De naam van God in de NBV

2002-01-25
  • Jaargang 46
  • nummer 2
Hoe breed zal straks de Nieuwe Bijbelvertaling [NBV] ingang vinden in de kerken? Dat zal in elk geval mee afhangen van de mate waarin de vertaling van de oudtestamentische naam van God, JHVH, zal worden geaccepteerd.
De NBV heeft ervoor gekozen de Naam van Israëls God niet als een eigennaam weer te geven, maar als vertaling van het Griekse woord ‘kurios’; dat is de weergave in het Nieuwe Testament van de Naam van God.
‘Kurios’ betekent Heer, en zo kiest de NBV voor de vertaling Heer, en dan geschreven met vier kleine hoofdletters: HEER.
Vooral in de rechterflank van de protestantse kerken is deze keus op kritiek gestuit. Met name twee argumenten spelen daarbij een rol: 1. Het gevoel iets kwijt te raken dat velen dierbaar was. De naam HE(E)RE heeft voor veler gevoel iets extra eerbiedigs, en dat ontbreekt bij de naam HEER.
2. De gedachte dat hiermee afstand wordt genomen van een vertaalprincipe zoals dat heeft gegolden vanaf de Statenvertaling van 1637. De naam ‘HEERE’ wordt dan opgevat als een eigennaam. En die moet je - zegt bijv. L.M.P. Scholten van de Gereformeerde Bijbel Stichting - niet gaan moderniseren.
In het theologisch kwartaalblad Theologia Reformata (van december jl.) staat een boeiend verhaal van drs T.T.J. Pleizier over dit onderwerp.
Boeiend, omdat Theologia Reformata z’n lezers betrekt uit dezelfde hoek van de kerken waar men traditioneel argwanend staat tegenover nieuwe vertalingen, terwijl deze man onbevangen en met kracht van argumenten de keus van de NBV verdedigt.
Het artikel is helaas te lang, en ook te technisch om hier zelfs maar in hoofdlijnen over te nemen. Ik doe er een paar grepen uit. Eerst iets over de keuze die de synode van Dordrecht in 1618 maakte m.b.t. de weergave van de naam van God: In de Dordtse discussie lijkt het volgende significant te zijn: (i) Dordt heeft het dilemma van de weergave van de godsnaam als 'eigennaam' of 'vertaling' opgelost door te opteren voor de vertaling van 'kurios'; (ii) de vertaling van 'kurios' met 'HEERE' werd gezien als het beste alternatief 'cum alia commoda atque usitata vox Belgica non extet' ['omdat een ander passend en bruikbaar woord in het Nederlands niet voorhanden is']; (iii) typografisch heeft men 'HEERE' van 'Heere' willen onderscheiden om daarmee het verschil tussen 'JHWH' en 'kurios' uit te drukken. () Wanneer het woord 'HEERE' in de Statenvertaling wordt opgevat als eigennaam, dan wordt het spoor verlaten van de vertaal-intentie van Dordt die met 'HEERE' een vertaling beoogde van 'kurios' en niet een weergave van de eigennaam van God. De kritiek dat in de [NBV] de eigennaam van God ontbreekt die in de Statenvertaling wel zou staan, is daarom onjuist omdat de eigennaam ook in de (historische) Statenvertaling niet voorkomt. Dat dit in de loop van de 'wirkungsgeschichte' van de Statenvertaling wel zo is gaan klinken, is een extra argument voor een nieuwe vertaling. Te meer, daar men zelfs in de kring die het behoud van de Statenvertaling voorstaat kennelijk niet (meer) in staat is om de godsnaam te lezen op de wijze zoals die door de Statenvertalers bedoeld is. Dat dit een oordeel over onze spiritualiteit zou kunnen betekenen doet wellicht pijn; maar mag bijbelvertalen ook pijn doen wanneer dat betekent dat ideeën moeten worden opgegeven die zich in de loop van de geschiedenis ten onrechte hebben gevormd, en die daardoor een gedeelte van de eigen beleving geworden zijn? () Mogen emotionele argumenten beslissend zijn in een inhoudelijk-theologisch gesprek? Kan 'kerkelijke inburgering' en 'gevoelsmatigheid' een argument zijn op basis waarvan we onze vertaalbeslissingen van de Bijbel nemen?
Sterker nog, mag een vertaalbeslissing corrigerend werken op 'kerkelijke inburgering' wanneer deze gebaseerd blijkt te zijn op een foutief verstaan van de traditie? De Reformatie heeft ons doen ontdekken dat het kerkelijk ingeburgerde geoordeeld moet kunnen worden. Omdat louter het 'ingeburgerdzijn' geen theologisch significante status heeft. Ook niet wanneer deze begrippen onderdeel zijn geworden van de geloofstaal en de spiritualiteit.
Bovendien reikt Christus ons de persoonlijke en intieme Vader-naam aan in het contact met God. We zouden moeten overwegen of een spirituele reformatie niet dringend gewenst is om de associaties die nu verbonden zijn met het woord 'HEERE' meer bijbels te ijken door de Vader-naam.
Pleizier eindigt met wat hij noemt een ‘Onwetenschappelijk nawoord": Zelf heb ik geestelijk leren ademen door mijn God aan te roepen als 'HEERE'.
Gevormd in de spiritualiteit van de taal van de Statenvertaling en Statenberijming 1773 is die taal mij nog steeds vertrouwd en een onderdeel geworden van mijn beleving van het geloof.
Toch mogen persoonlijke voorkeur en de verworteling in een bepaald taalveld van geloofsbeleving niet verhinderen om principieel en argumentatief positie te kiezen. Uiteindelijk misstaat een 'gevoelswaarde'-argument. En al helemaal wanneer men zich verbonden weet met de traditie van Dordt. Het gevoelsargument speelde in Dordt ook helemaal geen rol, al is dat misschien in een postmodern tijdperk moeilijk te begrijpen.
Wanneer de conclusies ten aanzien van het veranderde verstaan van de Dordtse intentie in de beleving van gereformeerd Nederland juist zijn, dan zullen we daaraan consequenties moeten verbinden. Wellicht komen we dan op het punt dat we de vertalers van de [NBV] dankbaar mogen zijn voor de terugkeer naar de Dordtse optie die ons Jezus als de Kurios opnieuw doet ontdekken! Een gereformeerde visie op bekering en reformatie heeft ook consequenties voor onze spiritualiteit, en kan ons helpen om opnieuw te ontdekken wat Jezus' Heerzijn betekent. Gemeente-theologie zal ook hier moeten wijken voor een eerlijke doordenking van Gods Woord.
Als Christus' dienaren worden aangesproken als 'dominus', waarom de Heer dan Zelf niet?

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief