Niet schuldig *)

2002-05-03
  • Jaargang 46
  • nummer 9
‘Niet schuldig, wel verantwoordelijk’ – ‘Ik kan iedereen recht in de ogen zien’ – ‘De enige schuldige is generaal Mladic’ – ‘Excuus naar de moslimvrouwen van Srebrenica is niet op z’n plaats’.

Het zijn zinnen die we in de afgelopen week vaak hebben kunnen lezen of horen. Ik wil daarover vanmorgen iets zeggen. Niet omdat ik zo graag de politiek op de preekstoel breng, maar omdat het hierbij gaat om dingen die ons allen rechtstreeks raken.
De Nederlandse regering heeft in de afgelopen dagen namens ons allemaal gesproken en gehandeld. De daad van aftreden van het kabinet was goed, daar ben ik als Nederlander tevreden over. Maar over de woorden die dit aftreden begeleid hebben (waarvan ik er zojuist een paar noemde) kunnen we niet enthousiast zijn.

Verantwoordelijk - schuldig?
Weet u, het zou een goede vraag geweest zijn in het EO-programma Het Elfde Uur aan de politici die daar dinsdagavond bijeen waren: Leg mij dat verschil tussen schuld en verantwoordelijkheid nu eens uit. Je zou dan met zo’n vraag iets kunnen laten zien van de E in je naam, want juist een christen moet bij zo’n onderscheiding nieuwsgierig opveren. Ik heb erop gewacht maar het kwam niet. Ik vroeg me af hoe die moslim-weduwen ertegenaan horen als hun zoiets gezegd wordt: ‘Wij Nederlanders, wij voelen ons wel verantwoordelijk, maar niet schuldig’. Het onderscheid slaat wel ergens op, maar is het hier van toepassing?
Er zijn, ook door ons, verwachtingen gewekt: ‘Dit is een veilige haven, wij zullen jullie beschermen’. Dat hebben we niet waar gemaakt. Ik als Nederlander voel mij schuldig en ik wil dat in de eerste kerkdienst die volgt op de gebeurtenissen van de afgelopen week hardop gezegd hebben. Wij Nederlanders kunnen op wat daar in Bosnië gebeurd is aangekeken en aangesproken worden. Als u van de zomer naar Bosnië op vakantie zou gaan en u zou zich daar als Nederlander bekend maken dan zou u dat wel merken.

(On)opzettelijke doodslag
Ik heb met u een paar stukjes uit het boek Deuteronomium gelezen. Ik heb ze met zorg uitgekozen omdat ik vind dat ze met wat hier aan de orde is te maken hebben. Het eerste gaat over de onopzettelijke doodslag. Wat daarover bepaald wordt kom je op verschillende plaatsen in de wet van Mozes tegen. Het aardige van de weergave in Deuteronomium is dat daar een zeer aansprekend voorbeeld gegeven wordt van iemand die zonder opzet een ander doodt. Een man is in het bos aan het houthakken, het blad van de bijl vliegt van de steel en treft de ander dodelijk. Zo iemand was dan in het oude Israël in zekere zin vogelvrij, dat wil zeggen: de bloedwreker mocht hem doden zonder dat hij daardoor schuld op zich laadde. We zullen het daarover niet hebben, want de hele figuur van de bloedwreker is ons onbekend. Was de doodslager schuldig?, dat is mijn vraag. ‘Niet des doods schuldig’, zegt de bepaling (Dtn. 19 : 6). Toch is er sprake van schuld, objectieve schuld, want de man is om vrijuit te gaan verplicht naar een vrijstad te vluchten om aan de bloedwreker te ontkomen. Je zou dat een lichte vorm van gevangenschap kunnen noemen, want hij moest daar blijven en begaf hij zich buiten die vrijstad dan kon hem dat zijn leven kosten. En in het boek Numeri lees je dan ook nog de bepaling dat hij in die vrijstad moest blijven tot de dood van de hogepriester (Num. 35 : 25). De hogepriester was in Israël de man die aan het hoofd stond van de verzoeningsdienst.
Dat hij erin betrokken werd laat zien dat er in Israël het besef was dat er een schuld gedelgd moest worden.
Een schuld die weliswaar niet volledig verhaald kon worden op de onopzettelijke doodslager, maar die er toch wel terdege was. De verzoeningsdienst in Israël was er goed voor die schuld uit te boeten.
We kunnen blij zijn met het onderscheid dat in de wet van Mozes gemaakt wordt tussen opzettelijke en onopzettelijke doodslag. Een duidelijk onderscheid, want wanneer er opzet in het spel was (zeggen de betreffende bepalingen) dan werd de dader uit de vrijstad weggehaald en alsnog berecht en gevonnist.
Opzettelijk – onopzettelijk, een heilzaam onderscheid! Zoals wij trouwens zelf in ons rechtsbestel ook verschil maken tussen moord en doodslag en dood-door-schuld. En let op, zelfs in dat laatste geval, het lichtste: dood-door-schuld, spreken wij nog van schuld.
Terecht, dat is van de bijbel afgekeken.

Psychologisering
Schuld is in de Schrift een objectieve werkelijkheid. Wij maken er een enkel subjectieve van, zodat iemand die zonder opzet de veroorzaker of mede-veroorzaker van de dood van een ander of van anderen is vrijuit gaat en kan zeggen: Ik kan iedereen recht in de ogen kijken. In het bijbelse denken is dat onmogelijk. Degene die naar de vrijstad vluchtte en daar moest blijven tot de dood van de hogepriester wist dat hij, hoe onopzettelijk ook, een schuld gemaakt had die verzoend moest worden.
Schuld was iets dat objectief bestond ook als iemand, subjectief onopzettelijk, fout gehandeld had. Zonder schuldgevoel was er toch schuld. En dat is het wat ik in deze afhandeling proef: Men voelt geen schuld en dus is er geen schuld. Dat komt omdat wij het hele begrip schuld verpsychologiseerd hebben. Dat gebeurt in de bijbel niet. De onopzettelijke doodslager hoefde zeker niet met zijn leven te boeten, maar kreeg toch te merken dat er door zijn daad een schuld in het leven was geroepen die gedelgd moest worden.
Dat kwam ook tegemoet aan het rechtsbesef van de nabestaanden.
Want wat zouden die eraan hebben als de dader zei dat hij geen schuld voelt? De bijbel is bij de slachtoffers.
Beter gezegd: God staat aan hun kant.

Onopgelost misdrijf
Het tweede stukje geeft een soortgelijke boodschap af. Het is wat minder bekend dan dat verhaal over de vrijsteden.
Er is iemand vermoord in het veld gevonden en niemand weet wie het gedaan heeft. Bij ons leidt dat tot naspeuringen van de recherche en als die na lang zoeken niets vindt wordt de zaak van de agenda afgevoerd.
Een onopgelost misdrijf. Natuurlijk zal men in het oude Israël ook naar de dader gezocht hebben. Maar daarover wordt niets bepaald in Mozes’ wet. Die houdt zich hiermee bezig dat er sedert die moord, door wie dan ook bedreven, een bloedschuld in de lucht hangt. Die kan zomaar ergens neerkomen.
Wat moet er daarom mee gebeuren?
Wel, de omgeving wordt opgetrommeld en van de oudsten van de stad die het dichtst bij de plaats van het misdrijf ligt wordt een ritueel verlangd.
Een verzoeningsritueel. Ze moeten met een jonge koe waarmee nog geen werk gedaan is (koeien werden niet voor de melk gehouden, daar waren schapen en geiten voor, maar als trekdier) naar een waterig dal gaan waarin niets wordt verbouwd en daar moeten ze de koe de nek breken. Dit dierenleven wordt genomen voor het vermoorde mensenleven, ter uitdelging van de schuld van de moord. De priesters aan wie de rechtspraak was toevertrouwd bekrachtigden het vonnis dat als het ware over de koe was uitgesproken.
En pas dan konden de oudsten met de verklaring komen: Onze handen hebben dit bloed niet vergoten en onze ogen hebben dit niet gezien.
Daarbij moesten zij hun handen wassen in onschuld. Dus niet als Pilatus.
Diens gebaar van het wassen van de handen was loos. Maar deze oudsten begrepen dat er iets ter verzoening gedaan moest worden. En ze deden dat ook. Versta het niet als magisch gebaar want ze baden erbij: ‘Doe verzoening, Here, over uw volk Israël dat Gij bevrijd hebt en leg geen onschuldig bloed in het midden van uw volk’. Of de Here God dit verzoeningsgebaar maar wilde aanvaarden en de schuld wegnemen.

Objectieve schuld
Ook hier de gedachte dat schuld een werkelijkheid is die objectief door een misdaad in het leven wordt geroepen.
Even reëel als een schuld die in geld is uit te drukken. Mensen die niets te maken hebben (zouden wij zeggen) met het ontstaan van die schuld weten zich er toch voor aansprakelijk en weten zich schuldig. Die oudsten immers hadden veel minder met die moord te maken dan wij met de zevenduizend van Bosnië, en toch zeiden ze niet: Dit gaat ons niet aan, dit is ons pakkie-an niet. Zij gingen voor hun besef pas vrijuit, nadat de schuld verzoend was.
Zoals we ter afsluiting lezen: ‘Dan zal het bloed voor hen verzoend zijn’ (vers 8). En als er dan in de volgende regel toch van het onschuldige bloed sprake is, dan ligt aan die onschuld het verzoeningsritueel ten grondslag. Uit kracht daarvan kon dat gezegd worden.

Genoegdoening of massage
Deze gedachte staat toch ook op de achtergrond van het ritueel van Grote Verzoendag? U weet wel, van die twee bokken waarvan er een, beladen met de schuld van het volk, de woestijn werd ingestuurd? Die schuld van ons, waar blijft die?, was de vraag. Israël mocht die bok naogen en zag dan zo de schuld in de verte verdwijnen. Ja, maar waar blijft die schuld dan?, was toch ook dan nog de vraag die achterbleef.
En daar gaf dat offer van die eerste bok het antwoord op. Die werd geslacht en het bloed werd ter verzoening op en voor het verzoendeksel gesprenkeld.
Zo deed de Here het kwaad weg. Beide rituelen ondersteunden elkaar, dat van de weggestuurde en dat van de geslachte bok. Het ene ritueel zei dat de zonde van het volk weggenomen was, verwijderd, en het andere dat de schuld weggedaan was, vernietigd.
Dit alles ter ontlasting van de geplaagde gewetens van de vromen in Israël die bang waren dat zonder dit ritueel hun zonden op hun eigen hoofd zouden neerkomen (zoals de tekenende uitdrukking in de bijbel zegt).
Schuld is een objectieve werkelijkheid die echt weggenomen en weggedaan moet worden, ook als wij subjectief geen schuld voelen. Als dit besef verdwijnt dan begrijpen we van Golgotha niets meer. Daar heeft de Here God de Here Jezus voor ons tot zonde gemaakt en deze zonde is door zijn sterven weggenomen en weggedaan. Dat komt vandaag haast niet meer over.
Vandaar ook wel dat zulke voorstellingen als van professor Den Heyer veld winnen. Hij leert een verzoening zonder voldoening. God vergeeft wil bij hem zegen dat God ons schuldgevoel omzet in een goed gevoel over onszelf.
De gedachte dat schuld betaald moet worden is verdwenen. ‘Zie, het Lam Gods dat de zonde der wereld wegdraagt’, dat geweldige woord waarmee Johannes de Doper de Heiland typeerde, is niet langer een bevrijdende boodschap. Zonde wegdragen?
Nee, zonde moet worden weggepraat.
In plaats van een voldoenend offer komt er een zielsmassage.

Excuus misplaatst?
Deze verpsychologisering en versubjectivering van de schuld staat op de achtergrond van zulke zinnen als ‘wel verantwoordelijk, maar niet schuldig’, waardoor ook excuus maken, of beter gezegd: vergeving vragen, als misplaatst wordt gezien. Er stak immers geen opzet achter ons falen in Bosnië? Toch is het dood door schuld geweest. Het gaat mij er niet om die schuld onnodig groot te maken. Ik weet ook wel van verzachtende omstandigheden. Zoals die altijd in rekening moeten worden gebracht.
Maar het gaat nu hierover dat in de betreffende situatie schuld als een onbruikbaar woord wordt afgewezen.
En daarmee jaag je de hele bijbel tegen je in het harnas. Daarom is wat we nu in deze dagen van de regering te horen krijgen het zoveelste bewijs van de secularisering van ons land en de verwereldlijking van ons denken hier. En opnieuw zal blijken dat dit door het buitenland niet begrepen wordt, door de betrokken moslim-vrouwen nog wel het minst.

Goedkoop?
Wat zou er dan moeten gebeuren? Er zou van Nederland uit een delegatie naar Bosnië moeten afreizen om uit naam van ons allen ons falen als schuld, mede-schuld, te belijden en daarvoor vergeving te vragen. (Denk erom: vergeving vragen en niet excuus aanbieden; wij weten van de grootste vraag in het leven nog een aanbod te maken!) Voor zevenduizend levens schuld belijden, weet u wel wat u zegt, dominee?
En toch zeg ik het. Denk erom: mede-schuld, want ik weet ook wel wie de hoofdschuldige is. Mede-schuld, vanwege de gewekte verwachtingen.
Maar kan dat wel, is dat niet goedkoop?
Schuld belijden en klaar is Kees? Nee, daar zal ook een wedergoedmaken mee gepaard moeten gaan. Financiële schadeloosstelling, en dat soort dingen.
Goed, maar dan nog? Want wat is goed maken? Kan er echt goed gemaakt worden?
Is het niet begrijpelijk en terecht dat de regering het woord schuld mijdt en afwijst? Want waar blijf je als dit woord wél gebruikt? Dan wordt het toch te zwaar allemaal om te dragen?
Dan moet je toch met Kaïn zeggen: Mijn misdaad is te groot dan dat ze vergeven kan worden? Inderdaad.
Schuld belijden kan alleen als je gelooft in het betalend offer van de Heiland.

Het christelijke van schuld belijden
Men zegt wel dat het spreken over het voldoenend offer van de Here Jezus ertoe leidt dat schuld verdoezeld wordt.
Het tegendeel is het geval. Juíst als je gelooft dat Christus voor de zonde betaald heeft kun je de moed opbrengen om je schuld te belijden. Want je weet dan dat je onder je schuld niet bezwijkt.
Dat je niet in een peilloze diepte valt.
Dat je opgevangen wordt. Dat je je menselijk falen, hoe ernstig de gevolgen daarvan ook zijn, niet hoeft te verhelen.
Schuld belijden is daarom juist een christelijk handelen omdat je weet hebt van de betaling van die schuld door Jezus. Zo kunnen door schuldbelijdenissen menselijke relaties opgeschoond worden. Ook tussen ons en de mensen daar. Ik zie het dan ook zo dat Nederland de moed mist om schuld te belijden, vanwege de bedreigende vraag hoe die schuld voldaan moet worden. Daar zit een ernst achter die te waarderen is, een juist inzicht in de loodzware betekenis van het woord schuld. Het is inderdaad alleen het evangelie van Jezus Christus dat in staat is deze hobbel te slechten. Maar helaas, dit evangelie wordt onder ons niet langer geloofd.

Spiegel
Gelooft ú het wel? Schuld belijden is ook in de kerk een zeldzaamheid. We maken duizendmaal voor de onbenulligste dingen onze excuses, maar als er werkelijk schuld in het spel is bijten we liever het puntje van onze tong dan dat we de moed opbrengen om fier te zeggen: Dat en dat deed ik fout.
Vooral als we kunnen vermoeden dat wat we fout deden grote gevolgen heeft, deinzen we terug. Schuld – het kon wel eens het moeilijkste woord zijn van heel ons vocabulaire. Ik hoop werkelijk dat u deze preek niet afdoet als een politieke preek. Daarvoor is wat hier in ons land gebeurd is teveel een zaak van ons allemaal, in en buiten de politiek. Ik heb daarom dat wat de afgelopen week landelijk gespeeld heeft aangegrepen als een spiegel waarin wij onszelf kunnen zien. Hoe moeilijk schuld belijden voor ons allemaal is. Dat maakt ons ook mild in ons oordeel over anderen. Maar mild zijn mag nooit betekenen dat we afstompen.
Geve de Here dat wat ons volk in deze tijd doormaakt tot nadenken, tot loutering en tot zuivering mag dienen!

*) Preek over Deuteronomium 19 : 1 – 13 en 21 : 1 – 9, gehouden in Amersfoort-noord op 21 april 2002

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief