Kracht en kwetsbaarheid van de Apologetiek (1)

2002-07-12
  • Jaargang 46
  • nummer 14
Graag sluit ik me bij Timon Ramaker aan om naar aanleiding van de lezing van Wim Rietkerk iets op te merken over apologetiek. Niet om met Wim Rietkerk in discussie te gaan, laat staan om hem tegen te spreken, maar om vanuit een eigen invalshoek iets aan het geschrevene toe te voegen.
Ik wil dit doen n.a.v. Lukas 11:14-23, een - uit apologetisch oogpunt- zowel uiterst fascinerend als leerzaam bijbelgedeelte.
Deze keer staat Lukas 11:14 centraal. De volgende keer wil ik ingaan op de resterende verzen.
Lukas 11:14-23 begint aldus: En Hij was bezig een boze geest uit te drijven en deze was stom. En het geschiedde, toen de geest uitgevaren was, dat de stomme sprak.

‘En Hij(Jezus) …’
Onze tekst vestigt de aandacht op Jezus.
Zijn doen en laten, zijn spreken en zwijgen staan centraal - hier, in dit bijbelgedeelte en verder in heel het Nieuwe Testament. Om Hem draait het, ook in ons geloof. Hij is zelfs degene naar wie wij, christenen, worden genoemd en ons laten noemen.
Dat zou een verschrikkelijke blasfemie, zelfs afgodsdienst zijn, ware het niet dat Hij de afstraling is van Gods heerlijkheid en de afdruk van Gods wezen (Hebreeën 1:3).
In het verlengde hiervan valt iets op te merken over de christelijke apologetiek en met name over de weg die zij bewandelt om mensen tot God te brengen. Dient zij medemensen op basis van ‘neutrale’, redelijke argumenten te overtuigen van het bestaan van (een) God? Is het haar taak God te helpen ontdekken in de werkelijkheid en op basis daarvan over Christus te spreken?
Het is niet illegitiem om dit steeds weer te proberen. Het sluit aan bij de natuur van de mens, die immers is geschapen om God te zoeken, of hij Hem al tastende vinden mocht (Handelingen 17: 27). Toch is hier sprake van een omweg, die heel makkelijk een dwaalweg kan worden, als we niet vanaf het begin Christus voor ogen houden.
Johannes zegt, heel eerlijk en nuchter: ‘Niemand heeft ooit God gezien’ (Johannes 1:18). Niemand(!) heeft ooit(!) God gezien. Dat leg ik in dit verband zo uit: de gevallen wereld waarin wij leven is zo meerduidig, zo dubbelzinnig dat we daaraan geen enkele zekerheid aangaande God kunnen ontlenen.
Zelfs: klimmen we vanuit deze gevallen wereld al denkende op tot God, dan staat zeker niet vast, dat we aan het einde van onze denkweg de Vader van Jezus Christus zullen ontmoeten! We doen er daarom goed aan vanaf de andere kant, bij Christus te beginnen. Immers, vervolgt Johannes, ‘de eniggeboren Zoon, die aan de boezem van de Vader is, die heeft Hem doen kennen.’ Dit betekent, dat we nooit over God kunnen spreken, zonder Jezus Christus ter sprake te brengen en dat we slechts vanuit Jezus Christus het rechte zicht krijgen op God.
En wat is het prachtige gevolg, als we in de apologetiek voortdurend Jezus Christus voor ogen houden? Dan is het - tot op zekere hoogte - als met het oplossen van tal van andere en zoveel minder ingewikkelde raadsels.
Het blijft een zoeken en een tobben, tot iemand je het antwoord geeft. En dan, vanuit het antwoord, gaat opeens een licht op over het geheel van de gestelde vraag.

‘… was bezig’
Lukas (11:14) vertelt dat Jezus iets aan het doen is. Hij is bezig een medemens in de ruimte te zetten. Jezus sprak niet alleen, Hij dééd iets. Hij was het leven en Hij bracht leven. Dit is van grote betekenis voor de wijze waarop wij apologetiek bedrijven. In de apologetiek wordt geprobeerd door middel van (redelijke) argumenten een mens van de waarheid van het christelijke geloof te overtuigen. Nu dat mag natuurlijk, het is zelfs zinvol en goed.
Maar het is een uitsluitend verbaal middel en daardoor heel beperkt. Er is een taal die krachtiger spreekt dan duizenden woorden bij elkaar en dat is de taal van de liefde. Jezus’ daden spraken boekdelen (Johannes 20:30,31).
De krachtigste christelijke apologetiek is daarom geen hoorbare, maar een zichtbare! Hoe zijn wij mens temidden van onze medemensen? Hoe zijn wij kerk in de wereld?

‘En het geschiedde’
We komen hier met iets ongelooflijks in aanraking. Jezus is bezig een boze geest uit te werpen en dan gebeurt er iets! Er vindt een zicht- en vooral hoorbare verandering in de dove plaats.
Dit was zintuiglijk waarneembaar. Het feit als zodanig wordt in dit bijbelgedeelte ook door niemand betwist.
Zeker, later zijn er wel pogingen gedaan om de realiteit van Jezus’ wonderen te betwisten (Johannes 9) en zelfs hebben mensen wel overwogen om ‘het bewijsstuk’ te vernietigen (Johannes 11:10), maar zelfs Jezus’ grootste vijanden kwamen er niet onderuit om zich bij de feiten neer te leggen (Handelingen 4:11vv).
Soms zie je in een boom of op een berg in hout of steen de woorden ‘X was here’ gekrast staan. Nu, zo zeggen Jezus’ heilsdaden ‘God was here.’ Deze heilsdaden zijn zo essentieel, dat het christelijk geloof hiermee staat of valt.
Ons geloof is geen resultaat van ‘denken’, geen resultaat van introspectie, geen resultaat van gemeenschappelijk overleg, het is vrucht van wat het oor heeft gehoord, het oog heeft gezien en de hand heeft getast. Hierin is alle overtuigingskracht van het christelijke geloof en de christelijke apologetiek gelegen.

Wel wíllen geloven…
Stel, dat ik het in mijn verlangen om te geloven alleen met mijn denken en voelen zou moeten doen. Een verlangen net als bij de schrijfster Manon Uphoff, die ooit in Trouw zei: ‘Het leven is voor sommige mensen zo kort, dat ik Zijn bestaan bijna zou willen afdwingen.
… Als Hij er niet is als kinderen sterven, dan is dit met recht een sadistisch universum. Ik vind het geloof dat er ‘Iets’ is om bepaalde onverdraaglijke gedachten op een of andere manier toch draaglijk te maken, een goede reden om te blijven geloven in een God.’ Zo zou ik het ook beleven, denk ik. Ik herinner me een drukke winkelstraat en temidden van al die mensen zag ik het gezicht van een meisje van een jaar of zeven. Het was volstrekt mismaakt, blijvend getekend door kokende olie of kokend water. Ik zag dat kansloze gezicht met daarin twee schichtige ogen en even schreeuwde alles in me om een nieuwe kans, heelheid, een plek waar tranen voor altijd van de ogen gewist worden. Dat was een reflex, een gebedsreflex, die niets met opvoeding, niets met geloof, zelfs niets met de Bijbel te maken had. Ik had ‘m gewoon. Op zulke momenten - ze komen nog steeds voor - wil ik heel graag in God geloven. En wie niet?

…maar niet kùnnen
Maar op grond waarvan zou ik mezelf vervolgens kunnen toestaan om in God en een nieuwe kans en de eeuwigheid te geloven? Eerlijk gezegd is er geen argument dat me overtuigt. Zeker, we trekken de natuur in en ik ga mee. En als we de verbijsterende variëteit, de geniale functionaliteit, de ondoorgrondelijke complexiteit en de fantastische schoonheid van alles wat is op ons laten inwerken, wil ik niet alleen, maar kan ik ook, ja, móét ik zelfs geloven.
Er moet een God zijn! Amen! Halleluja!
O ja? Maar - en nu komt dat dubbelzinnige om de hoek kijken - hoe moet ik me Hem/Haar/Hen of Het dan voorstellen?
En als ik op zo’n moment maar even verder denk, dan loop ik subiet vast. Ik kan me God op geen enkele wijze indenken. ‘God, hoe en wanneer bent U ontstaan? O, U komt nergens vandaan, U was er altijd al? U bent er gewoon. Er is nooit iets voor U geweest en er komt niets na U?’ Hier kan ik met mijn verstand niet bij. En als daar bovenop de vraag gesteld wordt hoe een goede God een wereld heeft kunnen scheppen, waarin engelen duivels en mensen beesten zijn geworden, dan heeft mijn op verstand gebaseerde geloof de neiging heel diep in zijn schulp te kruipen. Ik zou misschien wel willen, maar niet kunnen geloven. Laat staan dat het ooit zou komen tot overgave en toewijding, lofprijzing en aanbidding.
Willen we in deze wereld met een gerust hart kunnen geloven, dan moet er een signaal van buiten komen. Een zichtbaar, hoorbaar, tastbaar blijk van Gods bestaan en van zijn betrokkenheid op deze wereld. Ontbreekt dit, dan blijft geloven gissen. Dan bestaat er een grote kans dat geloven niet meer dan ‘projectie’ is. Dan is er alle reden om geloof te wantrouwen als een vlucht uit het heden, of als een middel in de handen van machthebbers om mensen onder de duim te houden.

De overtuigingskracht van het christelijke geloof
Maar wat is het geval? Over de eeuwen heen komt een uiterst goed gedocumenteerd, een volstrekt waarschijnlijk bericht over Jezus Christus tot ons. Het bericht van Iemand die stomme tongen losmaakte, blinde ogen deed zien. Iemand die zich na zijn dood aan zijn leerlingen openbaarde en sprak: ‘Breng je vinger hier en zie mijn handen en breng je hand en steek die in mijn zijde, en wees niet ongelovig, maar gelovig!’ (Johannes 20:27). Later kan Johannes niet ophouden dit zintuiglijk-waarneembare karakter van zijn ontmoeting met Jezus Christus te benadrukken: ‘Hetgeen was van den beginne, hetgeen wij gehoord hebben, hetgeen wij gezien hebben met onze ogen, hetgeen wij aanschouwd hebben en onze handen getast hebben van het Woord des levens - het leven toch is geopenbaard en wij hebben gezien en getuigen en verkondigen u het eeuwige leven, dat bij de Vader was en aan ons geopenbaard is - hetgeen wij gezien en gehoord hebben, verkondigen wij ook u, opdat u gemeenschap met ons zoudt hebben. En onze gemeenschap is met de Vader en met zijn Zoon Jezus Christus. En deze dingen schrijven wij, opdat onze blijdschap volkomen zij.’ Dit zintuiglijk-waarneembare karakter van Gods openbaring is een geweldige bemoediging voor mensen die wel willen, maar - teruggeworpen op zichzelf - niet kunnen geloven. Wat een verademing, wat een opluchting is het dat iemand ons verzekert: ‘Wij zijn geen vernuftig gevonden verdichtsels nage volgd, toen we u de kracht en de komst van onze Here Jezus Christus hebben verkondigd, maar wij zijn ooggetuigen geweest van zijn majesteit.’(2 Petrus 1:16). Een christelijke apologetiek heeft daarom uiteindelijk maar één ding te doen: mensen meenemen naar Jezus, nagezijn woorden, zijn daden, het geopende graf. Hen in contact brengen met hetgeen toen en daar heeft plaatsgevonden.
Dat plaatsen binnen de context van heel de Schrift. Kom, lees eens mee, denk eens mee, overtuig jezelf!
Dat is christelijke apologetiek.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief