om te kunnen regeren moest men compromissen sluiten en dat was vaak een moeizaam proces.
Een groot deel van de achterban was van mening dat kamerleden en leden van de regering teveel water in de wijn deden, waardoor belangrijke principes verloochend werden. Op een gegeven ogenblik dreigde zelfs een scheuring.
Ongeveer 40% van de kiezers was afkomstig uit de Christelijke Gereformeerde Kerken of behoorde tot de Gereformeerde Bond binnen de Nederlandse Hervormde Kerk. Een afsplitsing of een massale overgang naar de SGP was niet denkbeeldig. Stoop noemt het de verdienste van Colijn dat hij –door behoedzaam te manoeuvrereneen scheuring in de partij heeft weten te voorkomen.

Nog steeds actueel
In het proefschrift komt een breed scala aan thema’s aan de orde. In het eerste hoofdstuk worden de verkiezingsprogramma’s voor de verkiezingen voor de Tweede Kamer besproken. De sociale politiek wordt beschreven in het tweede hoofdstuk.
Binnen de partij waren verschillen van inzicht tussen mensen die veel contacten hadden met werkgevers en anderzijds kamerleden die afkomstig waren uit het CNV (zoals H. Amelink).
In het derde hoofdstuk lezen we over de houding van de ARP ten opzichte van de opkomst van anti-democratische bewegingen, zoals het nazisme.
Tot de felle bestrijders van het fascisme behoorde onder anderen A. Janse, onderwijzer uit Biggekerke, die ‘op het calvinistisch erf minstens zoveel gezag genoot als de hoogleraren van de Vrije Universiteit’ (citaat Ben van Kaam). In het vierde hoofdstuk wordt besproken hoe de ARP zich opstelde tegenover nieuwe uitvindingen zoals de film, de radio en de zondagsrust. Een belangrijk thema tussen de beide wereldoorlogen was de defensiepolitiek, daarover wordt uitgebreid geschreven in het laatste hoofdstuk.
Hoewel de door Stoop beschreven periode meer dan 60 jaar achter ons ligt valt op hoe actueel de thema’s nog altijd zijn. Ook in onze tijd prijken thema’s als ziektewet en WAO (sociale vraagstukken) zeer regelmatig op de agenda van de Tweede Kamer. Hoe gaan we om met ultrarechtse groepen en met moslimfundamentalisten in Nederland? Hoeveel zondagen mogen de winkels open? Hoe zetten we onze defensie in? Kan er bezuinigd worden ten gunste van onderwijs en gezondheidszorg, of is dat niet verantwoord?
Welke financiële ruimte is er voor de AWBZ en de WAO?
Het is boeiend om te lezen hoe de voorvaderen met deze thema’s worstelden.
Vaak was het een strijd ‘op de millimeter’. Daarbij kwam de ‘concurrentie’ met andere christelijke partijen (aan de linkerkant de CDU, aan de rechterzijde de SGP) regelmatig aan de orde. Een kleine verschuiving in de standpunten kon de partij zomaar een aantal zetels kosten.

Meerdere woordvoerders
In deze bespreking in ‘Opbouw’ beperk ik me tot het 4e hoofdstuk van de dissertatie: over de handhaving van het christelijk karakter van de samenleving.
Colijn meende, in navolging van Kuyper, dat het de taak van de ARP was om de wetten van God in de samenleving te doen verankeren. De overheid zou moeten optreden tegen alles wat het zedelijk leven van het volk in gevaar zou brengen. Dat was –politiek gezien- een moeilijke opdracht omdat de ARP als middelgrote partij alleen samen met andere partijen zou kunnen regeren.
De thema’s die in de politieke discussies veel tijd hebben gevergd waren: de film en de bioscoop, de zendtijd voor de radio, het strafbaar stellen van de godslastering, vaccinatie, de bevordering van de zondagsrust, de crematie en de huwelijkswetgeving.
Opvallend is bij deze discussies dat de kamerleden van de ARP niet één geluid laten horen: er waren vaak meerdere sprekers. Kennelijk was er- minder dan tegenwoordig - sprake van vaste woordvoerders (specialisten) rond bepaalde thema’s. Het lijkt mij dat er daardoor ook meer ruimte was om ‘zonder last of ruggespraak’ te stemmen.

De bioscoop
Bij de behandeling van de bioscoopwet had de ARP 3 woordvoerders. De discussie spitste zich toe op de filmcensuur voor volwassenen.
Woordvoerder Smeenk wilde een absoluut verbod voor bezoek aan een "ontspanningsbioscoop met winstdoeleinden geëxploiteerd" voor jongeren onder de 18 jaar. Zijn partijgenoot Van der Molen stelde daar tegenover dat jongeren dan naar andere uitgaansgelegenheden zouden gaan.
Kamerbreed gezien waren de vrijzinnig-democraten tegen iedere vorm van censuur, aan de andere kant wilde Kersten (SGP) alle openbare bioscoopvoorstellingen verbieden. Uiteindelijk leidden de langdurige debatten tot het voorstel dat gemeentebesturen een stem zouden krijgen in het beoordelen van films (na de rijkskeuring kon –voor vertoning- nog een plaatselijke keuring volgen). Voor de christelijke partijen gaf deze besluitvorming enige gemoedsrust: men kon plaatselijk invloed blijven uitoefenen. Voor de niet-confessionele partijen was de Bioscoopwet een doorn in het oog, ze was niet alleen ‘zedelijkheidscensuur’ , maar zou ook tot ‘politieke censuur’ kunnen leiden.

Radio
De radio was een uitvinding die in de periode na de Eerste Wereldoorlog de samenleving sterk veranderde. De ‘Regeeringscommissie voor de Nationale Draadloze Omroep" kwam in 1926 tot een eindrapport waarin gesteld werd dat een ‘kleurlooze omroep niet gewenscht is". Iedere levensbeschouwing die niet in strijd was met ‘s Lands wetten zou de gelegenheid moeten hebben om zich via te omroep te uiten.
Het doel werd uiteindelijk een nationale omroep, waarin de verschillende bevolkingsgroepen ‘naar billijkheid’ een stem zouden hebben. Daarmee was de discussie echter niet afgelopen.
De AVRO pretendeerde zo’n nationale omroep te zijn, dus waarom zou er plaats gemaakt moeten worden voor NCRV, KRO, VARA en VPRO?
Opmerkelijk was de tweespalt tussen ARP-kamerlid Van Dijk die een ruime plaats wenste voor de levensbeschouwelijke inbreng op de radio en het CHU-kamerlid Slotemaker de Bruïne dat niet gelukkig was met de voortgaande verzuiling in de Nederlandse samenleving. De kritiek van het CHUkamerlid mocht niet baten: in de ‘Radiowet’ van 1928 en het zendtijdbesluit van 1930 zien we de gevarieerde levensbeschouwelijke kleur van de Nederlandse samenleving terug.

Strafbaarstelling van godslastering, crematie, echtscheiding
Het strafbaarstellen van vloeken en godslastering noemt dr. Stoop "een duidelijk voorbeeld van de problemen die ontstonden als men de antirevolutionaire beginselen wilde vertalen in concrete politiek". Aan de ene kant wilde men ‘geestelijke zaken’ met ‘geestelijke wapens’ bestijden. Aan de andere kant vond men openlijke godslastering een zó zware inbreuk op de goede zeden dat deze ‘in een Christelijke natie’ strafbaar moest zijn.
Aan het begin van de vorige eeuw was alleen begraven wettelijk toegestaan.
In de Rooms-Katholieke Kerk bestond een kerkelijk verbod tot crematie. Een deel van de RKSP was echter van mening dat dit standpunt niet voor de hele samenleving kon gelden. De Gereformeerde voorvaderen hebben ook met het standpunt inzake crematie geworsteld. Sommigen vonden de urn het symbool voor een verkeerde geestesrichting, maar vonden tegelijkertijd dat de overheid niet de taak had om crematie te verbieden. Er waren ook kamerleden die crematie als een bestaande praktijk accepteerden (het crematorium Westerveld werd al jarenlang gedoogd). Door de Duitse bezetting werd een wetsvoorstel dat crematie wilde legaliseren niet behandeld, pas in 1955 werd crematie wettelijk toegestaan.
Ook de huwelijkswetgeving vroeg de aandacht van de ARP. In die tijd was alleen in geval van overspel ontbinding van het huwelijk mogelijk. In de praktijk werd deze regel vaak ontdoken door de zgn. ‘grote leugen’: met wederzijds goedvinden betichtte de ene partner de ander van overspel. De linkse partijen wilden verruiming van de huwelijkswetgeving, de ARP wilde juist een beperking van de mogelijkheden tot huwelijksontbinding. Van een regering waar de ARP in de jaren 1933 tot 1937 samen met liberalen en vrijzinnig-democraten regeerde (partijen met een volstrekt aan elkaar tegengestelde mening) viel op dit punt geen voorstel tot wetswijziging te verwachten.

Zondagsrust
In 1930 werd voor het winkelpersoneel een wet van kracht waarbij men recht had op 1 1/2 vrije dag per week, terwijl er maximaal 9 1/2 uur per dag gewerkt mocht worden. Bij deze wet speelde vooral het sociale aspect een rol, maar in de kring van de ARP vond men deze wet ook van belang vanwege de zondagsrust. De SGP wilde alle winkels op zondag dicht, terwijl de liberalen in de kamer hier fel op tegen waren. Binnen de ARP wilde men de zondagsrust handhaven, maar er moest ruimte zijn voor uitzonderingen.
Ondertussen waren de gevolgen van de beurskrach in 1929 in Nederland duidelijk merkbaar. Daarom wilde het kabinet in 1934 (tijdelijk, als crisismaatregel) de winkels een ruimere openstelling bieden. Dit voorstel leidde tot grote commotie, immers, ook de ARP nam deel aan het kabinet. Opmerkelijk was dat Colijn zich later openlijk distantieerde van het in de ministerraad genomen besluit. Stoop: "De opstelling van Colijn kan moeilijk principieel worden genoemd, eerder getuigt zijn optreden in deze kwestie van opportunisme."
De mogelijkheid tot een ruimere openstelling werd door de Tweede Kamer aanvaard, waarbij bij een deel van de christelijke afgevaardigden economische motieven vóór gingen op principiële argumenten.

Tenslotte
Uit het proefschrift van dr. Stoop komt naar voren dat de ARP tussen de beide wereldoorlogen niet het eensgezinde bolwerk van gereformeerde politiek was zoals vaak wordt gedacht. Om te kunnen regeren waren compromissen noodzakelijk, maar daarmee dreigden de politici zich van de achterban te vervreemden. Ook de AR-kamerleden dachten soms verschillend over belangrijke thema’s. Naast de in dit artikel genoemde onderwerpen die vooral raakvlakken hebben met de levensstijl waren er vooral grote verschillen van inzicht op sociaal-economisch terrein.
Stoop constateert dat er binnen de partij wel degelijk oog was voor de noodsituatie waarin velen als gevolg van de economische crisis van de jaren ’30 terecht waren gekomen, maar dat men anderzijds strak vast hield aan gangbare economische modellen en wars was van (teveel) overheidsbemoeienis.
Er was niet zozeer sprake van een zelfgekozen isolement alswel van een gevoel van machteloosheid ten aanzien van de vragen hoe de grote problemen van die tijd opgelost konden worden.
De gedegen dissertatie van Stoop laat zien hoe actueel politieke thema’s uit de vorige eeuw ook in onze tijd nog zijn. Veel meer dan voorheen is de christelijke politiek naar de rand van de het politieke toneel geschoven, maar de vraag hoe christelijke uitgangspunten vertaald kunnen worden in concrete politiek blijft brandend actueel.

Naar aanleiding van: J.P. Stoop, Om het volvoeren van een christelijke staatkunde, Uitgeverij Verloren, Hilversum, 2001; ISBN 90-6550-666-7; 362 blz, Euro 29.95

De Anti-Revolutionaire Partij vond zijn wortels o.a. in het denken van Groen van Prinsterer (zie Opbouw 45/25). Dr. Abraham Kuyper bepaalde vele jaren het gezicht van de partij. Zijn opvolger, dr. Hendrik Colijn, had eveneens grote politieke invloed. In 1980 gingen de ARP (voornamelijk Gereformeerd en Gereformeerde Bond), de CHU (vooral het ‘midden’ van de Nederlandse Hervormde Kerk) en de KVP (Rooms-Katholiek) op in het Christen Democratisch Appèl (CDA).

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief