De armen hebt gij immers altijd bij u'
2002-02-08
De armen hebt gij immers altijd bij u en gij kunt hun weldoen, wanneer gij maar wilt; maar Mij hebt gij niet altijd.- Jaargang 46
- nummer 3
Nadat Jezus door een vrouw is gezalfd, komt er kritiek van de omstanders.
‘Wat een verspilling!’ De vrouw gebruikt nl. ‘kostbare nardusmirre’ om Jezus te zalven. De verkoopwaarde van het flesje met inhoud wordt door de aanwezigen geschat op meer dan driehonderd schellingen. Was de nardusmirre niet voor de zalving gebruikt, maar daadwerkelijk te gelde gemaakt, dan had daarmee veel gedaan kunnen worden ten bate van de arme medemens. Want dat is wat de critici van de vrouw van plan zouden zijn geweest met de verkoopopbrengst: armoedebestrijding.
En in de oren van rijke westerse christenen klinkt dat toch goed: iets verkopen van de overvloed waarin we ons leven doorbrengen en de opbrengst delen met de medemensen die op het bestaansminimum of daaronder verkeren.
Maar de redenering van de critici vindt geen bijval bij Jezus. Hij sommeert de aanwezigen de vrouw met rust te laten en keurt haar daad juist goed. En dan volgt Zijn uitspraak in vers 7: ‘De armen hebt gij immers altijd bij u en gij kunt hun weldoen, wanneer gij maar wilt; maar Mij hebt gij niet altijd’. Met een verwijzing naar Zijn sterven (vers 8: ‘van tevoren heeft zij mijn lichaam gezalfd voor de begrafenis’), rechtvaardigt Jezus de zalving die door de vrouw is verricht. En daarmee geeft Jezus ook aan dat de geldswaarde van het flesje nardusmirre een uitstekende bestemming heeft gekregen.
Relativering?
De vraag dringt zich echter op, wat Jezus precies bedoelt met dat eerste gedeelte van Zijn uitspraak in vers 7: de armen die altijd bij ons zijn?
Vormen Jezus’ woorden een relativering van de zorg die er is voor mensen die in armoede leven? Geeft Jezus hier een vrijbrief om het met armoedebestrijding maar niet zo nauw te nemen, want dat zal toch nooit leiden tot een totale afwezigheid van armoede?
Moeten we armoede maar gewoon accepteren als een onveranderbaar gegeven? Nee, dat is niet de betekenis van wat Jezus hier zegt. Hoewel deze vragen misschien een voor de hand liggende reactie op Jezus’ woorden lijken, zetten ze ons helemaal op het verkeerde been. Om tot die conclusie te komen, hoeven we alleen maar naar het tweede deel van Zijn uitspraak te kijken. Daar zet Jezus ons juist op het spoor van het weldoen aan de armen.
In de woorden van Jezus in Marcus 14:7 weerklinkt Deuteronomium 15:11. Dat is een vers uit het bijbelgedeelte dat gaat over het sabbatsjaar, het jaar waarin een algemene kwijtschelding van schulden dient plaats te vinden.
Deuteronomium 15:11 luidt als volgt: ‘Want armen zullen nooit in het land ontbreken; daarom gebied ik u aldus: Gij zult uw hand wijd openen voor uw broeder, voor de ellendige en de arme in uw land’. Ook hier treffen we die combinatie aan van altijd aanwezige armen en de ondersteuning aan hen.
En hier in Deutronomium 15:11 is de hulp aan armen een duidelijk gebod: ‘daarom gebied ik u ….’. Dit oud-testamentische gebod zien we dus terugkomen in Jezus’ uitspraak in Marcus 14:7. Geen relativering van armoedebestrijding, geen defaitisme ten aanzien van armoede. Nee, juist aansporing tot hulp aan de behoeftige, gebaseerd op een gebod uit het Oude Testament.
Het is misschien ook niet zo verwonderlijk dat we dit gebod uit Deuteronomium in een uitspraak van Jezus weer tegenkomen. Uit de Evangeliën kennen we Jezus toch bij uitstek als Degene die zich bewogen toonde juist met de verschoppelingen uit de samenleving?
Oplossing
En toch blijft er iets wringen. ‘De armen hebt gij immers altijd bij u’. Volledige inzet voor hulp aan het arme deel van de wereldbevolking zal nooit helemaal leiden tot oplossing van het armoedevraagstuk.
Daar zit voor resultaatgerichte westerlingen iets heel onbevredigends in. Wat moeten we daarmee aan? Laten we opnieuw Deuteronomium 15 erbij nemen. Daar staat in vers 11a, zoals we reeds zagen: ‘Want armen zullen nooit in het land ontbreken.’ In schijnbare tegenstelling hiermee vermeldt vers 4a uit ditzelfde hoofdstuk: ‘Er zal echter geen arme onder u zijn.’ De oplossing van deze paradox vinden we als we doorlezen tot en met vers 5: ‘Er zal echter geen arme onder u zijn, want de Here zal u gewis zegenen in het land, dat de Here, uw God, u als erfdeel in bezit zal geven, indien gij maar aandachtig luistert naar de Here, uw God, door heel dit gebod, dat ik u heden opleg, naarstig te onderhouden.’ De afwezigheid van armoede is dus een zegen van God. En die zegen wordt door God gegeven als het volk Zijn gebod naleeft; het gebod dat voorziet in een periodieke kwijtschelding van schulden (in het sabbatsjaar).
Dat gebod dient om mensen te bevrijden van hun schuldenlast en hen te behoeden voor armoede. God geeft Zijn volk met dit gebod een liefdevol vangnet.
Armoede lijkt een onveranderbaar gegeven.
Jezus’ woorden in Marcus 14:7 ‘de armen hebt gij immers altijd bij u’ herinneren ons aan de gebrokenheid van de wereld waarin wij leven. Een wereld waarin onze medemens de armoede aan den lijve ondervindt.
Laten wij aan Jezus’ woorden gehoor geven en met heel ons hart weldoen aan de armen en daarmee alvast een stukje van het Koninkrijk dat komende is, zichtbaar maken. Daarbij mag ons perspectief zijn de zekerheid dat God uiteindelijk zelf alle armoede en gebrek zal wegdoen.