God in de beklaagdenbank (1)

2002-05-31
  • Jaargang 46
  • nummer 11
Walter Hooper publiceerde zeven jaar na de dood van zijn vriend, de welbekende engelse apologeet C.S. Lewis, een boek met een collectie van nooit eerder gepubliceerde essays onder de titel ‘God in de beklaagdenbank’. In hoofdstuk 12 (deel II) legt Lewis uit wat hij daarmee bedoelt. In het bewustzijn van de westerse mens zit God ‘in de beklaagdenbank’. Er is een diepe afwezigheid van zondebesef.

In de 16e eeuw pijnigde iemand als Luther zich af met de vraag: hoe kan ik ooit een genadig God vinden? Hij zat in de beklaagdenbank en zag God als de rechter, maar voor de moderne mens liggen de rollen precies andersom.
Lewis schrijft: ‘De Mens is de rechter en God zit in de beklaagdenbank.
De Mens is een vriendelijke rechter, als God een redelijke verklaring kan geven voor oorlogen, armoede en ziektes. De rechtszaak kan dan zelfs eindigen met God’s vrijspraak. Maar het belangrijkste is dat de Mens op de rechterstoel zit en God in de beklaagdenbank’ (p.244).

Advocaat
Met dit punt zou ik mijn lezing over de valkuilen van de apologetiek willen beginnen. Wat C.S. Lewis beschrijft in de vijftiger jaren, is vandaag nog steeds waar en misschien nog wel meer waar dan toen: God zit in de beklaagdenbank.
Daar ligt direct al een eerste valkuil, als we namelijk beginnen met het accepteren van de posities in de rechtszaal, die de moderne mens ons aanreikt.
En argeloos de rol aanvaarden, die de moderne mens ons aanbiedt: die van rechter. Of (aan ons als gelovigen) de rol van advocaat, waarbij we al gauw beginnen de Aangeklaagde te verdedigen.
Wat is mis met het verdedigen van God?
Is het niet eervol, onontwijkbaar en nodig? Ja, juist om die redenen zijn wij zo snel geneigd om die rol van advocaat op ons te nemen. Ineens gaan we iets doen wat alleen God zelf kan doen en zijn we, voor we het weten, al ingepakt door een onjuiste manier van denken over God. De vrienden van Job zijn daar een goed voorbeeld van.

Genesis 3
Maar eigenlijk vind je de eerste waarschuwing al direct in het begin van de bijbel, als Eva in deze valkuil stapt. De slang in Genesis opent zijn gesprek heel slim: ‘God heeft zeker gezegd: Je mag van geen enkele boom in de tuin eten?’ Echt? Zei Hij dat?
Opzettelijk verdraait hij de feiten! En Eva trapt direct in zijn valkuil en begint God te verdedigen: ‘Natuurlijk mogen we er wel van eten!’ zegt ze ‘van alle bomen! Alleen van de boom in het midden van de tuin mogen we niet eten en die ook niet aanraken’. De woorden die Eva toevoegt ‘en die ook niet aanraken’ laten al iets van haar angst zien. Dat had God nooit gezegd!
God’s intenties worden door de slang in twijfel getrokken. En wat doet Eva?
Ze neemt de plaats in van advocaat van God! Maar terwijl ze Hem verdedigt gebeuren er drie dingen. Zodra ze het bizarre beeld van de slang overneemt ontstaat er een soort innerlijke afstand tot God. Alsof God klaar zit om zelfs al de uiterlijke schijn van het kwaad af te straffen (‘en het ook niet aanraken’).
Is dat al niet een echo van de stem van de duivel in haar hart?
Tenslotte zie je een vervreemding ontstaan.
Je ziet haar denken: ‘ja, het is eigenlijk vreemd dat God zo’n absolute lijn getrokken heeft, die we niet mogen overschrijden… ja, dat we zelfs zouden sterven als we het wel doen…’.
Eenmaal in die vervreemding aangeland, hoeft de slang alleen nog maar bot te ontkennen dat God zo iets zou doen en de weerstand van de vrouw is gebroken. Ze kijkt, wordt gefascineerd en eet!
Hier zien we in een notendop wat het effect is als we in de valkuil stappen en God gaan verdedigen. We voelen ons bedreigd, alsof niet Hij maar wij worden aangevallen. Onbewust nemen we het beeld over dat met de aanvallende vragen ons aangereikt werd. Zo geven we de duivel te gemakkelijk een stem in onze intieme persoonlijke relatie met God. Eerst komt angst, dan twijfel en argwaan en uiteindelijk wantrouwen en ongehoorzaamheid ons leven binnen.

Spiegelen
Wat ging er mis in Eva’s geval? Wat had ze anders had moeten doen toen de slang haar benaderde? Ik denk dat zij niet direct God had moeten verdedigen.
Ze had moeten laten voelen aan de vragensteller wat hij eigenlijk tegen haar zei. In de recente psychologie noemen ze dit: spiegelen. Laat hem zien - als in een spiegel - wat voor een beeld van God hij heeft. Ze had tegen hem moeten zeggen: moet je nagaan wat voor beeld je hebt van God..! Zo’n God zou toch een sadist zijn! Stel je voor: God, die als de grote Schepper eerst prachtige vruchtbomen met de heerlijkste vruchten eraan rond de mensen plaatst en ze vervolgens vertelt dat zij hun handen er van af moeten houden! Wat voor beeld heb je eigenlijk van God? Je zou je als gewoon sterveling al schamen om zulke spelletjes te spelen met je medemens..
Blijkbaar geldt hier: ‘zoals de waard is...’ Soms is dit al genoeg om de gedachten van de gesprekspartner te verhelderen en is verdere discussie haast niet meer nodig. Maar in andere gevallen kan het nodig zijn om met de ander nog een stap te zetten en zo de consequenties van zijn of haar eigen denken duidelijk te maken. Stel je voor dat het universum (persoonlijk of onpersoonlijk gezien) echt sadistisch zou zijn. Doet dat de werkelijkheid recht zoals jij die kent? Is zo’n gedachte leefbaar?

In de huid van de ander kruipen
Eigenlijk is de basale apologetische benadering van Francis Schaeffer, zoals die in ‘De God die leeft’ (Buyten en Schipperheyn Amsterdam 1980) beschreven wordt, een soort spiegelen.
God wordt niet verdedigd en tegelijk neemt de goede apologeet de andere persoon serieus als mens. In plaats van direct op onze verdedigings-mechanismen terug te vallen, zal dit betekenen dat we in de huid van de ander moeten kruipen om hem zijn eigen verborgen vooronderstellingen terug te geven.
Dus dit is hoe jij tegen het leven aankijkt, maar zie je niet hoe het helemaal niet past bij de werkelijkheid waarin je leeft? ‘. Schaeffer noemt dit: ‘het dak verwijderen’ (a.w.p.145 e.v.). Haal hem uit zijn valse zekerheid, want zo heeft hij geleerd om met een leugen te leven.
Dat kan hem openen om werkelijk naar de waarheid te luisteren. Deze apologetiek is niet defensief, maar offensief.
Het begint met een liefhebbende identificatie en een verwoording van de pijn over de karikatuur die van God gegeven wordt. De kracht ligt in het spiegelen en het doel is confrontatie.
En het kan alleen zuiver worden gedaan in een sfeer van gebed.

Geen advocaat maar getuige!
De waarheid over God is dat Hij zichzelf al voorzien heeft van een advocaat.
Laten we voor een moment nog blijven bij de metafoor van de rechtzaal: wij zijn niet de advocaten van de aangeklaagde in de beklaagdenbank, maar wij zitten als getuigen in de bank van de familie, van de degenen die Hem beter kennen. Er is er slechts Eén, die God verdedigd heeft op die basale aanklacht - dat Hij niet te vertrouwen is of machteloos of een sadist. Voor die allergrootste aanklacht tegen God heeft Hij al een ultieme verdediging gegeven.
Ik kan dat niet beter uitleggen dan Jurgen Spies deed op de laatste pagina van een boek genaamd ‘Geloven voor kritische denkers’ Hij eindigt het boek met een visioen over de eindtijd en daarmee zou ik dit eerste gedeelte van de lezing willen besluiten.

Visioen
Aan het einde van de tijden verzamelden zich miljoenen mensen op een enorme vlakte voor de troon van God.
Velen keken angstig rond in het heldere licht dat hen tegen straalde.
Maar er waren ook mensen die heftig met elkaar zaten te praten. De omgeving scheen geen indruk op hen te maken. ‘Wat’, zei een jonge vrouw, ‘hoe zou Hij nu het recht hebben om ons te oordelen? Moet je eens zien!’ Ze hield haar hand omhoog en toonde de littekens van marteling. ‘Wat zal Hij begrijpen van ons lijden?’Toen kwam er een zwarte jongen die de kraag van zijn overhemd opzij trok.
Hij liet aan iedereen de afschuwelijke sporen zien van de strop waaraan hij was opgehangen. ‘Ik ben gelyncht omdat ik zwart ben. Ze hebben ons in slavenschepen laten stikken. ’Overal op de vlakte hoorde je geërgerde stemmen.
Iedereen begon zijn klachten te richten op God. God had het maar goed in zijn mooie hemel en in zijn heiligheid.
Daar waren geen tranen en geen angst en geen haat. Kon God zich eigenlijk wel voorstellen wat mensen op aarde doorgemaakt hadden? Tenslotte vormden zich groepen en elke groep koos zijn eigen woordvoerder. Een groep Joden uit concentratiekampen, een groep van de onaantastbaren, de laagste kaste uit India. Er was een groep van buitenechtelijk geborenen en een groep van misvormde leprapatiënten.
Er zaten slachtoffers uit Hiroshima, een groep demente bejaarden, mensen uit werkkampen uit Siberië enzovoort.
Ze bespraken hun situatie. Het ging heftig toe. Tenslotte waren ze het eens over de formulering van de aanklacht. De zaak lag heel eenvoudig.
Voordat God recht zou mogen spreken over hen, zou Hij eerst zelf maar eens moeten verdragen wat zíj hadden moe ten verdragen. Híj zou maar eens moeten voelen wat het is om mens te zijn op aarde. Wat het is om buitenechtelijk te zijn, om te behoren tot de verachte minderheid. Híj zou maar eens door zijn beste vrienden verraden moeten worden. Een volgende zei: ‘Híj zou maar eens martelingen moeten ondergaan en wrede mishandeling.’ Weer een ander zei: ‘Laat Hem maar eens door een laffe rechter veroordeeld moeten worden en dan in het openbaar gelyncht.’ ‘Zoals ik’, zei de zwarte uit Alabama, ‘voor het oog van een grote menigte.’Terwijl de één na de ander zijn aanklacht formuleerde, begon het licht dichterbij te komen. De mensen begonnen steeds meer te fluisteren.
Toen de laatste spreker zijn veroordeling had uitgesproken viel er een diepe stilte. Het licht kwam dichterbij en in dat licht zagen ze Hem, die verschenen is als een Lam dat werd geslacht. Hij stond daar, stroopte zijn mouwen op, sloeg zijn kleed weg en toonde hun zijn wonden aan zijn handen en aan zijn zij. Toen verstomde de menigte. Hij hád dat alles doorleden_

Lezing gehouden op het congres ‘Hope 21', dat van 27 april tot en met 1 mei plaats vond in Boedapest. De oorspronkelijke titel van de bijdrage was: God in the Dock.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief