Christelijke filosofie
2002-05-17
We hebben het pas kunnen lezen in een artikel van Willem Bouwman in het Nederlands Dagblad: op 26 maart begon ‘De maand van de Filosofie’, die op 27 april met een ‘afsluitende happening’ is beëindigd. Op 6 april werd ‘de socratische wisselbeker’ uitgereikt aan wie geacht werd de auteur te zijn van het beste filosofische boek in 2001. Willem Bouwman begint zijn betoog met de terechte informatie dat filosofie populair is in Nederland. Hij schrijft ook, eveneens terecht, dat de dominee en de psychotherapeut concurrentie hebben gekregen van de filosoof, die helpt bij het zoeken naar antwoorden op levensvragen.- Jaargang 46
- nummer 10
Naar mijn mening verdient de genoemde trend als ‘iets dat allerwege gaande is’, ook de volle aandacht van minstens een deel van de Opbouwlezers. Als ik bij dezen daaraan mag bijdragen, zou ik vooral willen pleiten voor een kritische houding tegenover deze al jaren lang in gang zijnde geestelijke mode.
Twee jaar geleden leverde Elseviers Weekblad ook al een artikel over wat het toen noemde ‘de tegenwoordige hausse in de filosofie’. Eind 1998 publiceerde mede naar aanleiding van die ‘hausse’ de paus een omvangrijke encycliek onder de titel ‘Fides et Ratio’, geloof en rede/weten. Het heeft mij al jaren lang een beetje verbaasd dat in de gereformeerde ‘kerkelijke’ pers voorzover die mij onder ogen kwam, aan deze geestelijke actualiteit vrijwel geheel voorbij gegaan wordt.
Enigermate heeft het Ned.Dagblad er aandacht aan geschonken in sommige artikelen van de onlangs overleden Ad Vlot.
Markt op
‘De filosofie gaat de markt op’, was de titel van het in de aanvang genoemde artikel van W.Bouwman in het ND van 5 april. Inderdaad, maar dan niet voor het eerst. Want periodiek, in soms eeuwen lange perioden, treedt de ‘filosofie’ op als een geestelijke macht die het leef- en denkklimaat in onze cultuur voor minstens een paar generaties mede bepaalt.
Haar invloed meen ik in de laatste jaren ook in toenemende mate te bespeuren in kerkelijk gereformeerde kringen, ook in de ‘rechter vleugels’ daarvan. De houding van de min of meer orthodoxe protestantse christenheid, is sinds de reformatietijd van de zestiende eeuw, hiertegenover altijd wat labiel of dubieus geweest. Om deze beide redenen, de opgeleefde actualiteit van de laatste jaren en tegelijk de laatstgenoemde van ouds labiele houding van de orthodoxe christenheid tegenover ‘filosofie’, al dan niet terecht zo genoemd, is het m.i. nodig dat een blad als Opbouw niet voorbij gaat aan deze geestelijke en actuele problematiek.
Filosofie of levensbeschouwing
Veelal duidt men filosofie aan als een ‘denken’ dat ons helpt bij het zoeken naar een antwoord op onze ´levensvragen’.
Slechts ten dele, en dan nog indirect, is dat juist. Voorzover het juist is, is het begrijpelijk dat veel christenen aan filosofie geen boodschap hebben.
Zij zeggen terecht: daarvoor hebben wij de Bijbel en vaak ook onze geestelijke leidslieden, de kerkelijke ambtsdragers en vooral onze dominees.
Daar komt dan nog bij de macht der traditie, die de negatie van de filosofie door (althans orthodox-protestantse) christenen tot iets vanzelfsprekends gemaakt had.
Van dit laatste kan ik een duidelijk voorbeeld geven. Toen ik in Kampen theologie ging studeren zei prof.
Schilder op het allereerste college filosofie, dat hij tot zijn spijt geen filosofie mocht doceren, maar alleen de geschiedenis van de filosofie. Het argument daarvoor was dat wij als gereformeerden geen filosofie nodig hadden, maar wel de geschiedenis daarvan, omdat door de eeuwen heen de filosofie meestal de theologie op een verkeerde manier beïnvloed heeft en de bron was van tal van theologische dwalingen.
Dat traditionele standpunt is tegenwoordig op zowel goede als verkeerde gronden verlaten, zij het niet overal in de gereformeerde gezindte. Ook werkt het ondergronds nog door, zodat ook tal van orthodoxe predikanten nog geen interesse hebben voor christelijke filosofie en er dan ook maar weinig van weten.
Verwarring en misverstand
In buitenchristelijke kringen heerst er onder het dominante humanisme ook veel verwarring en misverstand over wat filosofie nu eigenlijk is of moet zijn. Er zijn veel verschillende opvattingen over de aard en de taak van filosofie, terwijl ook het verschil tussen filosofie en levensbeschouwing vrijwel geen aandacht krijgt.
Merkwaardig is echter dat in haast alle omschrijvingen twee termen steevast voorkomen: de term weten of denken, en de term levensvragen. In de praktijk komt het er vaak op neer dat men bedoelt dat filosofie zich ten doel stelt een antwoord te geven, althans te helpen geven, op ‘levensvragen’. Wat die levensvragen dan precies zijn, wordt er zelden bij gezegd, maar daartoe worden wel van ouds gerekend vragen als: waaruit bestaat menselijk geluk, hoe verkrijgt men geluk, waarom bestaan wij, wat moeten de normen zijn voor de omgang met elkaar, dus in de samenleving, hoe kunnen we humaniteit en tolerantie in de maatschappij bevorderen of afdwingen en waarom dat, hoe maken we een eind aan oorlog en geweld, aan grote de ongelijkheid in welvaart en kennis in de wereld.
Onduidelijk blijft bij dat alles of dit nu echt praktische levensvragen zijn waar veel mensen mee tobben, of theoretische problemen, waarmee slechts een relatief klein getal van hoger ontwikkelden zich mee bezig houden. Dat betekent ook de vraag of filosofie een wetenschap is of een levensbeschouwing, een theorie of praktische levenskunst en politiek. Voor deze vraag zelf is ook weinig belangstelling, omdat het verschil tussen filosofie en levensbeschouwing nauwelijks nog een rol speelt in de publieke opinie.
Structuurverschil
Dit is dan goed vergelijkbaar met het verschijnsel binnen de christenheid dat men geloof ook gemakkelijk verwisselt met theologie en omgekeerd.
Speciaal er naar gevraagd, weet en erkent men best dat er verschil is, maar daarmee in de kerkelijke praktijk rekening houden is een ander verhaal.
Mijn persoonlijke mening die ik met veel niet-theologen deel, is deze, dat het treurig is, dat de ontelbare samensprekingen tussen officiële kerkelijke instanties over de kerkelijke verscheidenheid, nooit serieus en publiek ingaan op dat principiële structuurverschil tussen geloof en theologie. Het vooroorlogse gezegde dat tijdens mijn jeugd frequent te lezen was, nl. ‘geloof verenigt, theologie verdeelt’, heb ik al tientallen jaren niet meer horen gebruiken. Maar dat terzijde.
Zaak van ‘de rede’?
Vanaf het ontstaan van de filosofie in de zesde eeuw voor Christus, droeg zij de pretentie een aangelegenheid te zijn van de menselijke rede, maar dan de rede van de elite.
Daartegenover stempelde men het ‘gevoelen’ van de massa als slechts ‘mening’ (‘doxa’). In meningen zat geen vastheid, geen garantie van waarheid, wel veel mythisch geloof maar geen ‘visie’ op de ware en bovenzintuiglijke werkelijkheid.
Deze idee heeft een stempel gezet op onze westerse cultuur tot op vandaag.
‘Geloof’ en van geloof onafhankelijke rede (‘Fides et ratio’) bleven twee verschillende menselijke ‘vermogens’ met meestal de meeste waardering voor ‘de rede’. Christenen probeerden altijd beide te verenigen in theologie.
Zoals gezegd: vanaf de vroege christenheid was er een onzekere, vaak onduidelijke en meestal gemengde waardering voor die ‘rede’. De ‘christelijke rede’ was en bleef tot heden toe bij veel christenen de verbinding van ‘geloven’ en ‘denken’ of ‘weten’, met verschillende en ook wisselende accenten op één van deze beide: voorreformatorisch was dat de combinatie van met elkaar rivaliserende scholastiek en de mystiek, en later herhaalde zich dat in vooroorlogs gereformeerd theologisme plus bevindelijkheid.
De enorme denkontwikkeling van voor en tijdens de middeleeuwen verbond geloven en denken vrijwel altijd onder het interpreterende motto van ‘natuur’ (de rede, het verstand) en ‘genade’ (het geloof). Dat schema van natuur en genade overheerst nog altijd de christelijke denkhouding, ook al wordt dit woordpaar tegenwoordig liever vermeden.
In de lijn van de traditie werd de filosofie geacht een product van de zelfstandige rede te zijn, van het verstandelijk weten, terwijl het geloven een zaak zou zijn van het gemoed, het hart, het gevoel, de bevinding, en dergelijke. Vandaar ook de traditionele opvatting dat christelijke filosofie op zichzelf niet bestaan kan. Karl Barth heeft dat eens scherp en representatief geformuleerd: ‘Christelijke filosofie bestaat niet. Als zij echte filosofie is kan ze niet christelijk zijn, en als ze echt christelijk is, is het geen filosofie maar theologie’. In de praktijk zien we dan in elke tijd, ook in de onze, dat christentheologen hun geloof trachten te combineren met de eigentijdse filosofische mode, vermoedelijk mede om ‘bij de tijd’ te zijn.
Levensbeschouwelijk verschil
De achtergrond van de geschetste zelfopvatting van de filosofie als een zaak van de pure en zelfstandige rede, en van het geloof als iets anders dan rede, zou ik willen bestempelen als een levenbeschouwelijke overtuiging. Het is een (humanistische) geloofsvisie die hier de doorslaggevende rol speelt.
Filosofie is inderdaad een wetenschappelijke, een afstandelijke en theoretische benadering van vragen die ook in de levenspraktijk van ernstige mensen opkomen, vragen die het geheel van de bestaande werkelijkheid betreffen.
Het antwoord dat de wereld door God geschapen is, is bijv. zo’n levensbeschouwelijke geloofsbeantwoording van de levensvraag waar alles uiteindelijk vandaan komt.
Omdat ook de filosofie deze en verwante ‘eerste of laatste’ vragen stelt, mede noodzakelijk vanuit haar omvangrijke eigen problematiek inzake de samenhang in de verscheidenheden binnen het kader van de kosmische totalteit, zijn haar antwoorden ten diepste gebaseerd niet op de ratio, niet op theoretische bespiegelingen, maar op levensbeschouwelijke geloofsovertuigingen.
Maar dat is nu juist iets, wat zij op basis van haar geloof in de onafhankelijkheid van het ‘denken’, niet kan toestemmen. Zij wil alleen met redelijkheid de levensvragen (helpen te) beantwoorden.
De werkelijk christelijke filosofie zoals deze in ons land sinds 1926 academisch beoefend wordt, schaamt zich dan ook niet haar levensbeschouwelijke geloofsbasis te erkennen. Dat komt al snel tot uiting in haar antroplogie die uitgaat van het bijbels geïnspireerde geloof dat onze levensbron of leidend levenscentrum niet de rede is, noch het gevoel, noch onze fantasie, noch onze sociale en culturele vervlochtenheid, maar ons hart. ‘Uit het hart zijn de uitgangen des levens’, en daarom ook ‘mijn zoon geef Mij uw hart’. Dat sluit alle meer concrete menselijke ‘vermogens’ in en bestuurt ze. Dit is de geloofsbasis voor de christelijk-wijsgerige antropologie, kosmologie en wetenschapsleer.
Deze christelijke filosofie kan inderdaad de praktische levensbeschouwing van dienst zijn. Daarom is zij ook van grote betekenis voor het kerkelijk leven voorzover dat veel te maken heeft met theologie en pastorale zorg.