Techniek tegen het Licht

2002-08-02
  • Jaargang 46
  • nummer 15
‘Half negen. De fietstocht vanuit Berkel zit er op. Vanmorgen lepelaars zien lepelen in de plas. De deur gaat weer met de bekende klik open. Het Delftse lab wordt langzaam wakker’.
Een maandag uit het leven van Ad Vlot, jong hoogleraar in de lucht- en ruimtevaarttechniek. Hij stierf ook jong in het afgelopen voorjaar, nog geen veertig jaar.
Het Nederlands Dagblad maakte een selectie uit de columns, die Vlot in de afgelopen vier jaar voor deze krant schreef en bundelde die tot een boekje met de mooie titel ‘Techniek tegen het Licht’.

Vliegtuigen van hout
Wie fietst en lepelaars ziet, ziet meer dan alleen de binnenkant van de Technische Universiteit in Delft. Zo was het ook met Ad Vlot en dat werkte door tot in het lab, waar je hem als vakman bezig ziet met zijn onderzoek naar materialen voor de vliegtuigbouw (zoals ingenieus vlechtwerk van kunststof en koolstof). Je merkt het vooral op de momenten, waarop hij je achter de schermen laat kijken - van het materiaal, van de technieken, de mensen, de samenleving, van geloof en leven.
Zo krijg je bij dat geavanceerde materiaal te horen, dat de eerste generatie vliegtuigen van hout was gemaakt en dat men op tamelijk aanvechtbare gronden overstapte op metaal. Wat daarbij onder andere meespeelde was, dat elk materiaal zijn eigen uitstraling had: metaal had de glans van vooruitgang en moderniteit, terwijl hout de sfeer opriep van traditie en ambachtelijkheid.
Dat gevoelen werkte toen onmiskenbaar door in de keuze voor metaal.
In zulke dingen zie je, dat (ook) in wetenschappelijke en technische ontwikkelingen de gang van zaken soms minder weloverwogen is dan je zou denken. Tot op vandaag toe, zo stelt Vlot, waarbij hij wijst op het onderzoek in de gen-technologie!
Keuzes, die achteraf logisch lijken, zijn dat allerminst als je let op de omstandigheden, waaronder deze beslissingen vielen. Dan zie je de belangen, die meespelen en de toevalligheden.
En als in later tijden de ontwikkelingen toch zo vanzelfsprekend en weloverwogen ogen, dan komt dat voor een belangrijk deel omdat de producten ruimschoots ingeburgerd en niet meer weg te denken zijn. En vooral omdat hun alternatieven zijn vergeten (p.156).
Zulke bespiegelingen zijn typerend voor het boekje van Ad Vlot.

Fraude
De wereld van het laboratorium is ook de wereld van docenten en studenten.
Vlot schrijft er met veel liefde en warmte over. Door alle vergadergedoe van de docenten wordt het eigenlijke onderzoek ook veelal gedaan door studenten en promovendi, zo laat hij zich ergens ontvallen. Aan zo’n zinnetje merk je al dat in zijn ogen docenten en studenten elkaars compagnons zijn.
‘Docent en student staan samen aan de oever van een onmetelijke zee van kennis. De docent op de universiteit heeft dit alles niet onder de knie. Hij is alleen wat verder in de zee gevorderd.’, zo is de invalshoek van Ad Vlot (p.95).
Juist vanuit dat gezichtspunt deden de gevallen van fraude hem ook pijn.
Want het gaat op de universiteit niet zozeer om weetjes. En als een student klakkeloos de kennis van een ander overnam - beter goed gejat van een ander dan zelf slecht bedacht - struikelde hij in de ogen van Vlot misschien nog wel meer als collega dan als leerling.
Een aardige gedachte voor wie volgende maand gaat studeren!

Informatie-kennis-wijsheid
Boeiend zijn ook de passages in het boek waar het gaat over onze informatie-
maatschappij. Vlot ziet jongeren niet alleen opgroeien in grote materiële overvloed, maar ook onder een stortvloed van informatie (p.51).
Informatie, die als losse brokken kennis op ze afkomt, internet-achtig - dus zonder werkelijke samenhang. Hij komt in dat verband met een verhelderende onderscheiding tussen informatie, kennis en wijsheid. Bij informatie draait het dan vooral om de weetjes, terwijl kennis dieper gaat en de vragen van samenhang en context raakt. Nog weer een stap verder ligt de wijsheid, die nodig is voor een verantwoorde en dienstbare omgang met kennis.
Daar, op het veld van kennis en wijsheid, zit volgens Vlot ook het manco in onze samenleving - ‘onze vorm van leven is afgevlakt, want er is geen tijd meer voor reflexie, maar alleen voor reflexen’ (p.116). Terwijl je vanuit de samenleving juist de indruk krijgt dat gebrek aan informatie het knellende punt is en dat er dus hard aan de informatiestroom moet worden gewerktdenk aan een informatiemedium als internet. Maar Ad Vlot ziet de moderne mens eerder verdrinken in de veelheid aan informatie. ‘Wat we missen is het vermogen om de informatie een andere plek te geven dan op de gigabytes van een harddisk. Wat we verbinden zijn computers’. Hoe zit dat eigenlijk met mij, denk je dan, als je zulke dingen leest!

Acht stuurlui en een roeier
Een echte vergadertijger is Ad Vlot nooit geweest, zo wordt wel duidelijk in zijn columns. Hij vindt ook dat aan de universiteiten het originele onderzoek lijdt onder dat vele vergaderen en lobbyen. De managers zijn de nieuwe hogepriesters en leermeesters van de samenleving, zo schrijft hij, en een universiteit onttrekt zich daar niet aan.
Zodat het soms lijkt alsof je te doen hebt met acht stuurlui en één roeier in plaats van andersom (p.54). Vlot pleit voor grotere wetenschappelijke vrijheid, om ‘ongedwongen te spelen en vragen te stellen’ en ziet managers als degenen, die een desastreuze invloed hebben op het zelfregulerend vermogen van organisaties als universiteiten.

Van ‘waarom’ naar ‘hoe
Alleraardigst was het verslag van een bezoek aan Pisa, het stadje van de scheve toren, maar ook van een hoogbejaarde universiteit (11e eeuw).
Galileï heeft er nog gewerkt en kreeg de katholieke kerk aan zijn broek hangen, toen hij kwam met de gedachte dat de aarde om de zon draaide. Maar veel ingrijpender - zo Vlot - was Galileï’s visie op de natuur, die hij is gaan beschrijven in termen van meetbare en berekenbare wiskunde. Galileï komt zelf in het boekje als volgt aan het woord: ‘Wie de natuur wil begrijpen moet de taal leren waarin zij geschreven is. Het is geschreven in de taal der wiskunde en zijn letters zijn driehoeken, cirkels en andere meetkundige figuren’.
Hier ziet Ad Vlot een beslissende wending richting de ‘hoe-vragen’, die in de eeuwen daarna de wetenschap bepaald hebben. De vraag waarom een steen valt was na Galileï niet langer van belang, alleen de vraag hoe dat gebeurt.
Maar zonder die eerste vraag verlies je voor je het weet de verwondering over al die verschijnselen die je waarneemt.
Bovendien geeft een aanpak vanuit de ‘hoe-vraag’ de menselijke drang om de natuur te beheersen grote kansen, zo bleek ook wel in de eeuwen die volgden. Al met al heeft deze nieuwe kijk op de natuur onze wereld ingrijpend veranderd. Vlot wijst vervolgens als christen-wetenschapper op de beperktheid van deze invalshoek van het ‘hoe’, want waar is het bredere kader - ‘de hoe-vragen van de wetenschappen kunnen de religie niet vervangen’ (p.66).

Lijden
Indringend is het slot van het boek, waarin duidelijk wordt dat Ad Vlot ongeneeslijk ziek is. Hij bleef in die laatste maanden zijn columns schrijven, nu niet meer vanuit het laboratorium, waarin hij de specialist was met het materiaal waarover hij beschikte, maar bijna omgekeerd. Vanaf het (ziekenhuis) bed, soms met het gevoel zelf object te zijn in handen van medische specialisten - ‘een mens als een vat met een kraan, waaruit steeds weer bloed wordt getapt ... De technieken van een ziekenhuis zijn een zegen, maar zoals bij alle technieken moet er wel een prijs betaald worden’ (p.164).
In deze laatste drie columns (een vierde uit die tijd is te vinden op www.nd.nl/ htm/bijlage/advlot/vlot7.htm) hoor je niet langer de fiere mens van psalm 8, maar de broze van psalm 39 (p.161).
Het maakte op mij veel indruk.
Bovendien vind je er mooie gedachten over lijden en heerlijkheid, doortrokken van een hartelijk geloof. Zoals in het volgend fragment n.a.v. de reactie van één van zijn studenten: ‘De vraag die altijd gesteld wordt is waarom het lijden nodig is. Toch zou je er ook anders tegenaan kunnen kijken. Is het goede niet net zo'n groot raadsel als het lijden?
Dat heb ik altijd wel gevonden.
In een wereld met zo veel inherente chaos geeft God zijn genadige zegeningen.
Hij laat de zon opgaan en geeft een schitterend voorjaar. Die zegeningen zijn net zo verbazingwekkend als het lijden. Die student die met lijden en onrecht worstelt, kan dat alleen doen als er een gegeven maatstaf voor recht en onrecht bestaat.
Anders zou het willekeur zijn wat recht of onrecht is. En ik zie niet in waar die vaste maatstaven anders vandaan kunnen komen dan van God.’ Of ook als het gaat over de post in die weken van ziek-zijn: ‘dagelijkse post ... het doet ook pijn, want je beseft dan pas goed dat je met duizenden draden in dit bestaan bent ingevlochten.
Dat vlechtwerk wordt langzaam losgetrokken om slechts één draad over te houden: de reddingslijn omhoog!’ (p.161).

Breed en diep
Zulke overwegingen van een broos mens zijn indringend en waard om (als eerste) gelezen te worden. Maar op andere wijze geldt dat ook van de eerdere hoofdstukken. Als het gaat over de kloof tussen de kerkelijke en wereldlijke cultuur - ‘een kerk die geen brug slaat naar de moderne leefwereld creëert een knusse, virtuele schijnwereld ... en er is al zo veel in deze wereld dat vervreemding oproept en virtueel is’ (p.27). Of over verworvenheden als de mobiele telefoon en de viagra-pil. Of over kinderen in de 21e eeuw en Ritalin-gebruik, Goede Vrijdag en MKZ, Dinosauriërs en de stilte van het klooster. Je leest over angst en verwachting rond de wisseling van een millennium en over ‘11 september’ en het leven dat doorgaat.
In al die hoofdstukken is het zo breed als de cultuur waarin we leven en het gaat haast altijd wel ergens over die wereld van techniek en wetenschap.
Maar wel steeds zo dat het midden in het leven komt te staan, in het leven onder Gods zon. Want de wereld van het lab is ergens ook onze wereld.
Techniek tegen het Licht is een bijzonder boekje geworden met heel veel punten die (mij) aanzetten tot nadenken over onze samenleving en de plek, die je daarin als christen hebt.
Een boekje om cadeau te geven aan je (klein) kinderen, die studeren. Maar ik zou het zelf ook lezen. Om de prijs hoeft niemand het te laten. Die is 9 Euro voor 175 pagina’s.

N.a.v. Ad Vlot, Techniek tegen het Licht, te bestellen bij Nederlands Dagblad met een bon (zie www.nd.nl/service/aanbied/vlot) of telefonisch (0342-411711) of ook via de boekhandel (ISBN 90 72 801 06 7).

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief