In het heiligdom verschenen

2002-04-05
  • Jaargang 46
  • nummer 7
Een doopdienst met gezang 334. Dus zing je als Nederlands Gereformeerde de regels: ‘Here Jezus wij zijn nu in het heiligdom verschenen’. In het ...HEILIGDOM!?
Negen van de tien keer zing je er vrolijk aan voorbij. Want we zijn gewend aan de psalmen, die ons met hun beelden meer dan eens een plekje geven tussen de oudtestamentische gelovigen op weg naar de heilige berg. ‘Hoe brand ik van verlangen om te komen in uw heiligdom’ (Psalm 84) - om er één te noemen. Een heel blok van de psalmen (120-134) is zelfs aan de opgang naar Jeruzalem gewijd!
We hebben het dus van huis uit meegekregen en het is een deel van onze traditie geworden. Al moet menige Nederlands Gereformeerde zulke regels in april 2002 wel zingen met een schoolse aula voor ogen, begeleid door piano, elektronisch orgel of keyboard.

Contrast
Tempel, heiligdom, voorhof, priester, offer, allemaal oudtestamentische beelden, die de ouderen onder ons misschien wel herinneren aan tijden dat de kerken nog kerken waren. Kerken met hun ruimte - gewijd en waardiggebouwd voor psalmregels als ‘Ik zal, uw woning ingeleid, en naar ‘t paleis der heiligheid in ware Godsvrees neergebogen, uw gunst verhogen (Psalm 5:7, OB). Als je dan anno 2002 in de doordeweekse ambiance van een aula moet zingen ‘dan ga ik op tot uw altaren’ (Psalm 43:4) - is dat toch even anders. Of nóg een stapje verder. In een praise-dienst kan het je zomaar gebeuren, dat je bij slagwerk, keyboard en gitaar ‘Ik kom in uw heiligdom binnen, ‘t voorhangsel ga ik voorbij’ (EL 298/Opw 192) staat te zingen. Door de veel modernere melodie van het opwekkingslied steken taal en beelden in zo’n geval nog scherper af. Dat is (tussen haakjes) trouwens toch iets waar je vaker tegen aanloopt bij de opwekkingsliederen. De melodieën hebben iets vlot-moderns door hun overeenkomst met de lichte muziek, maar woord- en beeldgebruik blijven daarbij (soms onnodig) achter. Een contrast, waardoor je wel in positieve zin bij de les blijft en soms zelfs denkt: ‘wat zing ik nú dan toch weer’? Zoals bij het genoemde opwekkingslied, waarbij ik me nog steeds afvraag of je je als gemeente wel zo direct met de (grote) hogepriester (Leviticus 25:11-16; Hebreeën 10:19-21) kunt identificeren.
Maar dat terzijde.

Niet met steen
Laat zich dat allemaal combineren, denk je dan? En dan heb ik het over de magere ambiance van een aula (waarin door de week de scholieren huizen) en de oudtestamentische beelden van heiligdom, tempel, altaar en offers. Op het scherpst van de snede hoeft deze vraag niet uitgevochten te worden, want daarvoor zitten er teveel relativerende aanzetten in het Nieuwe Testament. Tempel, altaar en offer (en nog veel meer) zijn door de dood en opstanding van onze Heer in een ander licht komen te staan! Uit Jezus eigen mond hoor je al: ‘meer dan de tempel is hier’ (Mattheüs 12:6) en op een ander moment heeft hij toespelingen gemaakt op zijn eigen dood en opstanding in termen van afbraak en opbouw van de tempel (Johannes 2:19, Mattheüs 26:61).
In de brieven merk je dan ook dat de lijnen niet meer over Jeruzalems tempel en altaar lopen, maar over Christus en de gemeente. Neem Paulus, die met een beroep op de barmhartigheden van God (en je mag dan rustig aanvullen ‘in Christus’) zijn lezers aanvuurt tot overgave aan God - als een levend, heilig en God welgevallig offer. ‘Offer jezelf’, zegt de apostel met beelden uit de oudtestamentische cultus (Romeinen 12:1,2). Minstens zo sprekend is Hebreeën 13:12-16. Ook daar wordt ingezet bij Jezus en zijn lijdensweggeschetst met het Oude Testament voor ogen. En ook daar loopt het uit op een aansporing richting de gemeente.
En dat naar twee kanten: lof aan God en vrijgevigheid richting de naaste, maar beide getypeerd als offer.
Ook Petrus zit helemaal op deze lijn als hij het heeft over geestelijke offers (1 Petrus 2:1-6). Ook die passage begint weer bij onze Heer: ‘Komt tot Hem, de levende steen’, waarna de apostel heiligdom, priester en offer hergebruikt als typeringen van het lichaam van Christus (zijn gemeente).
Deze nieuwtestamentische ombuiging relativeert het belang van het gebouw, zodat je zonder schroom gezang 320 (een lied voor bij de eerste steenlegging van een kerk!) kunt zingen: ‘Maar niet met steen en hout alleen is ‘t grote werk gedaan. ‘t Zal om onszelve gaan’.

Van NH naar NGK
‘Het kerkgebouw is binnen de reformatie nooit een principiële zaak is geweest. In principe kan de gemeente overal samenkomen. In het begin van de Tachtigjarige oorlog had men er geen moeite mee kerkdiensten in de openlucht te houden’, zo las ik ergens.1 Verbazingwekkend is deze nuchtere houding t.o.v. de kerkelijk behuizing niet, want de reformatie was een beweging, die bovenstaande noties uit de Schrift ernstig ter harte nam en bovendien heftig reageerde op de rooms-katholieke overdaad in kerkbouw en -inrichting. En verder wás het vaak niet anders in die woelige tijden van vluchten en onderduiken.
Dan heb je wel andere dingen aan je hoofd dan de bouw van een kerk. Het herhaalde zich dunnetjes in latere tijden, waar het bovengenoemde boek van hervormde huize trouwens wat stilletjes over is. Zo kerkten de afgescheidenen in de jaren na 1834 niet zelden in boerenschuren en huiskamers en ook na de vrijmaking kwam men noodgedwongen samen in schoolgebouwen en fabriekskantines. En dan is het nog maar één stapje verder en je bent Nederlands Gereformeerd en zit in de aula, waarmee ik dit artikel begon.
Als het gaat over ‘veranderingen in de kerk’ ligt het zo voor de hand om aan verschuivingen in het liturgische te denken.
In minder dan twintig jaar is er op dit punt in onze kerken ook veel veranderd: de liederen, de formulieren en eigenlijk de hele sfeer. In de software van het kerkelijke, zouden computer-mensen zeggen. Maar in de hardware is het ook niet meer wat het geweest is. En dan heb ik het dus over het kerkgebouw zelf.

De kerk uit
Als het om de hardware gaat, hebben de grote veranderingen voor ons Nederlands Gereformeerden zich voltrokken in de jaren veertig en zestig van de vorige eeuw. Toen zijn we immers twee keer de kerk uitgerold (synodaal,1944; vrijgemaakt, 1967). En dat niet alleen op papier en kerkverbandelijk, maar vaak ook uit de gebouwen. Veel Nederlands Gereformeerde gemeentes kennen sindsdien het wekelijkse ‘stoelen zetten’.
We zijn de kampeerders onder de kerken geworden en dat ook nog eens in andermans tent. Geen wonder op zichzelf, want er zijn er onder ons die twee keer aan de bouw of koop van een kerk hebben meebetaald. Moet je dan werkelijk nog eens voor een derde keer de portemonnee gaan trekken? Zo zijn we dus vrij automatisch in onze kampementen terecht gekomen en we hebben er mee leren leven. Het is niet anders en daarbij komt: het is net als kamperen ook niet zo duur.
Maar loop je als toerist of anderszins eens een eeuwenoude kerk binnen, dan voel je wat je als Nederlands Gereformeerde mist. Want in zo’n kerk heb je wél de sfeer van ergens toch een godshuis, je hebt wél de klank (of juist de stilte!). En je hoort bijna aan zo’n gebouw af dat er door de eeuwen heen het evangelie is verkondigd, dat mensen er in goede en kwade dagen hebben gebeden en dat het lied er echt tot klinken kon komen. Als je daar zou zingen: ‘Here Jezus wij zijn nu in het heiligdom verschenen’ wordt er minder van je voorstellingsvermogen gevraagd dan in een aula, die op zulke momenten niets meegeeft.
Want je stem krijgt geen akoestisch steuntje in de rug en visueel is er geen enkele handreiking.
Na alles wat er in de reformatietijd van de (tot dan toe katholieke) muren is gegaan, zijn wij zelfs die strakwitte muren kwijtgeraakt - met hun hoogte en hun stilte.

Bouwen?
Moeten we er dan tegenaan om ook als gemeenten van zo’n 200 tot 300 man eigen kerken te bouwen of te kopen? De tegenargumenten liggen voor het oprapen. We kunnen ons geld beter in andere zaken stoppen dan in gebouwen, zo wordt gezegd - moet je kijken hoeveel kinderen je voor dat geld kunt adopteren bij Redt een kind! Of: als je in de gemeente ruzie wilt krijgen, dan moet je over een te bouwen kerk beginnen.
Of: die eindeloze (deur)collectes voor ‘rente en aflossing van de kerk’, daar word je toch ziek van. Met dat laatste ben ik het in ieder geval roerend eens.
Want áls er onder ons een kerk gebouwd of gekocht zou gaan worden, dan zouden we het eens over een andere boeg moeten gooien. Knop om: niet ouderwetsig tummelen met extra collectes, sponsorlopen en bazars, maar hedendaags denken vanuit de wijze waarop we inmiddels gewend zijn een eigen huis te kopen en te verbouwen - was er ook niet ergens een oudtestamentische profeet, die het eigen huis van de mensen in de overwegingen betrok?! Bij de afsluiting van een hypotheek van zo’n 200.000 Euro doet 5000 Euro meer of minder er toch nauwelijks toe? Zo zijn we gaan denken van maandag tot en met zaterdag.
Maar zaterdagavond klokslag twaalf schakelen we weer netjes terug in een ouderwetsig gereken op het niveau van 10 tot 50 Eurocenten. Maar als we het bij het kopen en bouwen van kerken nu eens net zo zouden aanpakken als bij de aankoop en de verbouw van onze huizen, ja, dán zou het bijna ongemerkt kunnen. Zoals die weduwe, die zwijgend en ongezien (nu ja de Heer zag het) haar muntstukjes in de offerkist deponeerde. De helft van haar levensonderhoud, zo staat er. Een forse gift dus, waarvoor ze zich zonder twijfel het één en ander heeft moeten ontzeggen.
In die stijl zou het kunnen en - ter geruststelling - bij ons zou het dan in veel gevallen gaan om de helft van ons spaartegoed of van wat overschoot uit een ruim afgesloten hypotheek.
Gewoon in stilte met één giro en verder geen gezeur om geld. Een forse lening, die misschien in de loop van de jaren giftsgewijs aan de kerk zou kunnen worden wijtgescholden.

Te gek?!
Of nog gekker. Je zal als gemeente toch eens een jaar niet op vakantie gaan! Het vakantiegeld zou rechtstreeks in de grote pot gaan, dat hebt u inmiddels wel door. Vervolgens zouden we de handen vrij hebben om tijdens de vakantieweken samen aan het kerkgebouw te gaan werken. Onder deskundige leiding, als was het een soort World Servants project voor jong en oud. En dan eens een keer niet in de derde, maar op een geseculariseerd plekje in de eerste wereld.
Ik zeg niet dat het allemaal moet.
Maar bovenstaand traject zou volgens mij gewoon kunnen - zonder dat het ons echt veel kost. De rente van een deel van je spaargeld en een vakantie, die je een keer laat schieten. That’s all.
Ter overweging! Ik heb ook de stoute gedachte, dat de armen wereldwijd er, gelet op onze rijkdom, absoluut niet onder zouden hoeven lijden.

Plussen
Want er zijn wel degelijk plussen te noemen. Ten eerste is het een gebaar richting de eigen jeugd (en de buurt waarin we kerken) dat de verpakking van ons gemeente-zijn ons iets waard is. En dat er in onze verhouding tot God ook gemeentelijk wel iets meer neer te zetten is dan alleen de stoelen.
Verder heb je door de week met een eigen gebouw ook meer armslag voor het jeugdwerk tot en met iets als een Alpha-cursus. En dan natuurlijk de diensten, die je kunt houden in een ruimte, die daarop is gebouwd en ingericht.
Ik ben in de afgelopen jaren sterker de negatieve kanten van ons kerkelijk gekampeer gaan ervaren. En misschien komt daarbij dat ik onze weelde meer en meer vind afsteken bij onze soms armoedige kerkelijke onderkomens.
Zouden we de profeet Haggaï (hij was het zoëven) wel als gastpredikant durven uitnodigen in onze kerkelijke ambiance, zeker als hij daarna bij ons thuis op de koffie zou komen?

Als wij samenkomen
Hoe kwam ik hier nu zo op? Was het door wat ik hoorde over ds. Bottenbleij, die het dan toch maar weer voor elkaar krijgt om de eigen locatie in Drachten fors uit te breiden. Of omdat ik me realiseerde dat de kersverse gemeente van NGK Amersfoort-noord in honderd huizen woont met een waarde van opgeteld zo’n slordige twintig miljoen Euro. Of kwam het toch door dat helder geschreven hervormde boek ‘Als wij samenkomen’ met zo’n eeuwenoude kerk op de voorkant. Zo was het, denk je dan, en zo hoeft het niet.
Maar toch zette het me aan het denken over onze eigen kerkelijke behuizing.
In het boek gaat het vooral over wat zich zondags binnen de kerkmuren afspeelt en dat in historische perspectief.
Het lezen waard, want in tijden waarin er veel verandert in het kerkelijke kan het geen kwaad om ook eens te horen, waarom het in het verleden zus of zo is gedaan. Zonder dat je het persé zo zou moeten blijven doen, maar daarvoor biedt dit open geschreven boek je ook alle ruimte.
Echt iets voor liturgie-commissies of kerkenraden, mocht het weer eens gaan over - zeg maar - de software van ons gemeentelijk samenkomen.
En wie weet komt van het één het ander en kun je het ook nog eens hebben over de muren en het dak.
Waarbij je wellicht de kruidenier van vroeger hoort vragen: mag het misschien ook een ietsje méér zijn?

1. Ik kwam het tegen in een boek van M.J.G .van der Velden e.a: ’Als wij samenkomen - liturgie in de gereformeerde traditie’.
Boekencentrum, Prijs: 15,20 Euro.
Alleraardigst is het om te merken dat sommige moderne dingen van oude tijden zijn (vgl. Prediker 1:9). Zo besprak men in 1550 in Londen ‘s middags de ochtendpreek ‘met het oog op leren en toepassen in het dagelijks leven’. En wat te denken van de voorzanger, die zeker in de eerste tijd na de reformatie een flink aandeel had in de keuze van de liederen - niet veel anders dan de zangleider in een evangelisch getinte dienst. Maar naast zulke doorkijkjes vind je in het boek veel lezenswaardige achtergronden als het gaat over het zondagse samenkomen van de gemeente.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief