Het is toch ook uw kind, Heer!
2009-10-09
Onze oudste zoon werd in 1969 geboren. Hij wordt deze maand veertig. Wat waren we blij met hem! Op het geboortekaartje schreven we: Gekregen uit Gods hand: Peter Jacobus. We noemen hem Peter. Binnen twee weken stonden we met hem bij de doopvont en werd Peter gedoopt in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. En we hoorden al die geweldige beloften van God voor Peter: de Vader wil voor je zorgen, de Zoon wil je verlossen, de Geest wil je vernieuwen. - Jaargang 53
- nummer 20
We voedden hem op zoals we dachten dat het goed was. Cursussen en boeken over geloofsopvoeding zoals je die nu bij de vleet hebt, waren er toen niet. We lazen uit de voor die tijd meest eigentijdse kinderbijbel en baden voor hem bij het slapen gaan: Here, houd ook deze nacht over Peter getrouw de wacht. Toen hij een jaar of vier was, ging hij mee naar de kerk. Aan de preken had hij niet veel (wij ook niet trouwens), een kindernevendienst was iets van de synodalen en kinderliederen zongen we niet in de kerk. Maar hij ging niet met tegenzin. En was het in onze jeugd anders? We gingen met hem naar het kinderfeest van de EO-Familiedag, lazen ’s avonds bij het naar bed gaan uit Schatgraven en de Bijbelboekjes van Else Vlug en brachten hem in onze gebeden bij Jezus. We leerden hem ook zelf te bidden tot zijn Vader, tegen wie hij alles mocht zeggen.
Kaal en karig
Toen hij twaalf was, ging hij naar de vrijgemaakte middelbare school bij ons in de stad. Je wilt immers onderwijs voor je kind dat dicht bij de Bijbel blijft. Het onderwijs was er degelijk gereformeerd, maar een persoonlijke relatie met God straalden de meeste docenten niet uit.
Rond diezelfde tijd ging Peter naar de club van de kerk en later naar jeugdvereniging. Hij deed er actief mee. Gladjes rolde hij door de puberteit heen, was nooit tegendraads of opstandig. Toen hij twintig was, zei hij: ik wil wel belijdenis doen van mijn geloof. Het was, in vergelijking met de belijdenisdiensten van nu in onze kerk, kaal en karig. God was vooral de God van het verbond, niet de God van het persoonlijke appèl: ‘Mijn zoon, geef mij je hart’ Maar wij waren blij en dankbaar: ons kind heeft tegen God gezegd: ja, ik wil uw kind zijn en u dienen. Is er een grotere vreugde voor ouders denkbaar? Hij deed mee aan een evangelisatieproject in onze stadswijk en ging graag naar de EO-Jongerendag.
Mokerslag
Na zijn eindexamen vwo ging Peter studeren. We dachten wel even aan de Evangelische Hogeschool als tussenstap, maar ach, had hij dat wel nodig? Op zijn achttiende ging hij het huis uit, op kamers in Utrecht. We lieten hem met een gerust hart gaan. Hij leefde een christelijk leven en hij had immers ja gezegd tegen God. Hij koos voor twee studies: pedagogiek en psychologie, studeerde vlot af en ging in zijn eerste baan aan de slag. Toen kwam – als een mokerslag – het moment, dat hij zei: Ik weet niet, of God bestaat en of de Bijbel wel waar is. Hoe kun je dat nou weten? Er is zoveel dat er tegen pleit. En alle geloof van mensen – christenen, moslims, hindoes – het is allemaal psychologisch te verklaren. Is het allemaal geen inbeelding? Een rotstudie noem ik het sindsdien.
Uren lag ik er ’s nachts wakker van. Overdag lag er een steen op mijn maag. Het komt wel goed, zei mijn vrouw Anja, optimistisch als altijd. Ik probeerde zijn hart te raken door te vertellen over de liefde van Jezus. Over hoe God ook in deze tijd mensen radicaal verandert. Maar het deed hem niks. Ik probeerde zijn verstand te bevredigen door te wijzen op de vele argumenten vóór het bestaan van God, op de niet te verklaren wonderen die ook nu nog gebeuren. Maar hij zette er even zovele rationele argumenten tegenover. Ik stimuleerde hem naar de EO-programma’s te kijken, waarin mensen vertelden hoe God hun leven radicaal had veranderd. Ik wees hem op apologetische boeken als van Josh McDowel, voorloper van Tim Keller. Maar hij kon er niks mee, zei hij. Of hij zweeg erover, als hij ze gelezen had, om ons te sparen. Ik zei tegen hem: stop niet met zoeken, blijf vragen stellen, blijf naar de kerk gaan, blijf goede boeken lezen, blijf met je vrienden van de kerk in gesprek. Maar de vragen werden twijfel. En de twijfel werd een geloof-op-een-stuivertje. En het geloof-op-een-stuivertje werd ongeloof: God bestaat niet.
Mighty to save
Dat is vijftien jaar geleden. De eerste jaren hebben we geprobeerd het er van tijd tot tijd met hem over te hebben. Voorzichtig om hem niet af te stoten, om geen zeur te worden, bang om het dunne draadje tussen hem en God nog verder te rafelen. Maar er kwam geen echte opening. En geleidelijk aan hadden we het er niet meer over. Spraken we niet meer met hem over God. Maar des te meer met God over hem.
We hebben gepleit op Gods belofte. Here, u hebt toch beloofd voor hem te zorgen, hem te verlossen en hem te vernieuwen? Waarom doet u dat dan niet? Wilt u dat toch gaan doen?
We hebben gepleit op Gods liefde. Heer, u houdt toch van Peter? Hij is toch ook uw kind, niet alleen ons kind. U wilt toch graag dat alle mensen behouden worden en daar hoort Peter toch ook bij? Bij Feike ter Velde van de EO komen steeds maar mensen tot bekering. Waarom hij dan niet? Wilt u dat toch gaan doen?
We hebben gepleit op Gods Woord. U bent toch de enige die zijn hart kan veranderen? We zingen toch met Michael W. Smith: My God is mighty to save? Uw Geest is toch de enige die het geloof in hem kan laten ontbranden? Niemand komt toch tot Jezus dan doordat U hem trekt? Waarom doet u dat dan niet? Wilt u dat alstublieft gaan doen?
Niet doof
We hebben gehuild, niet geschreeuwd. God is niet doof. Hij hoort ons, als we fluisteren. We hebben onze vragen. Hoe kan het dat sommige van onze kinderen wel geloven, maar hij niet? Allemaal hetzelfde opgevoed, allemaal van Jezus gehoord, niet in een keurslijf van wetjes en regeltjes geperst, en dan toch die verschillende keus. Wanneer en hoe is dat verkeerde zaad in zijn hart gezaaid? En waar was God, toen dat gebeurde?
Ik geniet van de kerkdiensten in onze gemeente. Ik zing er meestal met heel mijn hart. Maar doop- en belijdenisdiensten vind ik moeilijk. Wij hebben daar ook vooraan gestaan. Hij heeft daar ook vooraan gestaan. Ik ben blij met de doopouders en met de ouders van de jongens en meiden die belijdenis doen. Maar soms slaat er tijdens het zingen een golf van verdriet door me heen: zij wel, wij niet; zij wel, hij niet. O God, waarom?
Oordeel
Soms, niet zo vaak, gaat het in de kerk of in een artikel over de hel. Over Gods eeuwige oordeel over wie hem niet kennen. Ik luister naar de preek, lees het verhaal en zoek naar een escape. Is de Bijbel wel zo duidelijk over het bestaan van de hel? Is eeuwig oordeel wel eeuwig? Gaan alle mensen die Jezus niet kennen als hun Verlosser, verloren? Het vliegt me naar de keel. Ik zoek naar een escape, maar vind die nooit. Als er iemand klip en klaar over verloren gaan heeft gesproken, is het Jezus zelf. Maar keer op keer duw ik alle gedachten erover weg, ver weg. Ik kan daar niet mee leven. En, troost ik mezelf, ik ga daar niet over. En: God verlaat niet wat zijn hand begon. Maar het voelt vaak als een dooddoener.
We weten van andere mensen in onze kerk met kinderen die los van God zijn. Heel veel eigenlijk. Maar we hebben het er zelden over. Een enkel woord soms. Doen we elkaar daarin te kort? Maar erover praten doet zo’n pijn. Soms bidt de dominee voor ons en die andere ouders. Heel fijngevoelig vaak in doop- of belijdenisdiensten. Soms krijgen we als gemeenteleden in het gebed zelf de tijd en de ruimte om de namen van onze kinderen in Gods hand te leggen. En altijd is die tijd te kort.
We hebben goed contact met Peter. Niet erg vaak, maar als we elkaar zien en spreken, is het goed. Goed? We zijn vriendelijk tegen elkaar, informeren hoe het gaat, thuis en in zijn bedrijf, praten over de vakantie en zijn nieuwe huis. Maar ik vermijd om naar dieper water af te steken. Durf niet te praten over de dingen die er echt toe doen. Bang om pijn te lijden. En daarom houden we het bij koetjes en kalfjes. En bidden we: Heer, onze armen zijn te kort. Houd u hem vast, raakt u zijn hart aan, langs welke wonderlijke weg dan ook.
Iedereen apart
Peter is niet de enige in ons gezin die God niet kent. Ook een van onze dochters wil niets van God weten. We hebben soms dubbel verdriet. Drie andere kinderen kennen God wel en leven, met vallen en opstaan, met Hem. Maar die drie en die twee kun je niet tegen elkaar wegstrepen of met elkaar middelen: twee min, drie plus, eindsaldo toch positief. Voor God als Vader en voor mij als vader telt iedereen apart: hoofd voor hoofd, hart voor hart. We houden van alle vijf, maar met de drie kun je onbekommerd delen wie God is en wat Hij in je leven doet, in vreugde en verdriet, met de twee kun je dat niet.
We hebben inmiddels zeven kleinkinderen. Ze zijn gelukkig nog klein. Kennen nog geen twijfel. Kunnen nog niet tegen God kiezen. Ze zingen nog onbekommerd de liedjes van Elly en Rikkert: Jezus is de goede Herder. Jezus hij is overal. Jezus is de goede Herder. Leidt mij veilig naar de stal. En wij smeken God; wilt u dat écht doen? Hen, ons veilig naar de stal leiden? En Peter erbij?
Pieter van Leeuwen (pseudoniem) is lid van de NGK en woont in een stad in het midden van het land. Hij is getrouwd met Anja, vader van vijf kinderen en opa van zeven kleinkinderen.