Bij 'De soldaat die Jezus kruisigde'

2002-03-22
  • Jaargang 46
  • nummer 6
Het is al een oud gedicht. Uit 1917.
Maar dat me altijd weer ontroert.
De soldaat is zelf aan het woord. In de eerste regel behoort hij nog tot de groep, maar direct daarna is het een gebeuren tussen hem en Jezus.
Zijn vingers grepen wild om de spijker.
De dichter weet de pijn van Christus over te brengen door het woord wild aan het begin van de tweede regel te plaatsen. Als je het leest kun je daar door niet anders dan de nadruk leggen op wild. Dat wordt nog versterkt doordat het woord op die plaats tegen de maat ingaat. En nu zie je het voor je: de hand die als het ware nee schreeuwt tegen de pijn, als de spijker er doorheen gaat.
Direct daarna is er de volstrekte rust en de stilte, in dat haast intieme moment tussen Jezus en de soldaat, die natuurlijk grove scheldwoorden verwacht. Maar Hij zei zacht mijn naam en ‘Heb mij lief’. Dat is voldoende; de soldaat begrijpt het grote geheim, de liefde van Christus. Elk woord telt hier: voorgoed.

Maar hij verzet zich: de gelukslach die op zijn gezicht doorbreekt als antwoord op Jezus’ liefde wringt hij uit alle macht weg . Zijn tanden knarsen ervan. Hij slaat er op los. Hij timmert het weg.
Met zo’n intensiteit dat het hout ervan barst. Het geeft de sterke onwil van de soldaat aan en tegelijkertijd beeldt dat herhaalde sloeg en sloeg en sloeg zo prachtig uit wat er gebeurt.
Alweer: je ziet het voor je. En je huivert.

De laatste twee strofen geven het heden van de soldaat weer. Het voorgaande was een terugblik. Als een dwaas tekent hij, waar hij maar is, een vis, het teken van Christus. Met een spijker die hij in de holte van zijn hand houdt. Maar een spijker door mijn hand suggereert wat anders en verwijst al – wat mooi! - naar de slotregel.
En dan strofe vier met de verrassende slotregel: De vraag wordt niet genoemd; die wordt wel duidelijk uit het antwoord.
Hij heeft een spijker door mijn hand geslagen. Christus heeft mij voorgoed aan zich verbonden. En daarmee kan je – in onze spelling – ook de titel ineens omgekeerd lezen. Dan is de soldaat geen onderwerp meer, maar dan is hij het die door Jezus gekruisigd is.

De dichter Revius zong: Het zijn de krijgslui niet die met hun felle vuisten de hamer hebben opgelicht; Ik ben ‘t o Heer, ik ben ‘t die u dit heb gedaan Want dit is al geschied, helaas, om mijne zonden.
Ik was het zelf die hem kruisigde en als ik me dat bewust ben ga ik het gedicht van Nijhoff opnieuw lezen. En als ik me dan Christus’ lijden indenk, ga ik een beetje zien wat het betekent zondig te zijn. En ga ik begrijpen hoe groot zijn liefde voor mij is. En wil ik maar al te graag met de soldaat zeggen: Ik zit aan Hem vast, voorgoed.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief