Nog eens over evangelisatiegezindheid
2002-03-08
Veel van wat door mijn opponenten te berde is gebracht, in reactie op mijn twee artikelen over de evangelisatiegezindheid, heeft mijn hartelijke instemming. Maar dat wil niet zeggen dat we het eigenlijk allemaal wel eens zijn met elkaar. Wat ik met een te grote evangelisatiegezindheid bedoeld heb is dit dat wij er naar zouden moeten streven een aantrekkelijke gemeente te zijn. Aantrekkelijk voor wie? is dan mijn vraag. En daarop sloeg wat ik schreef: De kerk is niet de bruid van de wereld, maar van Christus. Zij versiert zich voor Hem. Jezelf voor de wereld aantrekkelijk maken leidt onherroepelijk tot ongeoorloofde aanpassingen van wat de kerk te bieden heeft.- Jaargang 46
- nummer 5
Alle zeilen
Je ziet dat bijvoorbeeld aan veel evangelischen die met een Pelagiaanse boodschap komen: Mens, je kunt zelf kiezen voor wat goed voor je is. En dat doortrekt dan vervolgens het hele kerk-zijn. De gemeente concentreert zich als het goed is vóór alles op Christus.
Daarvoor moet zij alle zeilen bijzetten, want er is niets zo vreemd en onpopulair in de wereld als het evangelie van Jezus Christus. De secularisatie van binnenuit tast ons aan als wij die concentratie op Christus verliezen en bewerkt dan het omgekeerde van wat evangelisatie beoogt: niet wereld wordt kerk, maar kerk wordt wereld.
Er wordt in de kerk te gemakkelijk van uitgegaan dat deze concentratie op Christus er wel is. Zelfs krijg je de indruk dat dit voor sommigen een gepasseerd station zou zijn en dat we de handen nu – eindelijk! - vrij zouden hebben voor andere dingen. Ik kom dan wel de stemming tegen van: Wíj zijn er al, nu de wereld nog. Maar zijn we er wel zo zeker van dat het met ons wel goed zit? Onderschatten we dan niet de kracht van het wereldse denken, ook als dat nog wel iets in religie ziet? We kunnen er de oude kerk niet van verdenken dat ze een hekel aan evangeliseren had. Toch bestond toen de gewoonte dat als de gemeente ter Maaltijd ging, de belangstellenden en zelfs de catechumenen werden weggestuurd. De gelovigen wilden dan alleen zijn met hun Heer, in het besef dat ze die gemeenschap brood-(en-wijn-)nodig hadden om in de wereld staande te kunnen blijven.
M.i. staat dat haaks op het streven, zoals je dat tegenwoordig wel tegenkomt, dat de kerk in alles wat ze zegt en doet onmiddellijk door ieder begrepen moet kunnen worden en toegankelijk moet zijn voor elke toevallige passant.
Gemakkelijke liederen en zeker geen moeilijke psalmen, een vlotte bijbelvertaling en een simpele verkondiging die de gekozen tekst meer aandoet dan behandelt (en de gevorderden in een nevendienst-voor-de-groten?).
Met de oren van de buitenwacht wordt het alles gekeurd. Daarin zie ik gebrek aan identiteitsbesef, het staat gelijk aan het afstaan van de olie die jezelf zo nodig hebt aan de dwaze meisjes.
Verbond en zending
Als dr Wielenga zegt dat zending en verbond twee zijden van dezelfde zaak zijn, waarvan zending de buitenkant en verbond de binnenzijde vormen (eigenlijk het onderwerp van zijn mooie proefschrift), dan ben ik dat helemaal met hem eens. Maar toch, als ik de geschiedenis van het verbond in de bijbel naga dan treft het mij hoe het met het verbond de engte ingaat tot daar waar Christus vlak voor Golgota het verbond zijn verbond noemt (‘Dit is het bloed van mijn verbond…’, Marc. 14 : 24); het is helemaal met zijn offer voor ons gevuld. Het is pas voorbij die versmalling van het kruis dat de wijde verten van de wereld voor ons opengaan. Het is dan ook dank zij die versmalling dat de verbreding er komt.
En zo is het niet maar voor één keer in de geschiedenis gegaan, zo moet het steeds, het heilshistorische moet zich telkens in het heilsordelijke vertalen.
Voortdurend moeten wij door de smalte heen om bij de breedte uit te komen. Dat is die concentratie op Christus waarover ik het had, die uit de werkelijkheid van het verbond voortvloeit. En dan (tweede opmerking) Wielenga spreekt van zending en dat is iets anders dan evangelisatie.
Anders dan bij de zending zou ik wat de evangelisatie aangaat niet gauw durven spreken van wijde verten en breedte. Dat is te gezwollen, het gaat om enkelingen. Niet dat ik daar geringschattend over doe, integendeel!, ik ben van harte blij met het resultaat van bijvoorbeeld de alpha-cursussen onder ons. Laat ik dat heel duidelijk tegen mevrouw Kleingeld-Lagewaard uit Dordrecht zeggen, die daarover in ons blad schreef. Ik vind in die vriendelijke avondcursussen die met gezamenlijke maaltijd beginnen juist iets terug van wat ik bedoeld heb en bedoel: catechese op aanvraag, evangelisatie vanuit de meer afwachtende houding zoals ons die voor vandaag past.
Dat sluit goed aan bij andere projecten onder ons, zoals de Hoop in Dordrecht en Kuria in Amsterdam. Die hebben ook dat afwachtende, niet wat de daad maar wat het woord betreft. (Het werk van ds Strating in Den Haag is een ander geval, dat trekt zich meer het lot aan van buitenlands prostituees en staat daarin gelijk met de arbeid onder de moslims.) Veel evangelisatie vind ik te opdringerig, te vergelijken met het zondagse luiden van de kerkklokken.
Niet dat ik me daar persoonlijk aan stoor, ik beleef er zelfs een nostalgisch genoegen aan, maar ik weet dat veel heidense uitslapers dat gebeier op de zondagmorgen verwensen. Het gebruik stamt uit de tijd dat iedereen naar de kerk ging. Dat is niet meer zo en een kerk die daar nu nog mee doorgaat beseft niet dat de bordjes verhangen zijn en we als christenen een minderheid uitmaken. Dat vraagt om aanpassing.
Je kunt wel zeggen dat God zich met zijn gebod (van kerkgang) niets aantrekt van minder- of meerderheid en zich dus niet aanpast, maar dat is een intern argument, daar mag je van ongelovige zijde geen bijval voor verwachten.
Zo geloof ik nu ook dat juist voor zoiets teers als het uitdragen van het evangelie in een samenleving die daar collectief nee tegen zegt, een kiese bescheidenheid noodzakelijk is.
Maar dit blijft waar: Tussen die afkerige meerderheid zwerven de enkelingen die zoekende zijn. Het komt erop aan de antennes wijd uitstaande te hebben om juist hen niet te missen.
Onze tijd en de situatie
Voor evangeliseren lijkt mij het verstaan van deze tijd en van onze situatie vereist.
Geen eenvoudig werk, we hebben er elkaar voor nodig. Onze tijd lijkt volgens mij op die van de profeet Jeremia die het had over een ‘rest’ in het afvallige tienstammenrijk van ‘één uit een stad en twee uit een geslacht’ (Jer. 3 : 14). Mijn oordeel over Nederland is te massief en te somber, vindt collega Sinia. Laat ik hem dan toegeven dat ik in ons land inderdaad wel een zekere mate van welwillendheid ten opzichte van godsdienstige zaken tegenkom, anders dan in de dagen dat ik predikant in Amsterdam was.
Maar ik vind toch dat de kansen voor het evangelie toen groter waren dan nu. De mensen zijn nu behept met een gevaarlijke karikatuur van het christelijk geloof. Alsof het een soort lievigheidsgodsdienst is die iedereen zonder moeite kan bijvallen (in woorden dan). Alsof verdraagzaamheid en antidiscriminatie de enige evangelische deugden zijn. Daar kom je haast niet meer doorheen. Tegelijk is het onderscheidingsvermogen bij de kerkmensen afgenomen. In veel kerken wordt een ‘aardige God’ gepredikt (‘Daar heb je Hem toch voor?’), een God waar je geen kind aan hebt. Beseffen we nog hoe vlijmscherp het evangelie kan zijn? Pas op de bijbelkring lazen we Lucas 14. We stuitten op deze ‘enormiteit’: 'Vele scharen reisden met Hem mede en zich omkerende zeide Hij tot hen: Indien iemand tot Mij komt en niet haat zijn vader en moeder en vrouw en kinderen en broeders en zusters, ja, zelfs zijn eigen leven, die kan mijn discipel niet zijn' (Luc. 14 : 25 en 26). Over evangelisatie gesproken, dit is toch niet te ‘verkopen’? Ik tenminste ga niet zomaar mee met hen die zeggen dat dit 'haten' verstaan moet worden als een 'ten achter stellen bij'. Jezus beschikte waarachtig over genoeg taalvermogen om zich genuanceerder uit te drukken, maar Hij gebruikte dat scherpe woord om te schokken, om ergens doorheen te komen. Door die wollige deken van niets zeggende welwillendheid waarin Hij zijn tijdgenoten gewikkeld zag.
'Overreken eerst de kosten', zegt Jezus in datzelfde verband en dat klinkt eerder waarschuwend dan wervend. Dat is de vreemdheid van het evangelie.
Voor ons al, laat staan voor degenen voor wie God er alleen nog maar als een Joris Goedbloed mag zijn.
Marketing (waar collega Sinia het over heeft) kan hier natuurlijk niets mee, dat is duidelijk. Toch krijg ik wel eens de indruk dat wij heimelijk van onze tact meer verwachting hebben dan van de Heilige Geest. Ooit heb ik geschreven dat ik het optreden van Bert Doornbos meer met het evangelie in overeenstemming vind dan de doorsnee evangelisatie. Wat hij doet is eigenlijk meer een bestraffen, zoals in de Middeleeuwen iemand als Savonarola dat in Florence deed. Dat kostte hem trouwens de kop. Tegelijk gaven velen er gehoor aan. Zou een dergelijk optreden niet inderdaad meer effect oogsten dan een evangelisatie-prediking die stelselmatig God ‘van zijn beste kant’ wil laten zien?
Het evangelie als geheimenis
In wat voor tijd leven we? Ik noemde die van Jeremia al. Een andere profeet, Jesaja, zegt het zo: 'Bind de getuigenis toe, verzegel de wet onder mijn leerlingen. En ik zal wachten op de HERE die zijn aangezicht voor het huis van Jakob verbergt, ja op Hem zal ik hopen' (Jes. 8 : 16 en 17). Deze profeet vond het blijkbaar ook boter aan de galg gesmeerd om steeds maar vanuit het Woord te blijven getuigen.
Wat hij zichzelf opgelegd zag lijkt op wat Bonhoeffer bedoelde toen hij het over het arcanum had: het hoeden van het geheimenis tegen schending van buiten. Dietrich Bonhoeffer is het meest bekend geworden doordat hij een niet-religieuze interpretatie van het evangelie naar buiten toe voorstond.
Daar kun je je vragen en je twijfels over hebben. Wat minder bekend is en waar ik hem ook beter in kan volgen: Hij wilde naar binnen toe het bijbelse geloof als een kostbaar geheim koesteren en hij beriep zich daarvoor op het gebruik in de oude kerk (zoals ik eerder al noemde) dat bij de viering van het Avondmaal de belangstellenden en zelfs degenen die al onderricht ontvingen werden weggestuurd. Zo zuinig was men op de eigen christelijke identiteit die vooral in het centrum van de eredienst gevierd en versterkt moest worden.
(Dat is ook de reden, denk ik, waarom de oude kerken zo weinig sociale ruimte hadden. Het strikt godsdienstige was nog een eigen categorie, God ging nog niet op in de naaste. De onderlinge contacten moesten maar in de week en aan de huizen plaats vinden, maar de ontmoeting van de gemeente met haar Heer, daar was het kerkgebouw voor.) Zou het kunnen dat bij ons de kerk te versocialiseerd is? Als de kerkdienst enkel een sociaal gebeuren wordt dan is de aanpassing aan de toevallige bezoeker voor de hand liggend en verantwoord. Dan is er immers helemaal geen geheimenis dat gehoed en gekoesterd moet worden, dan verschilt de zondag niet van door de week en de kerkdienst niet van een bingo-avond. Geheimenis, - ik geef toe, dat klinkt geheimzinnig maar zo is het niet bedoeld. Het Nieuwe Testament zelf heeft het over het geloof als een geheimenis. De eerste keer dat dit gebeurt is wanneer de Here Jezus ertoe overgaat in gelijkenissen te spreken (!, Matt. 13 : 11). Hij ziet geen kans om de buitenwacht anders dan met zulke beeldverhalen naar de geheimenissen van het koninkrijk der hemelen nieuwsgierig te maken.
Wat het evangelie zegt komt rechtstreeks niet meer over. (Dat de Heiland ook na zijn overgang naar de gelijkenisvorm nog zonder beelden gesproken heeft, zoals Sinia zegt, is waar, maar ontkracht mijn verwijzing naar deze opmerkelijke vorm van onderwijs niet.) In de vroege tijd van de kerk leefde dit geheimeniskarakter van het geloof nog sterk. En, zoals gezegd, dat heeft wel iets van wat we hier bij Jesaja vinden. Hij was ook beducht voor de toegreep van schennende handen en schermde daarom het evangelie tegen de onbesneden oren af.
Hopen
Wil dat nu zeggen dat Jesaja met zijn naar binnen gekeerd zijn Israël afschreef?
Nee, want in de eerste plaats bleef hij hopen. Kennelijk op betere tijden. Maar ook het vervolg geeft aan die gedachte van opgeven geen steun. Hij zegt: 'Zie ik en de kinderen die mij de HERE gegeven heeft, zijn tot tekenen en tot zinnebeelden onder Israël, vanwege de HERE der heerscharen die op de berg Sion woont' (Vers 18). Van de woorden stapt hij over op de tekenen, de aanwijzingen, de aanduidingen: het er-zijn, middenin het volk, zowel van hemzelf als van zijn ‘kinderen’, dat moet het doen. Zoals Petrus later in een post-evangelische situatie effect verwacht heeft van de wandel zonder woorden, zo gaat het hier over enkel de aanwezigheid van de profeet en zijn leerlingen als boodschap aan hun omgeving. Dat was voor Jesaja een welsprekend teken dat door de serieuzen in die frivole tijd kon worden opgemerkt. Het getuigenis van deze profeet is bepaald niet het geschal van een radio geweest die men vergeten was uit te doen.
Schaamte
De tijd lijkt gekomen dat wij ons als gemeente naar binnen moeten keren en met de rug naar de wereld moeten gaan staan.. De vage welwillendheid waarover ik het eerder had kan zomaar omslaan in haar tegendeel. Er begint een klimaat te ontstaan waarin je de agressieve weerzin tegen het evangelie kunt voorvoelen. In zo’n wereld kunnen we ons beter gedeisd houden.
(Behoudens dan de profetische taak van de kerk.) In afwachting van betere tijden (of de Beste Tijd!). Ja maar, ‘Alzo lief heeft God de wereld…(Joh. 3 : 16)’ dan? Zeker! Dat blijft. En wij zullen God in deze liefde ook blijven navolgen. Maar tegelijk zullen we luisteren naar dat andere woord dat ons door dezelfde apostel is overgeleverd: ‘Heb de wereld niet lief, noch hetgeen in de wereld is’ (I Joh. 2 : 15). Twee woorden die wij gemakkelijk tegen elkaar uit kunnen spelen, maar ik bedoel ermee te zeggen dat wij in onze navolging van Gods liefde tot de wereld onze hand gemakkelijk kunnen overspelen. God kan er tegen dat Hij de wereld lief heeft maar wij niet altijd.
Heel gemakkelijk nemen wij de stijl en de probleemstellingen van de buitenwacht over en vermengen wij het evangelie met de vage religiositeit van vandaag. Het is zelfoverschatting te doen alsof we daar immuun voor zijn. Een stevige verworteling in het bijbelse geloof is nodig. En dan nog iets. Wij zijn in het oude Europa een kerk met een besmeurd verleden. Wat is er vanwege de christenen in de achter ons liggende eeuwen wel niet allemaal mis gegaan en mis gedaan?
Hoeveel vergissingen zijn er niet gemaakt ten aanzien van wat het evangelie ge- en verbiedt? Wij zijn de generatie waaraan de rekeningen gepresenteerd gaan worden.
Zienderogen neemt de irritatie tegen de christenen toe. Wij zijn bezig zondebok te worden. Dit tast zelfs overtuigde christenen aan. Hoe velen hebben er niet afgehaakt? Zijn wij in de ogen van de wereld niet de verliezers?
Vijf ouderlingen stapten gedurende de laatste vijftien jaar van mijn bediening uit kerk en geloof weg. Echt midden uit de gemeente. (Om van de gedroste gemeenteleden maar te zwijgen.) Dat gaat je niet in de kouwe kleren zitten. Bij wat voor organisatie ben ik eigenlijk aangesloten? Vraag je je wel eens af. Of vromer: ‘Waar wilt ge nog meer geslagen worden?’, zoals een profeet vraagt (Jes. 1 : 5). En dan: Hoeveel ongelovigen doen het niet beter dan wij? Dat ook nog! Mij remt dit geweldig om met het evangelie vrijmoedig naar buiten te treden. ‘Ik schaam mij het evangelie niet’, zeker, maar ik schaam mij als brenger en drager van het evangelie wel.
Geloofwaardig
‘Zij zullen van ú geen getuigenis over Mij aannemen’, is ooit door de Here Jezus tegen Paulus gezegd (Hand. 22 : 18). Dat was toen Paulus een ommezwaai van honderdtachtig graden gemaakt en zich van christenvervolger tot belijder van de Messias bekeerd had. Hij wilde toen meteen onder de joden in Damascus het evangelie gaan prediken (Hand. 26 : 20). De Heer vond dat niet wijs en gaf hem aanwijzing naar elders te vertrekken. De directe omgeving zou dit immers weinig geloofwaardig vinden. Opmerkelijk, dit psychologische argument in de mond van de Here Jezus! Zou het kunnen zijn dat ook wij door het verspelen van ons krediet niet langer de meest geschikte geloofsgetuigen zijn? Dat er iets is gaan schorten aan onze geloofwaardigheid?
Weer om andere reden dan zo-even, maar toch? Dat zou stellig geen reden zijn om volledig te gaan zwijgen, maar misschien wel om in grote bescheidenheid met het evangelie naar de mensen toe te gaan. We kunnen niet doen of er niets aan de hand is, daarvoor hebben we teveel boter op ons hoofd. Ik zou willen dat de kerk het vermogen ontwikkelde om ook eens met de ogen van het nietgeloof naar haar eigen manifestaties te kijken. Zoveel christelijke optredens naar buiten toe hebben voor mij inderdaad iets onbeschaamds. ‘Maak mij niet beschaamd’, bidt zo menige psalm. Ik beweer niet dat God dat vandaag wél doet, mij en ons beschaamd maken, het ligt allemaal niet aan Hem, maar toch kan ik dit gebed zo goed begrijpen. Er is zo ontzettend veel om je als christen over te schamen.
En was het nu zo dat we in een samenleving staan die nog nooit van het evangelie gehoord had, à la, we zouden ons over onze schroom heen moeten zetten. Maar zo is het niet, de kandelaar van het Woord heeft in onze streken helder gebrand. En daarom zie ik vandaag geen andere mogelijkheid dan dat we alleen of bijna alleen met de christelijke daad naar buiten treden en dat we ons op de zondag in de kerk terugtrekken om ons te voeden en te laven aan de bron. Bescheiden kerkdiensten, die vind ik voor vandaag gepast. (En als ze uitgezonden worden: liever voor de radio dan voor de tv.) En natuurlijk, de antennes zullen wij zoals gezegd wijd uit hebben staan om de signalen op te vangen van de enkelingen die zoekende zijn. Die zullen we graag verder willen helpen.
Alle evangelisatie-commissies kunnen dus blijven bestaan om daarvoor in de gemeente een gevoeligheid aan te kweken. Want: ‘Dominee De Jong is tegen evangeliseren’ (zoals het nu rond gonst) – die onzin moet u maar vergeten. Het gaat mij niet om het dat maar om het hoe.