Als de olifanten vechten wordt het gras vertrapt
2002-02-08
Wat gebeurt er als er een olifant in een porseleinkast rondloopt? Dan vallen er scherven. En wat gebeurt er als er olifanten vechten op een savanne?- Jaargang 46
- nummer 3
Dan wordt het gras vertrapt. Het eerste is een parafrase op een Nederlands en het tweede op een Afrikaans spreekwoord. Maar in beide gevallen is de uitkomst een ravage. Het begin van het laatste spreekwoord ‘Als de olifanten vechten...’ is de titel van een onlangs verschenen boek dat gewijd is aan het denken over ontwikkelingssamenwerking vanuit christelijk perspectief.
De spreekwoordelijke olifanten kunnen staan voor ontwikkelingsorganisaties, economische en politieke wereldmachten of natuurgeweld, maar in het strijdgewoel zijn het steevast de armen van het zuidelijk halfrond die het slachtoffer zijn.
Aan de vele kleurige folders en de stroom girootjes die elk jaar in december onze brievenbus blijven binnenkomen is het misschien niet te merken, maar het ontwikkelingswerk zit in een mid-life crisis. Na vijftig jaar ontwikkelingswerk lijkt er nog bitter weinig bereikt en ook in christelijke kring heeft men nu de tijd genomen om zich te bezinnen op werkwijzen en motivaties van het eigen ontwikkelingswerk.
Naar aanleiding daarvan is eind 2001 nummer 17 in de serie ‘Christelijk Wijsgerige Reeks’ van uitgeverij Buijten en Schipperheijn verschenen. Het boek is een neerslag van die bezinning en bevat 17 bijdragen van in totaal maar liefst 19 verschillende auteurs. Daartussen zitten mensen uit het veld die vanuit hun eigen ervaringen in zending of ontwikkelingswerk kritisch naar de praktijk kijken. Maar ook filosofen, theologen en economen leveren hun bijdrage. Dankzij de inleiding en eindredactie van G.J. Buijs is de bundel een mooi samenhangend geheel geworden.
Zowel een globale analyse van de huidige situatie, een bezinning op de doelstellingen als een kritische noot naar de praktijk komen achtereenvolgens aan bod.
Crisis
Is de situatie dan echt zo erg? Het is opvallend dat bijna alle auteurs heel kritisch naar het ontwikkelingswerk in het algemeen en naar het christelijke werk in het bijzonder kijken. In hoofdstuk 1 brengt Buijs het als volgt onder woorden ‘... ontwikkelingswerk bevindt zich in een precaire situatie. Die situatie laat zich aanduiden als een ‘legitimatietekort’, de activiteiten draaien nog volop, maar de rechtvaardiging ervan wordt hoe langer hoe brokkeliger.’ Hij denkt dan allereerst aan de motivatie van het werk. Veel motieven zijn ronduit slecht te noemen, zoals economisch eigenbelang, politieke motieven en de continuïteit van de eigen organisatie. Dan zijn er nog motieven die goed lijken maar het niet zijn, zoals schuldgevoel over de eigen rijkdom en het koloniale verleden.
Ze kunnen leiden tot het ondernemen van acties die een goed gevoel geven, maar die eigenlijk de grote economische structuren en dus de onrechtvaardige verhoudingen tussen rijk en arm gewoon in stand houden.
Ook de gebruikte methoden blijken niet altijd goed te zijn geweest.
Voorbeelden daarvan zijn werkwijzen die blijk geven van culturele arrogantie en acties als het dumpen van hulpgoederen op lokale markten die daardoor instorten. Tenslotte blijken veel projecten niet het beoogde effect te hebben. Veel geld bereikt de armen niet, de projecten die wel afkomen zijn niet duurzaam en mislukken door gebrek aan onderhoud. En door hulpverslaving verliezen hele bevolkingsgroepen hun zelfredzaamheid en overlevingsstrategieën.
Gerechtigheid
In hun bijdragen over motivering en achtergrond sluiten drie auteurs zich op een verhelderende manier bij dit beeld aan. W. van Laar, voormalig zendeling in Chili, staat stil bij het bijbelse begrip ‘gerechtigheid’. Hij verwijt (vooral westerse) christenen dat zij het begrip gerechtigheid hebben vergeestelijkt en vrijwel alleen in de context van hun persoonlijke relatie met God en de vergeving van zonden zien. Zo gaan zij voorbij aan de wereldwijde en materiële dimensie van Gods oproep om recht te doen. Van Laar verklaart dit onder andere vanuit hun economische eigenbelang. Zij zijn rijk en hebben er geen belang bij risico’s te lopen door echt naar een herverdeling van rijkdom te zoeken.
Ontwikkelingsdenken
In de bijdrage ‘Kleine anatomie van het ontwikkelingsbegrip’ van B. Goudzwaard en M. Verweij wordt het begrip ‘ontwikkeling’ zelf onder de loep genomen.
Inmiddels is aan dit woord een hele tak van beleid en organisatie gekoppeld, waaronder ook de christelijke organisaties vallen. Toch is de keuze van dit woord vanuit christelijke perspectief helemaal niet vanzelfsprekend.
Met deze term wordt gesuggereerd dat het westen geen schuld aan de armoede van de ‘onderontwikkelde’ landen heeft, maar dat laatstgenoemden alleen nog niet zo ver zijn in het heilzame proces van de maakbare samenleving. Zij moeten enkel door de ontwikkelde landen op weg geholpen worden. Op die weg zijn rationaliteit en marktmechanismen de sleutelwoorden en worden offers gevraagd.
God heeft in dit vooruitgangsgeloof geen rol en schuld en vergeving evenmin.
Volgens de auteurs is ook het christelijke ontwikkelingsdenken hier gedeeltelijk mee besmet.
Hoe verder?
Het beeld is verre van rooskleurig.
Hoe nu verder? Er is in de bundel gelukkig ook ruim aandacht voor alternatieven voor de toekomst. Men is het erover eens dat de christelijke basis nog steeds geldt als inspiratiebron voor het omzien naar de naaste. Daarin speelt de eerder genoemde gerechtigheid van Van Laar een rol. H. Velema noemt in het hoofdstuk ‘Inspiratie en organisatie’ de christelijke inspiratie, die vooral ook in zending naar voren komt, als de belangrijkste motivatie voor ontwikkelingsprojecten.
P.R. Boersema pleit in zijn artikel voor een herwaardering van ontwikkelingswerk ten opzichte van zending. Hij denkt dat in gereformeerde kring de zending vaak belangrijker wordt geacht dan ontwikkelingswerk, terwijl zij hand in hand zouden moeten gaan.
Goudzwaard en Verweij zien in ontsluiting van afgesloten culturen en armoede vanuit de visie van Gods Koninkrijk een alternatief voor het huidige ontwikkelingsdenken.
Micro-macro
Ook zijn er handreikingen voor de praktijk van het ontwikkelingswerk.
G.J. Buijs en R.F. Mauritz wijzen in hun artikel ‘Putting people first’ op de waarde van lokale projecten. Maar tegelijk roepen zij op tot een betere gerichtheid op de macroaspecten van plaatselijke (micro-) situaties. Zo zou men het politieke isolement van lokale minderheden via media-aandacht en politieke actie kunnen verminderen.
Ook zouden er relaties op nationaal en internationaal niveau moeten worden aangegaan om zo de duurzaamheid van het lokale project te kunnen garanderen. G. Verbeek voegt daar in zijn bijdrage aan toe dat N.G.O.’s (particuliere, non-gouvernementele organisaties) meer de onderlinge samenwerking zouden kunnen zoeken, naast coöperatie met overheid en bedrijfsleven. Ook hij noemt de media als middel om op macroniveau meer aandacht voor lokale projecten te vragen.
De media
In zijn artikel over humanitaire noodhulpverlening bespreekt M. Verweij speciaal de ambivalente rol van de media bij rampen.
Aan de ene kant is er door media-aandacht vaak meer financiële steun mogelijk voor projecten. Aan de andere kant is die aandacht heel erg vluchtig terwijl de noodhulp langdurig gegeven moet worden. Ook is het publiek, dankzij de media, eerder op de hoogte van missers in het functioneren van ontwikkelingsorganisaties.
Verweij pleit ervoor om het hoofd koel te houden en onafhankelijk van de media bij de eigen taakstelling te blijven. Maar hij doet tegelijk ook een oproep om de kansen die de media bieden aan te grijpen. Volgens hem is een gericht mediabeleid voor elke organisatie aan te bevelen.
Met respect
Verschillende auteurs hebben aandacht voor het respect dat in ontwikkelingssamenwerking mag worden verwacht ten aanzien van de ander overzee en zijn cultuur. Ph. Quarles van Ufford roept op tot wederkerigheid en gelijkwaardigheid in de relaties met overzeese kerken. Hij waarschuwt voor eenzijdigheid in het aangaan van relaties met kerken in ontwikkelingslanden.
Hij beseft dat vanwege cultuurverschillen en verschillen in situatie de intenties en doelen van de zendende kerken nooit helemaal overeen kunnen komen met die van de ontvangende kerken. Rekening houdend met die ‘breuk’ moet gestreefd worden naar onderlinge afhankelijkheid.
C. Fahner en L. van der Lee, H. van der Lee en F.A. Visscher, alle vier mensen uit de praktijk van zending en ontwikkelingswerk, roepen in drie verschillende artikelen op tot een holistische werkwijze met aandacht voor de culturele en religieuze dimensie van het werken in ontwikkelingssamenwerking.
Vanwege het duale westerse denken, waarin techniek en economie (die terugkomen in ontwikkelingsprojecten) strikt gescheiden zijn van het religieuze en sociale (dat in de kerk en in zending aan de orde komt), vergeet men dat dit in niet-westerse culturen niet te scheiden componenten van één geheel zijn. Hierdoor verloopt samenwerking slecht, wordt de doelgroep niet bereikt en worden veel doelstellingen niet gehaald.
Resultaten!!
Tenslotte is er ook een artikel gewijd aan het evaluatiedenken. De goede bedoelingen zijn niet genoeg; er moeten ook meetbare resultaten aangewezen kunnen worden. Dit is een modern verschijnsel in de ‘ontwikkelingsbranche’ en de meningen hierover zijn vooralsnog erg verdeeld. In hun bijdrage ‘Evaluatie van ontwikkelingsinspanningen’ schenken F. van der Velden en L. Stok hier aandacht aan.
De evaluaties kunnen om verschillende redenen veel weerstand oproepen bij lokale en westerse projectmedewerkers.
Bijvoorbeeld omdat men bang is dat idealen ondergesneeuwd raken, omdat men voelt dat het van boven opgelegd wordt, omdat men zich vereenzelvigd met het al dan niet slagen van het programma, omdat er geen terugkoppeling van de resultaten van evaluatie naar de praktijk is, of omdat men eigenlijk meer gehecht is aan de eigen deelname aan het project dan aan het effect ervan. De auteurs weten dat het werken met evaluaties veel valkuilen kan hebben. Toch zijn zij van mening dat deze werkwijze juist goed ten dienste van de bezinning op doelstellingen en werkwijzen kan worden gebruikt.
Vertrapt gras
Het gras op de savanne ligt er vertrapt bij. Er zijn net een aantal vechtende olifanten voorbij gekomen. In het beeld dat dit spreekwoord oproept is het duidelijk dat het gras een probleem heeft. En men zou zich kunnen afvragen hoe het gras sterker gemaakt kan worden zodat het een eventuele volgende vechtpartij beter zou doorstaan.
Maar ligt een even zo belangrijk deel van het probleem niet bij de olifanten?
Zij zouden niet zo lomp over het gras moeten lopen, en al helemaal niet moeten gaan vechten. Ze zouden kunnen beginnen met afslanken zodat ze minder zwaar worden. En voor sommigen van hen zou het misschien zelfs beter zijn om helemaal niet meer langs te komen.
Handreiking
Als er één ding duidelijk is na het lezen van deze bundel is het dat de problematiek van de armoede in de wereld niet alleen een probleem is van de armen zelf, dat dankzij onze goede zorgen opgelost zou kunnen worden.
De positie van het westen en van ontwikkelingssamenwerking is hierin minstens zo problematisch. Dat merken de medewerkers van ontwikkelingsorganisaties en de wetenschappers die in dit boek aan het woord komen. Zij zien dat er in vijftig jaar ontwikkelingshulp enamenwerking teleurstellend weinig is bereikt. Ze durven een eerlijke zelfevaluatie aan en vinden in hun geloof weer de moed en de handreikingen om door te gaan.
Eerlijke prijs
Maar ook voor mensen die niet direct betrokken zijn bij ontwikkelingssamenwerking geeft dit boek genoeg stof tot nadenken. Wij maken met onze welvaart een klein deel uit van een economisch, politiek en cultureel blok dat olifantische afmetingen heeft. We zouden een poging kunnen doen om nog meer vanuit de volle reikwijdte van Gods gerechtigheid te leven, die ook geldt voor de ruim 1 miljard armen die er op de wereld leven. Middels het kopen van koffie, thee, chocola, suiker, bananen, hagelslag, tomatensaus, ananas, speelgoed en kleding met een eerlijke prijs bijvoorbeeld, van Max Havelaar en Fair Trade. En natuurlijk door de mensen te steunen die de handen uit de mouwen steken en met vallen en opstaan hun naaste in het zuiden blijven helpen.
Als de olifanten vechten..., dr. Govert Buijs (red.), Uitgeverij Buijten & Schipperheijn, Amsterdam, 2001. Prijs: E 22,46