Predikantschap en opleiding (2)
2002-02-08
Als het predikantschap verandert, moet vroeger of later ook de opleiding tot het predikantschap veranderen.- Jaargang 46
- nummer 3
Het traditionele predikantschap rust op de pijlers ‘woord’ en ‘ambt’. Maar juist in de beleving van deze twee zaken is in de afgelopen tientallen een ingrijpende verschuiving opgetreden, die niet zonder gevolgen voor het functioneren van de predikant is gebleven. ‘Ambt-nieuwestijl’ betekent bijvoorbeeld dat meer dan voorheen de predikant werkt in samenspel en samenhang met mensen in de gemeenten die geestelijke gaven hebben. Maar ook het veranderde denken over de werking van het woord heeft ingrijpende gevolgen voor het functioneren van de predikant en de eisen die aan hem gesteld worden.
'Woord -nieuwe stijl'
Na de culturele omwenteling van de zestiger en zeventiger jaren werd duidelijk dat met een louter gehoorzaamheid vragen aan ‘het woord’ niet meer kon worden volstaan. Te vaak werd de ervaring opgedaan dat een volgens de ‘regelen der kunst’ uitgelegd en toegepast bijbelwoord toch buiten het hart van veel mensen bleef staan. Er werd gezien dat ‘het Woord’ om zijn werk te volbrengen waartoe God het zendt (Jesaja 55: 10.11) niet alleen moet worden uitgelegd en toegepast, maar dat het zó gebracht moet worden, dat het ook bij mensen ‘binnenkomt’. Dat is een werk van de Geest. Maar daarvoor schakelt hij wel mensen in.
Er werd onder meer ontdekt dat: - dit proces van het horen en verstaan en toeëigening van het Woord van God een heel proces is, waarbij niet alleen verstandelijke, maar ook emotionele, sociale en culturele factoren een rol spelen. Waarbij ook ook veel mis kan gaan. Als een mens werkelijk in mensenwoorden het Woord van God voor zijn leven hoort, is er echt iets heel bijzonders gebeurd.
- het verstaan van het Woord een gemeenschappelijke zaak is. Dat je erover moet spreken met elkaar. Zoals het in Colossenzen 3:16 staat: Het woord van Christus wone rijkelijk in jullie. Meervoud. Je kunt het niet in je eentje opdiepen en opdienen. En je moet er ook samen over spreken.
- het Woord niet alleen iets zégt, maar ook iets met je doét. En dat dat om een houding van meditatieve openheid vraagt (vgl de dissertatie van de vrijgemaakte dominee Jos Douma) Opnieuw is het niet moeilijk in te zien hoezeer deze veranderingen het predikantswerk beïnvloeden. Er wordt van de predikant meer dan voorheen verwacht dat hij inzicht heeft in communicatieve processen en dat hij zich kan inleven in de mensen tot wie en met wie hij spreekt. Anders gezegd: er wordt van hem verwacht dat hij inzicht heeft in wat ik zou willen noemen ‘de weg van het woord’.
De weg van het woord
Ik denk hierbij aan een woord van de apostel Paulus. Hij spreekt ergens over het wonder waardoor iemand een mensenwoord als Gods woord ontvangt en verstaat. In 1 Thess 2:13 zegt hij: ‘En hierom danken ook wij God onophoudelijk, dat gij, toen gij het gepredikte woord Gods van ons hebt ontvangen, het hebt aangenomen niet als een woord van mensen, maar, wat het inderdaad is, als een woord van God, dat ook werkzaam is in u, die gelooft.‘ In dit citaat wordt duidelijk, dat Paulus erover spreekt dat het gepredikte woord weliswaar het woord Gods is, maar dat hij tevens aandacht heeft voor het feit dat dit woord ‘een weg moet gaan’. Dat het ook moet worden aangenomen als een woord van God.
En dat het tot werkzaamheid moet komen in mensen. Dan pas heeft het Woord gedaan waartoe God het zendt.
Het is deze ‘weg van het woord’, die in de opleiding veel meer dan voorheen aandacht moet hebben.
Vragen
Belangrijke vragen voor een (aankomende) pastor zijn dan: Heb ik een beeld van hoe zo’n proces verloopt?
Heb ik geleerd om de gemeente daarin zo te helpen en voor te gaan, dat zij leert ook zelfstandig in deze ‘weg van het woord’ betrokken te worden?
Heb ik besef meegekregen van wat er bij mij zelf en bij de gemeente gebeurt, als ik als dienaar van het Woord op de kansel het woord breng?. Heb ik geleerd om te checken of datgene dat ik wens dat er gebeurt ook werkelijk gebeurt?
Heb ik geleerd om ook de bijdragen en inzichten van gemeenteleden naar waarde te schatten en te integreren in mijn werk als dienaar van het Woord?
Meer dan voorheen zal naast de inhoudelijke interesse (niet: in plaats van…!) een procesmatige interesse de opleiding moeten kenmerken. Omdat een predikant krachtens zijn roeping in allerlei processen betrokken raakt.
Ik kan wel leren om leerstellingen en gedragsregels uit de bijbel op te diepen en vanuit de bijbel te verdedigen, maar leer ik ook om te zien hoe ze functioneren in het geloofsleven van mensen? Leer ik hoe bepaalde leerstellingen het geloofsleven dragen en bevorderen maar andere juist het geloofsleven blokkeren en soms verwoesten?
En leer ik dan vervolgens ook hoe ik als pastor vanuit mijn specifieke roeping, gaven en deskundigheden daarop kan inspelen?
Vernieuwing van de opleiding
Deze vragen die in de moderne praktijk van het predikantschap uiterst belangrijk zijn kwamen in de traditioneel gereformeerde opleiding, zoals ik die zelf heb gehad nauwelijks aan bod.
Predikanten moesten daarin door aanvullende cursussen en/of door schade en schande alsnog wijs worden. Ik heb nog geen tekenen gezien van grote veranderingen op dit punt.
Een vernieuwing van de traditioneel gereformeerde opleidingen lijkt me daarom broodnodig om recht te doen aan de verschuiving van ‘ambt en woord oude stijl’ naar ‘ambt en woord nieuwe stijl’. Als dat er niet van komt leiden de genoemde opleidingen op tot een predikantschap dat verdwijnende is en zelfs in een toenemend aantal plaatsen helemaal niet meer bestaat.
Ik opper de veronderstelling dat dit de achtergrond is van veel moeizaam functioneren van sommige predikanten.
Wanneer de gemeente denkt vanuit ‘ambt en woord nieuwe stijl’, maar de pastor aan de gang gaat van uit ‘ambt en woord oude stijl’, gebeuren er ongelukken. Niet alleen bij de predikant, maar ook bij de gemeente. Zij wordt in haar ontwikkeling geremd en geblokkeerd. Want – je kunt het betreuren of niet - predikanten vervullen structureel nog steeds een sleutelpositie in de kerk. Wordt die positie niet goed bekleed dan werkt dat direct negatief door in heel de gemeente.
Ik waag de stelling dat je er – gelet op de vele veranderingen in ons maatschappelijk en kerkelijk leven – met een traditioneel gereformeerde opleiding tot predikant binnen onze kerken niet meer uitkomt.
Opleidingsituatie NGK
Als dit waar is, wat betekent dit dan voor de opleidingssituatie waarin we ons als Nederlands Gereformeerde Kerken op dit moment bevinden?
Hieronder een aantal stellingen.
Bedoeld als bijdrage aan de bezinning die momenteel gaande is.
De noodzaak tot vernieuwing van de opleiding wordt binnen de traditioneel gereformeerde wereld breder gevoeld dan alleen bij ons. Met name aan de theologische universiteit van Kampen (Broederweg),maar – hoewel in mindere mate – ook aan de theologische universiteit in Apeldoorn, werkt men aan correctie en bijstelling. Met name valt te wijzen op het recente pleidooi van de vrijgemaakte professor De Ruiter voor het vak ‘praktische theologie’ in een gereformeerde context.
Dat verraadt een belangrijke interesse in de ‘weg van het woord’. Dit vernieuwingsstreven verdient krachtige aandacht en bijval van de kant van onze kerken.
De TSB is een waardevol en belangrijk instrument dat ons ten dienste staat bij de opleiding tot predikant in onze kerken. Oorspronkelijk bedoeld om een confessioneel reformatorische begeleiding te geven aan mensen die aan niet-confessionele theologische instituten studeerden. Naderhand tevens gebruikt om mensen vertrouwd te maken met de specifiek Nederlands Gereformeerde geschiedenis en problemen en benaderingen. Wat let ons echter om het accent nóg eens te verschuiven en de Theologische Studiebegeleiding te benutten om samen bezig te zijn vanuit die bovengenoemde interesse in ‘de weg van het woord’?
In bezinning en praktijk.
De TSB-medewerkers zouden dan uitgebreid kunnen worden met mensen die een deskundigheid hebben in bijvoorbeeld vakken als pastorale psychologie en praktische theologie.
Vakken waar je in het hedendaagse predikantschap m.i. absoluut niet zonder kunt en die voorzover ik weet nog steeds ontbreken in het curriculum van Kampen, Apeldoorn en het Seminarie.
En zeker niet elke theologisch student, studerende aan een van de rijksuniversiteiten, heeft dit in zijn ‘pakket.’ Een meer praktisch theologische insteek van de TSB-bijeenkomsten (zonder het waardevolle wat we hebben te willen miskennen!) zou ook tegemoetkomen aan het verlangen naar een opleiding die gericht is op de praktijk.
En misschien ook wel aan de wens van veel studenten.
Wil het Nederlands Gereformeerd Seminarie zich niet vervreemden van de praktijk van het concrete predikantswerk in de volle breedte van onze kerken dan zal ook zij - omdat ook zij zich richt op een sterk traditioneel predikantschap - in deze vernieuwing mee moeten gaan. Niet op eigen houtje en amateuristisch, maar samen met anderen en op niveau. Met gekwalificeerde mensen. Ik zou haar willen uitdagen om de term ‘reformatie van de opleiding’ ook op haarzelf toe te passen.
Anders loopt ze het risico, dat ze predikanten opleidt voor gemeenten, die niet of nauwelijks meer bestaan.
We moeten zo gauw als maar mogelijk is de strijdbijl over de z.g. ‘verwetenschappelijking van de theologie’ begraven. Niet omdat er geen gevaar zou bestaan dat mensen geloof en wetenschap gaan verwarren (het blijft altijd nodig om de eigen aard van beiden te onderkennen), maar omdat de discussie gevoerd wordt in termen en formuleringen die al te zeer gestempeld zijn door de theologische situatie van de dertiger en veertiger jaren en vandaag niemand meer aanspreken. Er is in kerk en theologie en opleiding in de afgelopen zeventig jaar (!) zoveel veranderd dat de destijds gebruikte termen en probleemstellingen ongeschikt zijn om de huidige kernpunten inzake de opleiding goed in beeld te krijgen.
Laten daarentegen zowel onze kerken als het Seminarie proberen hun idealen te verwoorden in taal van vandaag en in termen van de ervaringspraktijk.
Hoe stelt men zich een eigentijds predikantschap voor? Wat acht men daarvoor nodig? Hoe willen men dit bereiken?
Want: het predikantschap moet zich niet richten naar de opleiding, maar de opleiding moet zich richten naar het predikantschap.
Bij het onderzoek naar de wenselijkheid en de mogelijkheden van een eigen opleiding dient de vraag centraal te staan in hoeverre een eventuele eigen opleiding gericht kan worden op de eisen die een eigentijds predikantschap in de volle breedte van onze kerken aan kandidaat-predikanten stelt.