Het huwelijk met recht beëindigd

2002-06-14
  • Jaargang 46
  • nummer 12
Gij zult niet echtbreken. Dat is één van de tien grondregels van een leven tot eer van God. Daarnaast kan het gebod een zegen voor óns zijn.
Wanneer wij ernst maken met dit woord van God en het onszelf en elkaar in al zijn scherpte voorhouden en voorleven. Wanneer wij oog hebben voor de randvoorwaarden en de barmhartige uitzonderingen op deze regel die de Bijbel veronderstelt.
Wanneer wie zondigt tegen dit gebod in ons midden een mild klimaat van genade ontmoet.

Heilzame confrontatie
Jezus maakt in de bergrede duidelijk dat een leven waarin geen ernst gemaakt wordt met dit gebod doodloopt in een/de hel (Mattheüs 5:27-32). Jezus confronteert de Samaritaanse vrouw op een heilzame manier met haar doodlopende levensweg van vele mannen. Maar niet zonder uit genade haar eerst het eeuwig leven aan te bieden (Johannes 4). Jezus spaart de overspelige vrouw door haar aanklagers te confronteren met hun eigen zonde: "Wie van u zonder zonde is, werpe het eerst een steen naar haar".
Jezus wijst de vrouw terecht en is haar genadig als Hij haar vervolgens zegt: "Ook ik veroordeel u niet. Ga heen, zondig van nu af niet meer!" (Johannes 8:1-10). Keer op keer de scherpte van het gebod én barmhartigheid en genade.

Met recht een einde
Omwille van het scherp houden van wat God van ons vraagt én omwille van die barmhartigheid die Jezus ons voorleefde, kan de vraag gesteld worden: Wat zijn de uitzonderingen op de grondregel dat wij niet mogen echtbreken?
Wanneer komt er met recht een einde aan het huwelijk?
Een reactie van Jezus op die vraag staat opgetekend in Mattheüs 19. Wie zijn vrouw wegzendt om een andere reden dan hoererij en een ander trouwt pleegt echtbreuk. Hoe we het Griekse woord porneia ook precies vertalen, Jezus lijkt de uitzonderingen op de regel te beperken tot die situatie waarin een van de partners een misstap gemaakt heeft op seksueel gebied (hoererij, ontucht, overspel).

Tot de dood ...
Het zal sommigen verrassen dat juist de reformatoren kwamen tot een barmhartige uitleg van deze en andere Bijbelwoorden en meerdere gronden voor echtscheiding erkenden of toestonden.
Een belangrijke sleutel daarbij was de Bijbelse gedachte dat wij in de echt verbonden zijn 'tot de dood ons scheidt' (Paulus in Romeinen 7:2,3 en Jezus in Mattheüs 22:23-33).
Zonden die naar Bijbelse maatstaf de doodstraf verdienen betekenen daarmee automatisch de ontbinding van het huwelijk van de desbetreffende zondaar, zo redeneerden de reformatoren.
Wanneer een welverdiend doodvonnis niet voltrokken wordt, uit angst voor het vergieten van onschuldig bloed (zoals bij de Joden vaak het geval was), of omdat een land geen doodstraf kent, of zoals in de geschiedenis van de overspelige vrouw omdat er niemand zonder zonde was die de eerste steen kon werpen, of in navolging van Jezus' barmhartigheid, dan blijft de zondaar leven. Het is dan vervolgens wel de vraag of de onschuldige partner onder deze barmhartigheid tegenover de zondige partner moet lijden. Verschillende reformatoren vonden kennelijk van niet, want van hun mocht de onschuldige partner de ander voor 'dood' verklaren om vervolgens met een gerust geweten te scheiden (en eventueel te hertrouwen).
Dat breidt de uitzonderingen op het zevende gebod uit tot situaties waarin de partner zich schuldig maakt aan zaken die volgens Oudtestamentisch recht de doodstraf verdienden zoals moord met voorbedachten rade, kidnapping, bestialiteit, incest, homoseksualiteit, waarzeggerij, het lasteren van Gods naam, valse profetie, religieuze afvalligheid, Verbondsbreuk, het negeren van een gerechtelijk besluit en het slaan of vervloeken van (schoon)ouders.

Als slaaf of slavin
In het zoeken naar recht en rechtvaardigheid heeft men naast ontucht en overspel vaak ook geweld en wreedheid binnen het huwelijk en kwaadwillige verlating als grond voor echtscheiding onderkend. Kwaadwillige verlating (al dan niet om het geloof) wordt vaak als echtscheidingsgrond beschouwd op basis van 1 Corinthe 7:15 v. Met betrekking tot geweld zou gezegd kunnen worden: Als een slaaf of slavin in vrijheid gesteld wordt om een uitgeslagen tand (Exodus 21:26, 27), hoeveel te meer heeft een slachtoffer dan recht op bevrijding uit de banden van een gewelddadig huwelijk.
Niet iedere reformator zal dit laatste zo nagesproken hebben, maar de stijl van redeneren (naar analogie) was wel de wijze waarop men billijkheid en barmhartigheid betrachtte in het licht van Gods woord. Zo kan er in het licht van 1 Corinthe 7:2 v. begrip opgebracht worden voor echtscheiding vanwege langdurige weigering van seksuele gemeenschap.

Respect voor wetgever
In de kerken van de reformatie is het huwelijk geen sacrament (een zaak die strikt tot het domein van de kerk behoort). Mee daarom werd het gezag van de overheid in echtscheidingszaken binnen onze traditie ook altijd erkend.
Moet een Bijbels gezien onterechte grond voor het beëindigen van een huwelijk vanwege eerbied voor de overheid dan toch door gelovigen als rechtmatig erkend worden? Of in ieder geval toegestaan of getolereerd worden?
Dat zijn vragen waarop niet altijd hetzelfde antwoord zal klinken. Daarbij mag voor ons meewegen dat op de overheid de moeilijke taak rust als wetgever, net als Mozes, te rekenen met de hardheid van mensenharten (vgl. Mattheüs 19:8).
Jezus wijst een weg die hoger voert en huwelijken weer laat beantwoorden aan hun oorspronkelijke bedoeling.
Om harde harten weer in liefde te verenigen biedt Hij aan om die harten weer zacht te maken (vgl. Ezechiël 11: 19,20). Daarvoor gaf Hij zijn leven en vervult ons met Zijn Heilige Geest. Dat is het meest genadige alternatief voor een echtscheiding.

Eén hart
Jezus keurt daarmee niet af wat Mozes in opdracht van God heeft geboden c.q. toegestaan. Wanneer één van beide harten onbekeerlijk hard blijft, dan rest het zachte hart soms toch niet meer dan een echtscheiding. Zoveel temeer geldt dat wanneer twee harten verhard blijven. Zo klinkt ook in Mattheüs 19 naast het aangescherpte gebod een genadig woord voor een wereld van gebroken huwelijken en gezinnen.
Met de volgende vragen kunnen we onszelf en elkaar mogelijk scherp en barmhartig houden:
1. Heerst in onze kerken een klimaat van reformatorische barmhartigheid bij echtscheidingen? En wat dragen wij persoonlijk bij aan dat klimaat?
2. Durven wij onszelf en elkaar te confronteren met de ernst en scherpte van het 7e gebod? Hoe kan zo'n confrontatie heilzaam zijn?
3. Wat denkt u van de gesuggereerde uitzonderingen op het 7e gebod?
Doorstaan ze toetsing aan de Bijbel?
4. Wat maakt het uit of een huwelijk met recht beëindigd is of dat men genadig vergeven wordt?
5. Hebben wij als mensen een rol in het zacht maken van harten?
6. Hoe helpt het nadenken over het 7e gebod (zoals hierboven) u om te leven tot eer van God?

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief