Kerklied ... of niet (3)
2002-05-17
‘Het nuttig vee en ‘t roofziek bosgediert’, zelfs d’ezel, die door woeste wouden zwiert, die ongetemd zich kreunt aan juk noch koorden, vindt lafenis aan hare frisse boorden.- Jaargang 46
- nummer 10
‘t Gevogelte, dat in zijn snelle vlucht de vlerken klapt en opstijgt naar de lucht, of uit het loof zijn schelle stem laat horen, heeft aan haar zoom zijn woningen verkoren’.
Vaak zal dit zesde couplet van Psalm 104 niet gezongen zijn, gedurende de twee eeuwen dat deze berijming van 1773 meeging in de protestantse kerken.
Maar ook als je vanuit dit couplet de inmiddels Oude Berijming nog weer eens doorbladert, kun je je nauwelijks voorstellen, dat we daar een kwart eeuw geleden in onze kerken nog uit zongen als was het de gewoonste zaak van de wereld. Wat is onze gezongen taal veranderd door de komst van het Liedboek! Het is stukken moderner geworden en door de inbreng van Barnard en de zijnen ook dichterlijker.
Al maakte juist dat dichterlijke de overgang naar het Evangelische Lied met zijn alledaagse taal opnieuw tot een heuse stap.
Als ongetemde ezels
Psalmen, Gezangen en Evangelische Liederen. De hekken zijn bij ons de schuur in, als het gaat om de gemeentezang - zo schreef ik in het eerste artikel over ‘Het kerklied’. Dat werd ook wel duidelijk uit de Opbouw-enquête van vorig jaar. Aardig is het om te lezen wat Jan Pasveer in een laatste hoofdstuk van het boek ‘Het kerklied, een geschiedenis’ schrijft: "Veel gemeenten gebruiken een eigen gestencild liedboek waaruit (soms nog alleen vóór de dienst) gezongen wordt. Dit alles heeft zeker te maken met een vermindering van het respect voor het (kerkelijk) gezag. Men accepteert niet meer wat wordt voorgeschreven. Het kerklied is een consumptieartikel geworden.
Wie bepaalt echter de kwaliteit?"
(p.332). Kerken als ongetemde ezels, om het met Psalm 104 te zeggen.
Maar Pasveer’s verzuchting is mij wat te verontrust van toon en te zwaar geladen met gezag en respect als het gaat om iets als gemeentezang. Dat als ik denk aan de voorbije eeuwen en wat daar allemaal wel niet gezongen is. Maar ook als je let op een zekere pendelbeweging tussen Woord en beleving.
Landelijk of plaatselijk
Tegelijk is het schetsje van Pasveer ook voor ons herkenbaar. En het zou me niets verbazen dat - als het gaat over de gemeentezang - de vrijgemaakte synode in Zuidhorn ook aan zijn laatste ronde bezig is. Niet omdat het besluit van de besprekingen zo goed zal uitpakken, dat de zaken voor eeuwen geregeld zijn, maar omdat ook daar in de komende tijd de liedkeuze veel meer plaatselijk zal worden bepaald.
Dat zit gewoon in de lucht en dat houdt geen synode of deputaatschap meer tegen. Ook een flinke moot van de Christelijke Gereformeerden zal in de gemeentelijke liedkeuze, zo lijkt me, gaandeweg overgaan op een benade-
ring van onderop, als ze die weg al niet zijn ingeslagen. Wat mij aangaat is dat geen reden tot verontrusting, maar je hebt niet langer een lijstje van bovenaf, waarbij je in één oogopslag kunt zien welk lied wel en welk lied niet gezongen mag worden. In onze kerken hebben we een tijdje zo’n lijstje gehad, maar het verval ervan symboliseerde de overgang van het landelijke naar het plaatselijke. Dat betekent allerminst dat de rol van hymnologen en musici is uitgespeeld. Coachend en begeleidend zouden ze wel eens meer gehoor kunnen vinden dan in de tijden dat ze het liedrepertoire voorschreven. En zouden we als kerken onze winst ook niet kunnen doen met dat wat we elkaar plaatselijk als CGK-NGK-VGK zouden kunnen aanreiken? Wellicht zijn zelfs onze evangelische broeders en zusters in deze bezinning te betrekken. Om zo te groeien in een geïnspireerde gemeentezang, die de diepte niet schuwt. Met een dankbaar hart en tot eer van God, zoals Paulus schreef.
Goed literair niveau
Ook het boek ‘Het kerklied’ kan in zo’n bezinning met vrucht gebruikt worden. Zo schrijft Pasveer in dat laatste hoofdstuk over kenmerken van een geschikt kerklied, waarbij het zowel over het tekstuele als het muzikale gaat. Wat het eerste betreft stelt Pasveer dat ‘het kerklied een goed literair niveau dient te hebben’. Daaruit spreekt het verlangen naar liedteksten met diepgang van iemand, die afkomstig is uit de sfeer van het poëtisch getinte Liedboek. Toch vraag ik me af of Pasveer de lat daarmee niet iets te hoog legt. Dat begint al als ik zijn criterium aanleg tegen de hele korte liedfragmenten, zoals lied 267 uit de Evangelische Liedbundel: U komt de lof toe, U het gezang, U alle glorie, o Vader, o Zoon, o heilige Geest in alle eeuwen der eeuwen.
Dichter Huub Oosterhuis schreef de tekst, maar het is eigenlijk te kort en te zeer door de traditie ingegeven om te zeggen dit lied goed literair niveau heeft. Het is wel prima verzorgd Nederlands en dat lijkt ook voldoende voor zo’n kort lied. Maar moet je dan bij een langer lied wel de lat op het niveau van het literaire leggen? Van liederen van A.F. Troost (met zijn bundel Zingende Gezegend) zal Pasveer vast nog wel zeggen dat ze een goed literair niveau hebben. Toch zijn de teksten van Troost, zo is mijn indruk, minder poëtisch dan die van bijvoorbeeld Barnard en Oosterhuis.
Ik kan me heel goed voorstellen, dat er in de lijn van Troost nog eens nieuwe liederen geschreven zullen worden - in modernere taal, directer en een tikje persoonlijker dan de doorsnee-liederen uit het Liedboek. Maar prima om te zingen in de gemeente, al zullen het geen liederen zijn, waarbij je als eerste denkt: dát is van goed literair niveau. Terwijl het tegendeel ook niet het geval hoeft te zijn.
Ambachtelijk
Pasveer wijst in dat verband ook op het ambachtelijke, zowel in het tekstuele als muzikale. Bij de bouw van een kerk vindt iedereen het doodgewoon als er een vakman aan te pas komt, zou je bij de liederen voor de gemeentezang dan ineens met minder dan vakwerk genoegen nemen, zo vraagt Pasveer zich af (p.332). Dat lijkt me een goed punt, waarbij het zeker niet zo is dat je de vaklui alleen maar tegenkomt bij het klassieke (Liedboekachtige) kerklied. Die indruk wekken Pasveer en de zijnen mij weer teveel.
Misschien ook wel omdat er in het Evangelische Liedrepertoire vaak te weinig werk is gemaakt van de te zingen teksten. Want, moet je in de gereformeerde wereld op je hoede zijn voor de dichtende dominee, in de evangelische wereld hoeft iemand het maar op zijn hart te krijgen en er ligt een lied. Op zulke momenten zou je gewoon tegen zo’n lieve broeder of zuster moeten kunnen zeggen: beperk jij je nou als het kan tot 5 december ...
Van overzee
Enthousiasme - ook in de meer letterlijke zin genomen - is dus niet genoeg.
Toch kan ik me de verleiding wel voorstellen als er zich een eenvoudige liedtekst van overzee aandient op een goed in het gehoor liggende melodie. Is er dan werkelijk zoveel tegen om dat even te vertalen en de gemeente te dienen met een mooi nieuw lied?
Neem bijvoorbeeld het veel gezongen ‘Heer, ik kom tot U’ (EL 226).1 Het is een lied van Geoff Bullock, dat is ontsprongen aan het prachtige slot van Jesaja 40. Het heil, door de profeet uitgesproken over Israël, eigent Bullock zich in dit lied op heel persoonlijke wijze toe met de bede dat Gods liefde zich weer met kracht zal manifesteren in het alledaagse van zijn leven. Kracht in zwakheid! Maar de Nederlandse weergave vind ik onder de maat.
Zeker als je bedenkt dat de vertaler zich bij dit vrije lied aan iets als rijm niet heeft hoeven storen. Dan zijn zinnen als ‘dan kan ik uw schoonheid zien’ en ‘als ik aan uw voeten ben’ toch gewoon klungelig. Of ook het wat eigenaardige ‘Dan zweef ik op de wind, gedragen door uw Geest en de kracht van uw liefde’. Daar val ik niet van om, om het mild te zeggen. Dat zeg ik allerminst om het Evangelische Lied af te branden. Maar ik vind wel dat de tekstschrijvers in de evangelische hoek minder snel tevreden zouden moeten zijn over hun werk. Dat je vrouw het mooi vindt en de gemeente het een keer wil zingen is gewoon niet voldoende.
Pasveer wijst m.i. terecht op de ambachtelijke kant en daar zouden tekstschrijvers uit de hoek van het Evangelische Lied hun winst mee kunnen doen. Vooral als er vertaald of herdicht moet worden! En laten we vooral vooruitkijken en hopen op taalbegaafde mensen die in een paar regels meer kunnen zeggen dan ik in een heel Opbouwartikel.
Gemeentelijk
Pasveer wijst er ook op dat het kerklied echt een gemeentelijk lied moet zijn. Dat lijkt een open deur, maar in de ban van een lied kun je dat gemeentelijke zo maar vergeten. Als het om het tekstuele gaat dan moet zo’n lied een behoorlijke mate van herkenbaarheid hebben. Ik denk dat Gezang 491 dan door de mand valt, want er is (te)-
veel uitleg nodig wil een doorsnee kerkganger dit sluitstuk van het Liedboek kunnen vatten.
Maar gemeentezang brengt ook voor de melodieën zijn beperkingen mee.
Het moet bijvoorbeeld ritmisch niet te ingewikkeld worden. Pasveer noemt het niet, maar Gezang 222 lijkt me om die reden ongeschikt voor de gemeentezang.
Iemand die een beetje kan zingen krijgt de loopjes er onder de douche nog wel uit, maar met de hele kudde op zondag lukt dat gewoon niet. Ook het Credo (Gezang 331) zit op het randje van wat er gemeentelijk mogelijk is. En zo zullen er in het Liedboek nog wel meer liederen te vinden zijn.
Onverschilligheid?
Ook menig Evangelisch Lied zal deze toets der kritiek niet kunnen doorstaan.
Neem bijvoorbeeld het lied van zo-even ‘Heer, ik komt tot U’. Melodisch is niet echt met de gemeente gerekend en ik heb het onder ons nog nooit goed horen zingen. Daarvoor gebeurt er ritmisch te veel in dit lied en het gevolg is dat de meeste inzetten te laat en ongelijk zijn. In de loop van de regel weet men elkaar gemeentelijk wel weer te vinden, maar bij een volgend startmoment is het opnieuw mis. Het resultaat is een ritmisch sterk afgevlakte zang, waarbij de gemeente de begeleiding volgt in een patroon van achterblijven en weer aanhaken.
Verder word je ook niet geholpen door de eigenaardige evangelische gewoonte om met teksten zonder melodie te werken.
De Opwekkingsbundel heeft daarin al jaren het slechte voorbeeld gegeven met de gele tekstbundeltjes.
Goedkoop misschien, maar je suggereert met zo’n aanpak - ongetwijfeld onbedoeld - een zekere onverschilligheid t.a.v. het melodische. Het bevordert nog eens extra een slordige zingtrant.
Neem het superbekende ‘Juicht want Jezus is Heer’ (EL 130). Daar is de ritmiek van de tweede regel van het refrein geheel en al uitgesleten.
Zo’n omgang met de muzikale kant van de gemeentezang zal Pasveer c.s. niet prikkelen tot nader overleg met de wereld van het Evangelische Lied.
Ik vind dat jammer, want meer openheid over en weer zou m.i. de beide kampen van het hoog- en laagkerkelijke lied goed kunnen doen. Gelukkig is de Evangelische Liedbundel met een uitgave gekomen, waarbij de eenstemmige melodie is afgedrukt.2
Lied en liturgie
Liederen moeten zich ook kunnen voegen in de liturgie, zo stelt Pasveer. En zo was het ook in de tijd, dat er (vrijwel) alleen psalmen werden gezongen.
Bepaalde liederen kwamen na de preek of als laatste lied. Psalm 89:7 (OB) was zo’n lied - ‘Hoe zalig is het volk, dat naar uw klanken hoort’. Best mogelijk dat Psalm 95 of 100 in de opening van de dienst te vinden waren, gevolgd door Psalm 65 rond het gebed. Zo merk je hoe liederen hun eigen plekje krijgen in het geheel van de liturgie: bij lofprijzing, verstilling, gebed, aansporing, lezing van het evangelie, verkondiging en van tijd tot tijd avondmaal en doop. Met alleen de psalmen waren zulke accenten al te zetten, maar de gezangen van het Liedboek gaven (en geven) ons veel nieuwe mogelijkheden om de verschillende momenten in een dienst uit te laten komen. In die lijn zie ik ook de bijdrage van het Evangelische Lied. En dat juist in de uitersten van het extraverte en introverte lied. Wat het laatste betreft, denk ik aan het genre van de Taizé-liederen, vaak korte bijbelwoorden, die geschikt zijn om een gebed of een moment van stilte in te leiden. Aan de andere kant heb je de meer extraverte liederen van lofprijzing en aanbidding.
Zowel in deze extraverte als introverte liederen is opvallend veel ruimte voor de persoonlijke beleving van het geloof en daarin komen deze liederen aan de verlangens van veel kerkgangers tegemoet. Meer dan in de liederen uit het Liedboek, al ontbreekt het ook daar niet. Neem de al genoemde Psalm 89, die heel persoonlijk begint, maar vervolgens doorsteekt van het ‘ik’ naar het ‘ons’ en dan samen voor God (Ik zal zo lang ik leef bezingen in mijn lied des Heren milde gunst het werk aan ons geschied).
Schriftuurlijk
Als laatste kenmerk noem ik het schriftuurlijke van de liederen. Als laatste, omdat het in de discussies vaak ook zo gaat. Voor je het weet zit je elkaar in de haren over de teksten (oppervlakkig of dichterlijk) en over melodieën (smakeloos of ouderwets).
Eenmaal in zulke strijd gewikkeld komt de vraag naar het bijbels gehalte vaak niet meer aan bod. Maar schriftuurlijk is wel het eerste woord als het over een gemeentelijk lied gaat. Soms komt dat schriftuurlijke oplopend met de tekst tot uitdrukking (Gezang 30) dan weer meer impressionistisch (Gezang 225) of thematisch (Gezang 169) en soms zijn het kortere schriftgedeelten, zoals je ze buiten het Liedboek vindt.
Onmisbaar, want met zulke liederen eigen je je schriftgedeelten al zingend toe. Misschien wel voor later, zoals Psalm 42 met gevoelens, die door menig kerkganger niet direct herkend worden als de zijne of hare. Zo schreef ik in het eerste artikel. Het zingen van zo’n schriftuurlijk lied is dan ook vaak een diepte-investering in de goede dagen, voordat de kwade komen.
Leuk ... of niet
Iets wat je tevergeefs bij Pasveer zoekt is het criterium dat een lied voor de gemeentezang ‘leuk’ moet zijn (het tegendeel wordt trouwens ook niet bepleit). Laat ik mijn reeksje over het kerklied maar eindigen met dit woordje ‘leuk’, dat ook te vaak uit mijn mond rolt. Een ‘leuk’ lied, een ‘leuke’ dienst, een ‘leuke’ bijdrage van de kinderen en nog net geen ‘leuk’ gebed. Nee, dat niet, want als je je al biddend voor God openstelt, merk je wel dat het woordje ‘leuk’ je in de mond besterft - ongepast als het is in de ontmoeting met de Heer. En van daaruit moet je toch zeggen: ‘leuk’ is ook te ondiep om de andere momenten in ons gemeentelijk samenkomen te typeren. Een ‘leuk’ kerklied, dat kan eigenlijk niet. Zeker niet als je Paulus gehoord hebt over het zingen van Psalmen, Gezangen en Hymen. En dat met een dankbaar hart en tot eer van God.
Noten
De foto’s bij de drie afleveringen van ‘Kerklied ... of niet’ zijn genomen door Wiebe Penninga.
Er is inmiddels ook een begeleidingsbundel bij de Evangelische Liedbundel verschenen in twee delen. Bij intekening (tot 1 juni) is de prijs 122,50 Euro