Vrouw en kerk

2002-05-03
  • Jaargang 46
  • nummer 9
Ik ben () blij, dat de kerken waartoe ik behoor niet zijn blijven steken in een afwijzende stellingname ten aanzien van vrouw en ambt, maar ook positief een weg hebben willen wijzen voor de vertaling van bijbelse gegevens over de ontplooiing van de gaven van de vrouw in de praktijk van het kerkelijk leven.
Trots zijn op je eigen kerk, kom daar eens om tegenwoordig. Maar de Christelijke Gereformeerde professor H.G.L. Peels komt er in het maart-nummer van Theologia Reformata rond voor uit. Het onderwerp - u begreep het al - is de besluitvorming in zijn kerken over de plaats en de taak van zusters in de gemeente van Christus. Peels: Het is een bekende zaak dat de christelijke gereformeerde synode van 1998 een uitvoerig rapport over de vrouw en het ambt heeft aanvaard, waarin het standpunt dat de kerkelijke ambten (zoals wij die nu kennen) alleen aan de man toekomen, als bijbels verantwoord werd aangemerkt. () De synode van 1998 heeft het daar echter niet bij gelaten. Een studiedeputaatschap ‘Dienst van de vrouw in de kerk’ werd ingesteld, om onderzoek te doen naar de vraag of in de kerkelijke praktijk recht wordt gedaan aan het feit dat de Heilige Geest ook de zusters der gemeente met vele gaven en diensten heeft toegerust, en zo ja, in hoeverre dit dan in de inrichting van het gemeentelijk leven concreet gestalte heeft gekregen. () Het verheugende nu was dat het studierapport van het deputaatschap 'Dienst van de vrouw' door de synode integraal en unaniem werd aangenomen. Enkele elementen uit dit rapport: - Principieel gezien, hebben in de gemeente alle leden van het lichaam de roeping tot onderlinge zorg en opbouw, ‘geestelijk’ en ‘materieel’, waarvoor zij door de Geest met gaven worden toegerust. Een bijzondere taak hebben zij, die door Christus gegeven zijn om het geheel van de gemeente te leiden en te onderrichten, en alle zaken van opzicht en tucht te behartigen. Deze taak is toevertrouwd aan daartoe geroepen broeders der gemeente, die als ambtsdragers tezamen de kerkenraad vormen. In de praktijk van het kerkelijke leven hebben de ambtsdragers weliswaar een belangrijke en verantwoordelijke, maar vergeleken met de vele diensten die man en vrouw in de gemeente verrichten, in feite een beperkte taak te vervullen. In hun pastorale en diaconale zorg voor de gemeente dienen de ambtsdragers zich voortdurend bewust te zijn - en daar ook op aan te dringen - dat alle leden van het lichaam, man of vrouw, een verantwoordelijkheid ten opzichte van de ander hebben, een taak van zorgen en dienen, ‘geestelijk’ en/of ‘materieel’.
- Aangezien we in de Schrift nergens een scherpe scheidslijn tussen gespecificeerde ambtelijke en niet-ambtelijke diensten aantreffen, is in de praktijk van ons gemeentelijk leven een dergelijke scheidslijn niet eenvoudig te trekken, afgezien van de ambtelijke volmacht in zaken van opzicht en tucht, de dienst der barmhartigheid en de dienst des Woords. Traditie, kerkelijke praktijk, plaatselijke situatie - diverse factoren dragen bij tot de ontwikkeling van bepaalde verwachtingspatronen rondom ambt en dienst. Meermalen zullen zij elkaar kunnen overlappen, en in elk geval wederzijds aanvullen.
Buiten de taken die gerekend mogen worden tot de directe, specifiek ambtelijke werkzaamheden, kunnen mannen én vrouwen in alle mogelijke functies en diensten, onder leiding en verantwoordelijkheid van de kerkenraad, de hun verleende gaven benutten ten goede van allen.
In het vervolg concretiseert Peels zijn betoog nog op velerlei wijze; er zijn tal van mogelijkheden voor zusters der gemeente om aan de slag te gaan met de hun geschonken gaven. En zo is de boodschap helder: vrouwen kunnen en mogen veel doen in de gemeente van Christus.
Het scharnier van heel dit betoog - maar tegelijk ook de zwakke stee ervan - lijkt mij de onderscheiding ‘ambtelijk’/’niet ambtelijk’ te zijn, en in het kielzog daarvan een categorie als de door Peels ten tonele gevoerde ‘ambtelijke volmacht’.
Weliswaar had het rapport uit 1998 uitgesproken dat de tot nu toe in de CGK gangbare praktijk bijbels verantwoord is (gelukkig wel; anders had je echt een probleem!), maar daarmee is nog niet gezegd dat alléén die gangbare praktijk bijbels verantwoord is, en evenmin wat nu ‘ambtelijk’ is en wat niet, en waaróm dat zo is. Dat zijn vragen die vanuit de bijbel minder gemakkelijk te beantwoorden zijn dan wij wel graag zouden willen. Wie daar nog niet van overtuigd was, leze Graaflands boek "Gedachten over het ambt".
Enerzijds is Peels zich er wel van bewust dat de bijbelse basis voor een dergelijk spreken niet geweldig sterk is, maar anderzijds komt er op deze manier juist op dat ‘ambtelijk’/’niet ambtelijk’ een enorm gewicht te rusten. En dan lijkt het erop dat, bij gebrek aan voldoende bijbelse duidelijkheid, de invulling van die begrippen geleverd wordt door de eeuwenoude Gereformeerde traditie, die daarmee als fundament geschoven wordt onder de tot nu toe geldende kerkelijke praktijk. Nu deel ik van harte de liefde voor de Gereformeerde traditie, maar dit gaat mij toch te vlot, te onkritisch ook. Komt ons spreken op dit punt werkelijk uit de bijbel? Komt het zó uit de bijbel? Hoe stevig is dit fundament eigenlijk?
Daarom kan ik weer helemaal meegaan met Peels, als hij zegt: Nu zal niemand na lezing van dit rapport het idee hebben dat alle vragen zijn beantwoord, laat staan opgelost.
() Waarschijnlijk zal de problematiek rondom vrouw en ambt, en de dienst van de vrouw in de kerk, nog wel vaker op de agenda van orthodox-gereformeerde kerken prijken...

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief