De leugens zijn ontmaskerd

2002-06-27
  • Jaargang 46
  • nummer 13
Huiszoekingen, martelingen. Predikanten waren niet veilig. Geloven kon je de kop kosten. Tientallen jaren lang was dit realiteit voor Estlandse christenen. Pas tien jaar geleden kwam er een eind aan het communistische bewind en konden zij weer rustig ademhalen.

Vier Estlandse broeders en zusters vertellen ons over het verschil tussen geloven toen en nu.
Tallinn, voorjaar 2002. Wie anno 2002 een Estlandse kerkdienst bezoekt, hoeft niet stiekem de straten door te glippen.
Niet zenuwachtig uitkijken naar mannen met lange jassen en gleufhoeden.
De kerkdienst gebeurt niet stilletjes.
Op straat zijn gezang en muziek al te horen. Voor ons lijkt het logisch, maar voor Estlandse christenen was het kort geleden nog heel anders. Een belangrijke oorzaak ligt in de veelbewogen, recente geschiedenis van het land.

KGB
Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog werd Estland eerst door de Sovjetunie bezet. In dit ene jaar werden duizenden Esten afgevoerd naar Siberië. Stalin wilde namelijk alle nationalistische gevoelens de kop in drukken. Na een jaar veroverden de nazi’s het land. In 1944 veroverde het Rode Leger van Stalin het Baltische land opnieuw. Pas in 1991 zou Estland zijn onafhankelijkheid weer kunnen uitroepen.
Estlandse christenen hadden tijdens deze bezettingsperiode grote problemen met de Sovjetregering. Een drietal leden van de Olevistekerk in Tallinn vertelt over hun ervaringen in die tijd.
Tuuli Heeney noemt de Olevistekerk eigenlijk liever niet evangelisch of baptistisch.
‘We noemen het een free church, een vrije kerk.’ De Sovjetperiode staat haar nog helder voor de geest.
‘In de Russische tijd waren er altijd KGBagenten aanwezig bij diensten. We wisten ook precies wie het waren. Zij kenden alle namen, alle mensen.’ Veel bijeenkomsten, zoals bijbelstudies, waren eigenlijk verboden. Een vindingrijke pastor van de kerk vond echter oplossingen.
‘Het koor kwam bij elkaar om te oefenen. Dan waren er ook getuigenissen en zo. En de KGB-agent luisterde mee.‘ De 20-jarige studente Mari-Vivian Laht, lid van dezelfde kerk, heeft de bezettingsperiode alleen als kind meegemaakt.
Toch herinnert ze het zich nog goed. ‘Naar de kerk gaan moest heel omzichtig, want het werd niet geaccepteerd.
Ik kende ook niemand die christen was.’ Op scholen letten leraren goed op waar de leerlingen heen gingen. Als zij een kerk bezochten, moesten ze zich daarvoor verantwoorden.
‘Ik herinner me dat een meisje uit de klas geroepen werd: waarom was jij in de kerk dit weekend?’.
Oleviste-kerklid Peeter Võsu, nu direc teur van de Estonian Christian Television, werd in de Sovjetperiode zelfs beschouwd als een van de ergste dissidenten van het land. ‘Ik stond op een lijst en werd gecontroleerd door de KGB.’ De geheime politie bezat dikke dossiers over hem. Na een huiszoeking werd een karlading bijbels en andere geestelijke lectuur weggehaald. Zelfs een plaatje van een engel kon niet door de beugel…

Hopeloos
Vooral predikanten hadden een moeilijke taak.
Pastor Toomas Paul is al jaren geestelijke in de evangelisch-Lutherse St. John’s Church: 21 jaar lang als priester op het platteland, 16 jaar in de St. John’s. Paul kon zelf zijn werk blijven doen tijdens de bezetting dankzij het feit dat zijn vrouw op een boerderij werkte en de kost verdiende.
Zijn taak was desondanks zwaar. Het werk was volgens Paul vooral moeilijk doordat het zo hopeloos leek voor predikanten; dit kwam vooral door de positie van christenen in de samenleving.
Het was heel begrijpelijk dat men liever geen kerk bezocht. De communistische autoriteiten wilden alle godsdienst uitroeien. Toomas Paul legt uit: ‘Een belangrijke reden voor mensen om niet naar de kerk te gaan was dat iedereen die met de kerk te maken hadden benadeeld werden.
Het was net zoiets als leven in een getto, buiten de samenleving. Dat was vooral psychologisch gezien een enorme last. Mensen hadden een sociale positie nodig. Als je kinderen beschouwd worden als tweederangs wanneer je christen bent, is dat echt heel erg moeilijk.’ Ondanks alle tegenspoed, bleven de kerken in stand. Er waren steeds lichtpuntjes te vinden. Stalin was niet in staat Gods kerk te vernietigen. Tuuli Heeney: ‘Stalin wilde christenen tegen elkaar opzetten, om de kerk af te breken.
Maar in plaats daarvan begonnen ze van elkaar te houden!’ Ook Mari-Vivian herinnert zich zo’n lichtpuntje in die donkere tijd. Want soms had het heftige ageren van docenten tegen godsdienst een heel onbedoeld effect.
Lachend vertelt de studente: Een meisje hoorde een leraar zeggen dat God niet bestond. Zij dacht toen: God?
Wie is dat? En waarom zou hij niet bestaan?.’ Een belangrijk pluspunt voor Estland was dat het een zekere mate van vrijheid genoot binnen de Sovjetunie. Zo mocht Tallinn bezocht worden door buitenlanders. Peeter Võsu: ‘In 1984 kwam Billy Graham naar de Olevistekerk.
Eigenlijk mochten van de politie alleen kerkleden naar binnen, maar wij organiseerden het zó dat ook anderen binnen konden komen…‘

Vrijheid
Met de onafhankelijkheid kwam in 1991 ook de vrijheid van godsdienst.
Christen-zijn mòcht weer. Mari-Vivian kwam in deze periode tot geloof: ‘Toen de vrijheid kwam, renden alle mensen naar de kerk. In die periode werd ook mijn lerares acrobatiek christen.’ Deze lerares vertelde het jonge meisje over Christus. Mari-Vivian werd christen.
Veel mensen kwamen na de onafhankelijkheid tot geloof. De kerken stroomden vol. Toomas Paul: ,,Een korte tijd kwam er een groot aantal mensen naar de kerk. Het was net zoals de lente: de sneeuw smelt, rivieren ontstaan.
De mensen dachten: ‘nu is het mogelijk.’ Ze kwamen plotseling. Zo’n verandering was er ook toen Stalin stierf in de jaren vijftig.’ Nu telt de St. John’s ongeveer 10.000 leden.
‘Enkele oudere mensen, maar voornamelijk jongeren van een jaar of dertig.
Jonge mensen hebben niet het communistische onderwijs gehad en zijn niet opgegroeid met de houding die communisten hebben tegenover christenen.’

Missie
Voor christenen is er nu veel werk te doen in de Estlandse samenleving.
Toomas Paul is bijna iedere dag in de St. John’s te vinden. Soms alleen, soms met zijn collega. Het kerkgebouw is elke dag open voor iedere voorbijganger die behoefte heeft zijn of haar problemen aan iemand voor te leggen.
Paul: ‘Ik ben hier om allerlei gesprekken te voeren met mensen. Vandaag had ik een paar heel moeilijke kwesties.’ Hij moet lachen: ‘Het beste ‘probleem’ is natuurlijk wanneer mensen vragen gedoopt te mogen worden.’ Helaas zijn er ook veel andere problemen binnen de samenleving. ‘Soms in de familie, soms op economisch gebied.
Onze kerk staat in het centrum en is open voor iedereen. Dat is onze missie.’ Ook wat betreft beeldvorming over christenen is er in Estland nog veel te doen voor christenen. Mari-Vivian: ‘Mensen begrijpen ons nu nog niet.
Ze denken dat we gek zijn. Wij denken anders over geld, seks en dergelijke.
Maar er zijn ook mensen nieuwsgierig.’ Door de bezettingstijd zijn veel mensen nooit met religie in aanraking gekomen. Er zijn mensen die helemaal nooit over Jezus gehoord hebben!’ Een veranderde beeldvorming over christenen is de belangrijkste doelstelling die de Estonian Christian Television van directeur Võsu zich heeft gesteld.
Een clubje van vijf mensen maakt wekelijks een nieuwsprogramma van 15 minuten: ‘Churchlife’s chronicle’.
Peeter Võsu verwoordt kernachtig de taak die zij zich ten doel gesteld hebben.
‘Het nieuws moet de beeldvorming van mensen over christenen veranderen.
Sta eens stil bij de achtergrond van dit land. De Sovjetunie had niet alleen een politieke aard, maar had ook de pretentie de ultieme waarheid te zijn. Zij verklaarden: ‘God bestaat niet’ en ‘de kerk is voor de ouderen’.
Als je het tegenovergestelde laat zien: jonge mensen die discussiëren over een probleem in de samenleving, dan geef je de mensen een totaal ander beeld. Je kan de beelden uitzoeken: jonge, glimlachende christenen. Dan zien de mensen dat wat ze vroeger geloofden niet juist is. Dan zijn de leugens ontmaskerd.’

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief