Kerklied ... of niet (1)

2002-04-19
  • Jaargang 46
  • nummer 8
Paulus raakt er niet over uitgepraat.
De oude mens die wankelt door de dood van de Heer en de nieuwe, die steeds meer gestalte gaat krijgen dankzij de Opgestane. Wat een kansen voor mens en wereld! Houdt dan ook vóór alles deze boodschap van de verrezen Heer centraal in het gemeentelijke, schrijft de apostel aan christenen in Colosse (3:16). Gebruik het in het pastoraat en laat het horen in de samenkomsten, die je hebt. En dan - bijna terloops - komt Paulus met de bekende drieslag van psalmen, hymnen en geestelijke liederen. Hij zal met die typering wel aangesloten hebben bij de gangbare praktijk in de eerste christelijke gemeenten van Klein-Azië. ‘Zing ze met een dankbaar hart ter ere van God’, voegt de apostel nog toe. En dat laatste is een woord om erbij te houden ...

Hart en Heer
Zingen met een dankbaar hart en met God voor ogen - daar gaat het de apostel bij de gemeentezang om. Toch is dit vers niet vanwege deze aansporing zo bekend geworden. De bekendheid is te danken aan die drieslag van zoeven.
Er zullen vast wel Opbouw-lezers zijn, die zich herinneren hoe deze trits in het verleden werd ingezet tegen diegenen die niet op liturgische veranderingen zaten te wachten en ‘gewoon’ de 150 psalmen en de 29 gezangen wilden blijven zingen en verder niks.
Hielp psalm 98 niet met zijn ‘zingt de Here een nieuw lied’, dan was er altijd Paulus nog met zijn psalmen, gezangen en geestelijke liederen. Dat speelde rond 1980 in onze kerken en ruim tien jaar later kwam de apostel ook wel eens voorbij in een pleidooi ten gunste van het opwekkingslied. Want die geestelijke liederen, daar ontbrak het immers nog aan na de invoering van het liedboek met zijn psalmen en gezangen. Laat ik tot troost zeggen, dat wij als nederlands gereformeerden niet de eersten waren, die dit bijzinnetje van de apostel tot op de laatste letter wisten te benutten. Door de eeuwen heen is een beroep gedaan op dit fragment uit Colossenzen 3. Niet dat met zo’n verwijzing naar een bijzinnetje van de apostel op zich zoveel mis is, maar de clou van wat Paulus wilde meegeven ligt daar toch niet.
De eer van God en het dankbare hart, daar ligt de spits, meer dan dat de apostel de gemeente de verschillende categorieën in het liedrepertoire wilde bijbrengen. Dat alles nog afgezien van de vraag wat Paulus zelf precies voor ogen heeft gehad toen hij schreef over psalmen, hymnen en geestelijke liederen. Dat zullen we nooit precies weten.

Meerstromenland!
Deze overweging kwam bij me op al lezend in een boek, dat vorig jaar november verscheen onder de eenvoudige titel ‘Het kerklied, een geschiedenis’.1) Hét kerklied, denk je dan, is dat niet wat te simpel? Want je moet toch rekenen met het feit, dat je kerkelijk vanaf 1500 met een meerstromenland te doen hebt. Dat gegeven vind je natuurlijk ook terug in de afzonderlijke hoofdstukken van dit boek, zodat je op (doorgaans) boeiende wijze kunt kennismaken met wat er in de lutherse, hervormd-gereformeerde, anglicaanse en doperse traditie kerkelijk gezongen is.2) Maar het blijft vervolgens wat apart als je vanuit die veelheid je boek - bijna stellig gereformeerd - de titel ‘Het kerklied’ durft mee te geven.
Vóór 1500 lag het een stuk minder gecompliceerd met die ene kerk en zijn strakke hiërarchie. Bovendien raakte het door de gemeente gezongen kerklied in de rooms-katholieke liturgie weldra op de achtergrond.
Aanvankelijk, in eerste gemeenten zoals Colosse, zal de samenzang tijdens de diensten zeker niet ontbroken hebben.
En ook later waren er nieuwe impulsen, zoals in de vierde eeuw van iemand als Ambrosius, de bisschop van Milaan.
Hij zette goed zingbare hymnen met een orthodoxe inhoud zelfs in tegen de ketters van die dagen (de arianen).
Maar in de tien ‘middeleeuwen’ die volgden waren het vooral het gregoriaans en later de meerstemmige composities, waar voor de gewone man geen beginnen aan was. Het lied hield zijn plaats in processies en mogelijk thuis, maar in de kerk was het luisteren geblazen voor Jan met de pet.
Dat veranderde met de reformatie.
Luther en Calvijn lieten de mensen zingen in de diensten, waarbij in de Lutherse traditie het ‘vrijere’ gezang alle ruimte kreeg en de calvinisten inzetten met de psalmen (en vervolgens lange tijd niet veel verder kwamen).
Ook de anglicanen bleven, wat de gemeentezang betreft, steken in de psalmen.
Dán de dopersen! Daar ontbrak elk gezag van bovenaf, zodat iedere gemeente zijn eigen liedbundel had.
Of zoals met enige overdrijving werd gezegd: elke mennoniet zijn eigen lied.

Objectief?
Als je dan ook nog eens met al die verschillende stromingen het traject van de 15e tot en met de 20e eeuw oploopt is de verscheidenheid aan liederen groot en wordt het m.i. moeilijk om van ‘hét kerklied’ te spreken. Is het werkelijk mogelijk om een segment in het (geestelijk) liedrepertoire af te bakenen als zodanig? Misschien dat er enkele decennia in de vorige eeuw zijn geweest (1930-1980), waarin je in die richting kon denken - zo rond de komst van de Hervormde bundel in 1938 tot iets voorbij het liedboek van 1973. Het was een periode waarin de aandacht voor de samenhang van liturgie en lied groeide. Zodat de liederen ook niet langer dogmatisch-inhoudelijk werden gesorteerd (zoals in de 18e en 19e eeuw), maar meer gedacht werd vanuit het kerkelijk jaar (zoals het Liedboek voor de kerken en ook de Evangelische Liedbundel). Die verschuivingen waren oecumenisch-internationaal en ook dat zal geprikkeld hebben om in termen van ‘het kerklied’ te gaan denken.
Maar in een tijd dat het met de oecumene van het hart beter loopt dan met de oecumene van de kerken, kom je volgens mij niet meer uit met het spreken over ‘hét kerklied’.
Daarvoor zijn de contacten tussen evangelisch en gereformeerd ook te intensief geworden.
Ik zit dan ook met grote ogen te kijken naar een zin uit het korte nawoord, geschreven door Jan Pasveer. Want daar lees ik dat het kerklied een gemeenschapslied is en dus objectief dient te zijn (p.327). Dat eerste (gemeenschapslied), daar kan ik wel wat mee, maar wat ik aan moet met een typering van een geestelijk lied als ‘objectief’ weet ik echt niet. Onderscheidingen als ‘objectief’ en ‘subjectief’ lijken me niet bruikbaar als je de wereld van het lied binnenstapt.
Want kun je nu werkelijk volhouden dat een psalm als de 42e ‘objectief’ is? Of ‘subjectief’ voor mijn part. Nee, psalm 42 vang je niet in dat soort categorieën. Het is een door en door persoonlijk lied, met een grote kans dat de gevoelens die in dat lied worden verwoord, bij menig kerkganger niet direct herkend worden als de zijne of de hare. Je moet wel een heel bijzondere draai aan het woord ‘objectief’ geven wil je daar überhaupt de psalmen en gezangen (en zeker de meest geliefde) mee kunnen typeren. Ik geloof er niet veel van en mij lijkt een objectief lied even oninteressant en saai als een tijdloze theologie.

Alles of niets
Hoe lastig het volgens mij ook is om iets zinnigs te zeggen over wat nu een kerklied is of niet, ik wil daarmee allerminst zeggen dat we het gesprek daarover moeten staken. In een soort alles of niets houding.
Het is in de katholieke kerk lange tijd ‘niets’ geweest, terwijl er in de katholieke huizen van alles werd gezongen. Bij ons in het hervormdgereformeerde was het ‘alles’ wat de psalmen betrof, maar (bijna) ‘niets’ als je lette op de gezangen. De gesprekken bij de psalmzingende kerken gingen dan ook geregeld over de vraag, waarom men zo strikt gebonden was aan het oudtestamentische lied. Met als kaal gevolg dat er over het werk van onze Heer alleen impliciet en toespelenderwijs gezongen kon worden. Er kwamen trouwens ook heel andere vragen op bij het zingen van het complete psalter, zoals de vraag of vloeken wraakpsalmen ‘na Christus’ zo onverdund door de gemeente gezongen konden worden.
Ook bij de anglicanen in Engeland zong de gemeente lange tijd alleen de complete bundel psalmen. Met soms een gezang vóór het begin of na het einde van de dienst, zoals de 17e eeuwse queen Elisabeth verordineerde. Ook deze noodoplossing is dus internationaal, zo realiseer je je dan. Want de tijden liggen niet zo ver achter ons dat bepaalde liederen wel vóór votum en groet en ná de zegen mochten, maar niet er tussenin.

Opwekking
Opvallend herkenbaar is de impuls die er van opwekkingsbewegingen uitging.
Zo schreven de gebroeders Wesley (zie liedboek gezang 135, 443) in de 18e eeuw duizenden gezangen, die in methodistische diensten uitbundig gezongen werden. De liederen hadden een grote toegankelijkheid, zowel wat de tekst als de melodie betreft. Wesley schreef ze niet zelden ‘on horseback’ en ‘in a hurry’ - op zijn vele reizen dus (p.148).
En soms was dat ook te merken.
Boeiend en eveneens herkenbaar is vervolgens de ontwikkeling, dat deze gezangen uit de evangelische wereld van die dagen geleidelijk aan een plekje veroverden in de gevestigde kerken.
Op dit punt is er dus weinig nieuws onder de zon - als je let op het spoor van de opwekkings(!)bundel, dat doorloopt tot in de Samen-op-weg kerken toe.
Toch is in de geschiedenis van onze kerken het andere patroon herkenbaarder: dat van een strenge scheiding tussen wat thuis en in de kerk mocht.
Calvijn zat helemaal op dat spoor. Hij stelde: "Er is muziek die licht en vluchtig is en muziek die krachtig en voornaam is. Muziek die in de kerk klinkt voor God en zijn engelen moet daarom aan andere, hogere, eisen voldoen dan muziek die een ander functie heeft" (p.220).3) Jan Luth voegt er aan toe dat geen van de andere reformatoren zo’n onderscheid gemaakt heeft tussen liturgische en niet-liturgische muziek.

Paulus en het hekje
Maar doorgewerkt heeft het wel.
Neem een bundel als die van Johannes de Heer. Ook weer de vrucht van een opwekkingsbeweging. Meer dan eens heb ik een begrafenis geleid waarbij ‘Ik zie een poort wijd open staan’ werd gezongen. ‘Dat zongen we thuis vroeger bij het orgel’, zei dan één van de kinderen tijdens het gesprek ter voorbereiding van de dienst. Thuis dus en niet in de kerk, maar uiteindelijk wel weer op de begrafenis. Zo kan het gaan.
Dat hekje van Calvijn zie je ook staan bij liedbundels als ‘Ook uit de mond van kinderen’ en ‘Uit aller mond’, bundels bedoeld voor de orthodoxe vleugel van de gereformeerde gezindte. Bij ‘Uit aller mond’ staat in de ondertitel ‘Een nieuwe bundel geestelijke liederen voor gezin, school, vereniging’.
Geestelijke liederen dus, die bijna overal goed voor zijn - bijna overal dus. En hoe ik aan Paulus, die onbekommerd schreef over zingen tot eer van God en met een dankbaar hart, zou moeten uitleggen dat daar een hekje is komen te staan, dat weet ik dan ook niet zo precies.

Kritisch
In onze kerken hebben we inmiddels het spoor van Calvijn (op dit punt) verlaten.
Wie de kerkdeuren opengezet heeft, weet ik niet, maar op een bepaald moment werd er ineens gezongen uit ‘Alles wordt nieuw’, ‘Elly & Rikkert’, Opwekking, Evangelische Liedbundel, E&R bundel, Taizé, Zingend geloven en Zingende Gezegend.
En misschien nog wel meer.
Het is inderdaad in de kerk toch wel vaak alles of niets. Mooi als we bij zo’n stortvloed aan liederen onze kritische zin niet geheel verliezen, denk ik dan op zo’n moment.
Zonder weer opnieuw de hekken van stal halen.
Want er zijn toch wel kinder- en opwekkingsliederen, waarvan ik denk: prima voor in het gezin, de bijbelkring of kinderclub, maar om zo’n lied ook met de hele gemeente te gaan zingen?
Bij kinderliederen denk ik dan aan EL 473 (Who’s the King of the jungle).
Zondermeer een topper voor kinderen tot een jaar of zes. Maar om de hele gemeente nu ‘oeh, oeh’ en ‘blub blub’ te laten zingen is weer een ander verhaal.
Dat geldt ook voor de coupletten, die horen bij het mooie refrein ‘Weet je dat de Vader je kent’. Die wending is meer dan eens in mijn gedachten gekomen bij de voorbereiding van een doopdienst, maar als ik dan de coupletten weer zag, dacht ik: ba, die ‘ranja’ en ‘spaghetti-mix’. Levensecht, dat wel en toch. De oplossing lag voor de hand, omdat er naast het vragende eerste refrein (weet je dat de Vader je kent?) ook nog een tweede is (Ik weet dat de Vader me kent). Prachtig om dat jong en oud te horen zingen. De ranja en spaghetti-mix komen dan thuis wel weer.
Dat geldt ook voor menig gezang in de Evangelische Liedbundel. Het lied ‘Mijn Jezus, ik houd van U’, dat steeds eindigt met de regel ‘k heb van U gehouden, maar nooit zoveel als nu’ (EL 371) - durf ik de mensen niet in de mond te leggen. Zoals ik trouwens ook niet graag gemeentelijk de woorden van Jan Wit overneem ‘O Heer, blijf toch niet vragen, Gij weet dat ik U haat’. Of ‘Gij weet dat ik U steeds verloochen, dat ik U steeds vergeet’ (Gezang 83:1,2). Woorden van Jan Wit, meer dan woorden van Petrus (Johannes 21:15-23). Niks om in de gemeente te zingen en zelfs in mijn eentje thuis krijg ik het niet over mijn lippen.
Kortom, het onderling gesprek over de vraag ‘Kerklied of niet’ houd ik er dus graag in.
De volgende keer over ‘onze cultuur en de psalmen’.

Noten
1). Jan Luth, Jan Pasveer, Jan Smelik (redactie), Het kerklied, een geschiedenis; 349 p.
(verschenen in 2001 bij Het Boekencentrum, Zoetermeer; prijs 29,50 Euro).
2). Voor wie geïnteresseerd is in het kerklied is er veel boeiends te vinden in dit mooi uitgegeven boek van drie Jannen en hun secondanten. Toch ook enkele kanttekeningen, die ik voor het gemak maar in kleine letters aan het papier toevertrouw.
1. Je moet bij de lezing verdisconteren dat het gaat om ‘een geschiedenis’. Bij de bezinning op vragen, die anno 2002 opkomen bij de gemeentezang, zal dit boek maar ten dele helpen. Het doet mij dus verlangen naar het moment waarop de scribenten zélf hun tanden eens zullen zetten in de vragen die hier en nu opkomen in de kerken, als het gaat om ‘het kerklied’. Daar komt in dit boek weinig van en dit werkstuk vraagt dus om een vervolg. Als het zover komt lijkt het me heel goed als ook musici, die geschoold zijn in de ‘lichte muziek’ stem in het kapittel zullen krijgen. Dat zal aan de deskundigheid alleen maar toevoegen.
2. Het openingshoofdstuk vond ik het minst leesbaar. Dat is natuurlijk ook een hoofdstuk in vogelvlucht geworden en dat dan ook nog eens over de eeuwen met de meeste witte plekken. Maar toch.
Ontoegankelijk zijn voor de meeste amateurs de afbeeldingen met het gregoriaans. Het had al wat geholpen als een enkel fragment in gewoon notenbeeld was gezet. Ook de uitvoerige beschrijving van de zondag uit het Romeins officie (p.22) geeft geen werkelijk inzicht, omdat het te oningevuld blijft.
Dat alles op voorwaarde dat je als gereformeerde door het jargon weet heen te komen.
Dat levert vier wensen op.
- Er had in het boek heel goed met grote en kleine letter gewerkt kunnen worden, waarbij na de hoofdlijn in grote letter een brede toelichting in het klein (met voorbeelden) had kunnen volgen.
- Een verklarende woordenlijst, waarin de liturgische termen worden uitgelegd, lijkt me in een handboek over het kerklied onmisbaar en zou bij een eventuele volgende druk zeker toegevoegd moeten worden..
- Een pijnlijk gemis is ook de (dubbel-)CD, waar de beschreven muziek ook in kort bestek te beluisteren was geweest.
Prachtig om zo te kunnen horen dat psalm 80 inderdaad heel veel weg heeft van de sequens Victimae Paschali. Maar ook een metrische psalm uit Engeland had ik best eens willen beluisteren. Of een paar Souterliedekens.
Of iets uit de doopsgezinde muziek van de 17e eeuw. Het ontbreken van dit medium vind ik echt een gemiste kans.
- Tenslotte mis ik ook elke verwijzing naar al datgene wat op internet te vinden is. Ik doe een enkele greep. Engelse psalmbundels uit de 16e t/m 20e eeuw zijn te vinden op www.cgmusic.com/workshop/index.htmniet alleen de teksten maar ook de muziek in midi-files. Die midi-files krijg je met een muziekprogramma als Noteworthy weer keurig op papier, waarbij je de teksten moeiteloos invoegt (demoversie Noteworthy: www.noteworthysoftware.com/composer/ met dank aan Ronald Plenter voor de tip).
Of bezoek home.wxs.nl/~awrog/scores.html en je treft daar pdf files aan met zettingen van psalmen (l‘Estocart, Goudimel) en gezangen (Praetorius e.a.). Zo vrij en legaal uit te printen. Voor Taize liederen moet je zijn op www.taize.fr en midi-files van opwekkingsliederen zijn te vinden op: home.hetnet.nl/ ~bert_jonker/Liedbundel/Liedbundel.htm.
En zo is er nog veel en veel meer.
3). Jan Smelik noemt in een artikel over ‘De herkomst van de geneefse psalmmelodieën’ de voorrede van Calvijn op het kerkboek La Forme des Prières uit 1543: "Daar wijst de reformator op Paulus' opdracht om te zingen, en op de ervaring dat het gezongen woord grote kracht heeft om de harten van mensen te bewegen om God te loven.
Maar, schrijft hij dan: er moet nauwkeurig toegezien worden dat de melodie niet "wildt noch lichtvaerdigh sy: Maer dat het een seckere gestadichheyt ende zedichheyt hebbe. Soo de heylighe Augustinus spreeckt: ende datter also eenen grooten onderscheyt sy tusschen de musycke diemen ter tafel ende in den huysen ghebruyckt om de menschen te vermaecken, ende tusschen de Psalmen die men in de kercke in de tegenwoordigheyt Godes ende syner Enghelen ghesongen werden" (Vertaling Marnix van St. Aldegonde)." Zie verdere gegevens: home.uni-one.nl/smelik/publicaties.htm

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief