Kerk-shoppen

2002-03-22
  • Jaargang 46
  • nummer 6
Bram Krol, de bekende predikant en publicist, heeft zijn column in het maart-nummer van Reveil gewijd aan het onderwerp dat u hierboven ziet staan: kerk-shoppen. Op de van hem bekende manier beschrijft hij een maar al te bekend verschijnsel, en zet er zijn commentaar bij:

De trouw aan eigen kerk is teruggezakt tot een bedenkelijk peil. Bevalt er iets niet? Dan nemen we de benen.
Praten is er nauwelijks meer bij. Als er ergens anders een vlotte spreker is, betere muziek of misschien zelfs lekkerder koffie, dan gaan wij daar naartoe.
Wij? Nee, ik bedoel u niet. Maar wel erg veel mensen.
Vooral jongeren die gaan studeren of verhuizen, leveren nooit een attestatie in. Resultaat: een toenemend aantal gelovigen zwerft buitenkerkelijk rond, en komt maar af en toe geestelijk wat bijtanken. Bij onheil en verdriet doen ze wel een beroep op de kerk, maar de kerk kan geen beroep op hen doen, want ze zijn geen lid.
Zo hoppen, zappen en shoppen velen van kerk naar kerk, een tienduizendkoppige menigte. Ze grazen de groene weitjes af, ze hemelen sprekers op, ze doen op z'n tijd behoorlijk vroom... en laten het daarbij. En dat is zonde.
Want zonder trouw en inzet, gaat de kerk te gronde. Die kerk heeft behoefte aan mensen die hun schouders onder het werk zetten. Zonder die trouw gaan tenslotte ook de rondzwervende kerk-nomaden stuk. Want geestelijk leven wordt gevoed door de gemeente en haar geestelijke bearbeiding.
Studies wijzen uit dat de kerktrouw van kinderen van trouwe kerkleden goed tot redelijk is, van ontrouwe kerkleden slecht tot beroerd en van de vrije blije zwervers is deze gereduceerd tot vrijwel niets... Zwervers offeren hun kinderen op aan de Moloch van deze tijd, vaak met als smoes, dat ze de vrijheid hoog in het vaandel hebben. (Alsof trouwe kerkgangers niet vrij zijn...) Kerkelijke ontrouw is een zonde.
Ouderlingen doen er goed aan hun klantenkring daarop te wijzen, en hen aan te sporen tot grote meelevendheid.
Aanhoudendheid op dit punt is een grote deugd!
Ja, ik denk dat het tijd wordt om dit soort dingen gewoon maar weer eens hardop te zeggen. Vrijblijvendheid is uiteindelijk wezensvreemd aan de gemeente van Christus.
Tegelijk zul je denk ik ook nog iets meer moeten zeggen dan Krol hier doet. Ligt het immers altijd alleen aan die mensen als ze ergens anders ‘hun heil zoeken’? Nee; soms ligt het ook aan de kerk. En dan moet je ‘t jezelf als kerk niet te makkelijk maken door alleen maar te wijzen naar die mensen die geen verantwoordelijkheden meer op zich willen nemen.

In hetzelfde nummer van Reveil staat een verbijsterend verhaal over de ervaringen van een moeder die haar dochter van 16 na een korte ziekte verloor.
Zij vertelt: ‘Ik heb me door sommige mensen met wie ik in kerkelijk verband intensief heb samengewerkt, intens in de steek gelaten gevoeld - en helaas is dat gevoel nog niet gezakt. Toen dit sommigen van hen ter ore kwam, zeiden ze: ‘Maar ze had me toch kunnen bellen?’ Dat zetten mensen ook op kaartjes: ‘Je mag me altijd bellen’ en ‘Als ik jets voor je kan doen, laat het dan weten’.
Maar dat doe je niet. Daar heb je de puf niet voor. Mensen hebben kennelijk niet in de gaten dat jij degene bent die hulp nodig hebt en dat zij degenen zijn die het moeten aandurven het initiatief te nemen. Makkelijk is dat niet, nee, omgaan met een onoplosbaar probleem is niet makkelijk.
Maar al die kaartjes waarop zij verwijzen naar de kracht die God geeft in moeilijke tijden, gelden evenzeer voor henzelf. Dat hebben ze kennelijk niet in de gaten. Ik weet niet waarom mensen zich verschuilen achter obstakels, waarom hun geloof het omgaan met verdriet bemoeilijkt.
Niet-christenen, die niets kunnen ‘afschuiven’ op ‘de God Die zal zorgen’, steken zelf de handen uit de mouwen.
Ze komen naar je toe, spreken je direct aan, hebben aandacht voor je verdriet.
Sowieso kun je met niet-gelovigen veel directer praten, ze hebben niet zulke hoge verwachtingen van medemensen.
Misschien dat dat meespeelt. () In de afgelopen maanden is het me opgevallen dat veel christenen waar ik bij hoorde geen raad weten met onoplosbaar verdriet, zoals wij dat ervaren - en zoals veel mensen dat ongetwijfeld ervaren, want er is veel ellende in de wereld. () Ik heb ontdekt dat christenen erg goed zijn in het opwerpen van obstakels en bar-rières. Ze putten zich uit in mooie woor-den waarachter ze zichzelf verbergen. Via allerlei fraaie constructies proberen ze puzzelstukjes die niet passen toch in elkaar te leggen en God hierin een mooie plaats te geven. ‘Ga elke stap maar met de Heer’, zeggen ze. En ze sturen een sfeervol kaartje. Wat heb ik daaraan? () Ik zal mezelf nooit meer ‘evangelisch’ noemen. Evangelische christenen hebben een lieve God, een God die er altijd is, zo lijkt het wel, die altijd luistert; in Hem geloven is fijn. Geloven is goedmaar geloven is bepaald niet altijd fijn!
() In de praktijk zijn het eerder nietgelovigen die met mij mee gaan dan de broeders en zusters die ik dacht te hebben. Ik ervaar Gods hulp vooral door niet-christenen. Maar misschien ‘leg ik mijn lat te hoog’, zoals een van mijn kennissen vaststelt.
Ik ben sinds de dood van Mirjam niet meer in de kerk geweest. Ik zou dat vroeger als een zonde gevoeld hebben, maar dat is het niet. Mijn contact met God is niet verminderd. Ik weet dat Hij het zo bedoeld heeft dat mensen ergens bij horen, elkaar steunen.
Maar ik ervaar in onze kerk geen saamhorigheid, geen verbondenheid. De gemeente van Christus moet er toch iets van voelen als ‘één lid lijdt’? Ik probeer dat uit te leggen, maar mensen met wie ik vroeger in de kerk zat, snappen er niks van. Iedereen wil graag dat we weer gewoon terugkomen naar de kerk, meedraaien in het kringwerk, gezellig zoals het altijd was. En vooral niet meer praten over teleurstellingen binnen de kerk. Dat schijnt heel bedreigend te zijn.’

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief