Randkerkelijkheid alleen aan te pakken door relaties
2009-10-09
Nederlands Gereformeerde Kerken gaan randkerkelijkheid vooral te lijf met huisbezoeken, blijkt uit een kleine rondvraag. Helaas is het resultaat daarvan vaak marginaal. Een goede structuur met kringen lijkt beter te werken. Soms zelfs preventief. - Jaargang 53
- nummer 20
Wat is een randkerkelijke? In een kleine gemeente als Almkerk-Werkendam (46 leden) ligt dat voor de hand. Als daar iemand niet meer komt opdagen, weet iedereen ervan. In grotere gemeenten ‘glipt’ er echter makkelijk iemand tussendoor.
‘Ik ken zelf niet eens iedereen’, zegt daarentegen dominee Piet Busstra van de NGK Bunschoten-Spakenburg. ‘Wij hebben tegen de 1800 leden, dat is erg massaal.’ Om toch enig zicht te krijgen op de groep randkerkelijken, streept de gemeente in Bunschoten aan het begin van elk seizoen af wie op papier naar catechisatie zou moeten komen, maar dat niet meer doet. Het geeft een beeld, maar dan alleen van de jongeren.
Zorglijst
Zo heeft elke gemeente wel ‘maniertjes’ om de groep randkerkelijken enigszins in kaart te brengen. In Doorn neemt de kerkenraad bijvoorbeeld eens in de twee jaar de ledenlijst door met de vraag: wie zien we niet meer en hoe kunnen we contact met hen krijgen?
De kerkenraad van Voorthuizen-Barneveld pakt de zaken sinds kort grondig aan, omdat de gemeente de afgelopen jaren hard is gegroeid. ‘Door de groei neigden we mensen over het hoofd te zien’, vertelt predikant Wieb Dijksterhuis. ‘We wilden nadrukkelijk in beeld krijgen over wie we praten bij randkerkelijkheid.’
De kerkenraad heeft een ‘zorglijst’ gemaakt van alle gemeenteleden die aan de rand zitten. ‘Eigenlijk zou het “zorgenlijst” moeten heten’, zegt Dijksterhuis. ‘Het zijn mensen over wie we ons zorgen maken.’
De kerkenraad houdt ook bij wat er allemaal gebeurt om randkerkelijken te bereiken. Dijksterhuis: ‘Als iemand zich van de kerk losmaakt, spreidt zich dat vaak over vele jaren uit. Zo iemand heeft dan met meer ambtsdragers te maken. Om te voorkomen dat iedere ambtsdrager weer op nul begint, houden we een soort pastoraal dossier bij. Dat zorgt voor continuïteit.’
Dijksterhuis praat over enkele tientallen leden. In Bunschoten zijn het er ook zeker tientallen, denkt Busstra. In Langerak gaat het om ongeveer een kwart van de 700 leden. Doorn spreekt over twintig tot dertig leden van de 260 en in een kleine gemeente als Almkerk-Werkendam zijn het vijf of zes gevallen.
Jongeren hebben een groot aandeel in deze groepen. In Doorn heeft men zelfs een ‘diasporawijk’ van jongeren, die voor hun studie naar een andere plaats zijn vertrokken. Het blijft echter lastig in kaart te brengen welke jongeren zich bij een andere gemeente hebben aangesloten en welke de kerk vaarwel hebben gezegd. Om met Peter van Genderen uit Houten te spreken: ‘Jongeren zitten overal en nergens.’
Verlegenheid Elke gemeente probeert door de reguliere huisbezoeken contact te houden met randkerkelijken. Maar dat valt niet mee. ‘De wijkouderlingen krijgt soms niet eens contact’, vertelt predikant Jan van Atten uit Langerak. ‘Soms houdt de betrokkene de boot af; die zit niet te wachten op een gesprek. Soms weten we amper waar mensen wonen. Sommigen zijn verhuisd naar de grote stad of naar het buitenland, maar hebben zich nooit uitgeschreven.’
‘Als het niet lukt contact te leggen, dan hanteren wij als filosofie dat we het over een jaar nog maar eens proberen’, vervolgt Van Atten. ‘Maar het blijft een lastig punt. Wij kijken elkaar in de kerkenraad ook wel eens met een zekere verlegenheid aan: hoe te handelen?’
Predikant Gijs Bronsveld uit Doorn denkt dat gesprekken ondanks de moeilijkheden wel zin hebben. ‘Door de gesprekken weten ze dat “wij van de kerk” hen niet vergeten. Velen beleven dat positief. Ze vinden het goed dat er een club mensen is, die contact met hen wil houden. Tegelijk moet ik zeggen dat het in enkele gevallen niet lukt een afspraak te maken.’
Opvallend is, dat veel mensen die nooit meer in de kerk komen en ook de boot afhouden richting ouderlingen, niet de moeite nemen zich te onttrekken aan de gemeente. Sommigen zeggen dat ze er niet zelf voor gekozen hebben lid te worden - dat deden hun ouders - en dat ze dus zelf niets hoeven te ondernemen. ‘Of misschien zit er ergens heel diep nog een verlangen of een bijgeloof’, zegt Dijksterhuis. ‘Hoop misschien?’
Speciale bijeenkomsten
Naast de huisbezoeken worden hier en daar ook andere activiteiten op poten gezet. Bronsveld probeerde in mei een speciale bijeenkomst te houden na afloop van een dienst voor jongeren van 20 tot 25 jaar, die nauwelijks meer bij de gemeente betrokken zijn. Het had een gezellig samenzijn moeten worden, waar een pastoraal werker en de wijkouderling een praatje zouden houden. De respons was echter marginaal.
Momenteel speelt de Doornse kerkenraad met het idee om een tiendelige cursus op internet op te zetten voor de randkerkelijken, die vaak niet meer in Doorn wonen. ‘We hopen zo via internet de uitwonende jongeren te bereiken’, zegt Bronsveld. ‘De cursus zou moeten gaan over geloofsvragen in deze tijd - een beetje in de sfeer van l’Abri, met verwijzingen naar Bijbelteksten, boeken, muziek en film.’
In Langerak draaien diverse soorten Alpha-cursussen, die de groep randkerkelijken op het oog hebben. Daarnaast was er een tijdje een gespreksgroep onder leiding van de jeugdouderlingen. ‘Dat liep goed. Er kwamen ook mensen op af die niet meer in de kerk komen’, vertelt Van Atten.
Eenzelfde soort gespreksgroep heeft net een eerste seizoen achter de rug in Bunschoten-Spakenburg. Eén keer in de drie weken ging Busstra in gesprek met jongeren die aan de rand zitten. ‘Dat was wel positief’, zegt hij. ‘Men kwam redelijk trouw. Het werd ook telkens bij iemand thuis gehouden, zodat ze onderling een band konden krijgen.’
Busstra heeft dit jaar ook een belijdenisgroep voor mensen die met een gelovige zijn getrouwd en wel interesse hebben en voor dertigers, die niet tussen de tieners willen zitten bij de gangbare belijdeniscatechisatie.
Verder grijpt de predikant het voorbereidende doopgesprek aan om het met randkerkelijke ouders over hun betrokkenheid te hebben. ‘Randkerkelijke ouders mogen bij ons de doopvragen niet beantwoorden.’
Preventief De initiatieven hebben wisselend succes. ‘Iedereen weet dat dit niet met een recept op te lossen is’, stelt Van Atten. ‘Achter randkerkelijkheid gaan soms diepe wonden schuil. Het is net als in Israël, waar men zegt dat een doorsnee Jood niet bestaat: een doorsnee randkerkelijke bestaat niet. Dat maakt het moeilijk een uniforme benadering te vinden. We spreken hier over maatwerk.’
Persoonlijke betrokkenheid zou in dat opzicht het beste werken. Dat blijkt in de NGK van Houten, vertelt stafwerker basiszorg Peter van Genderen. ‘Speerpunt bij ons zijn de kringen; 80 tot 85 procent van de gemeente draait daarin mee. Het is de beste manier om ook preventief met randkerkelijkheid om te gaan. Veel mensen zeggen dat ze zonder het lijntje met de kring al afgehaakt waren.’
Door nadrukkelijk vanuit de kringen te werken, is de betrokkenheid tussen de gemeenteleden groot. Als iemand naar de rand ‘schuift’, blijft dat niet onopgemerkt.
Busstra erkent dat een dergelijke benadering goed zou werken. Zeker ook in zo’n grote gemeente als Bunschoten-Spakenburg. ‘Je kunt als kerkenraad en predikant van alles aandragen, maar eigenlijk zou de gemeente het zelf moeten doen. Je kunt dit alleen aanpakken via relaties, via een soort vriendschapsevangelisatie. Maar dat besef leeft nog niet zo in de gemeente.’
Jordi Kooiman werkt vanuit Tekstbureau Vakmaten als freelance journalist voor diverse kranten, tijdschriften en websites. Hij is lid van de NGK/GKV/CGK Deventer.