‘Er zit verdriet, maar wat kun je doen?’
2009-10-09
De pijn waarmee ouders van kerkverlaters moeten leven, is Nederlands Gereformeerde Kerken zeker bekend. Maar de manier waarop ze ermee om moeten gaan, is onbekender terrein. Vooralsnog moet de zorg komen vanuit kringen en persoonlijke contacten. ‘Wat kun je verder doen?’- Jaargang 53
- nummer 20
Hoewel het in sommige gemeenten nog vers is, geven alle NGK’s bij een rondvraag aan zich bewust te zijn van het verdriet bij ouders van kerkverlaters. ‘Wij zijn ons er steeds bewuster van geworden’, zegt Wieb Dijksterhuis, predikant in Voorthuizen-Barneveld. ‘We hadden onlangs een jeugddienst, waarin mensen een naam konden opschrijven van iemand over wie ze zich zorgen maken. Het papiertje konden ze voor in de kerk in een gebedsdoos doen. Er kwamen echt verschrikkelijk veel mensen naar voren; meer dan de helft van de aanwezigen. Dat schud je niet zomaar van je af.’
‘De belangrijkste vraag die mensen aan het eind van hun leven stellen is: hoe zit het met het heil van mijn kinderen?’, voegt Gijs Bronsveld, voorganger in Doorn, toe. ‘Ook als ik met tachtigjarigen spreek, gaat het daarover. Er is geen vraag die daarboven uitsteekt.’
Maar het trekken van die constatering is een stuk makkelijker dan er een vervolg aan geven in het pastorale werk, blijkt uit de reacties. ‘Er zit verdriet, maar wat kun je doen?’, vraagt Jan van Atten uit Langerak zich af. ‘Er is een soort collectieve verlegenheid rondom kerkverlating: je ziet het gebeuren, maar het glipt tussen je vingers door en het enige dat je dan eigenlijk nog kunt doen, is bidden.’
Aandacht in preek
Sommige gemeenten hebben geen ‘beleid’ voor deze groep. ‘Je kunt wel alles tot je taak maken, maar je moet ook nuchter blijven’, zegt Busstra uit het grote Bunschoten-Spakenburg. ‘Er spelen zoveel dingen in de gemeente en je hebt maar een beperkt aantal mensen met beperkte tijd.’
Wijkkringen en goede onderlinge contacten moeten de zorgvraag in deze gemeenten invullen. En dat moet je niet onderschatten, vindt Bronsveld. ‘Het is zeker een stukje zorg.’
Toch zijn er ook gemeenten die zoeken naar meer manieren om iets te betekenen voor ouders van kerkverlaters. Wanneer iemand in Voorthuizen-Barneveld de gemeente heeft verlaten, dan probeert Dijksterhuis daar bijvoorbeeld een tekst bij uit te kiezen in de volgende kerkdienst.
Respons nul
Bronsveld hield in het voorjaar een themadienst over ouders met kinderen die van de kerk zijn afgedwaald. Daarin behandelde hij ook een beladen onderwerp als de hel. ‘De dienst ontstond mede op verzoek van een echtpaar, dat het fijn vond als er eens aandacht voor randkerkelijke jongeren zou zijn’, vertelt hij. ‘Na de dienst was het echtpaar beschikbaar om na te praten en eventueel een bidstond met andere ouders te houden. De respons was nul.’
Bronsveld houdt het erop dat het ‘blijkbaar niet de goede vorm’ was. ‘Misschien hebben ouders elders genoeg contacten, zodat ze geen behoefte hebben aan zo’n “top-down” aanbieding vanuit de kerk. We hebben bijvoorbeeld heel vitale Bijbelstudiegroepen. Daar vinden mensen ook steun bij elkaar.’
Teer onderwerp
Of misschien was het schroom om over het onderwerp te praten? Dat is in elk geval wat Dijksterhuis als obstakel ziet voor bijvoorbeeld een ‘lotgenotengroep’ (zie ook het kader). ‘In zo’n groep zouden ouders elkaar enorm tot steun kunnen zijn’, denkt hij. ‘Maar het is de vraag of ze onderling open over deze zaken zullen zijn. Het is een teer onderwerp, dus ze moeten de nodige schroom overwinnen.’
De persoonlijke aard van het onderwerp is voor dominee Jan Willem Ploeg uit Almkerk-Werkendam reden zich af te vragen of gemeenten überhaupt wel meer moeten doen naast pastorale gesprekken en kringen. ‘Als ouders erover willen praten, kan dat’, zegt hij. ‘Daar is ruimte voor en ik geloof niet dat het een taboe is om erover te praten. Maar het punt is dat je nu eenmaal niet graag praat over pijn, over een last. Zelfs als je broeders en zusters ervan op de hoogte zijn. Het is niet iets dat op straat ligt. Misschien is het meer iets om met je vrienden en intimi te delen.’
| Succesvolle praatgroep In de Gereformeerde Kerk vrijgemaakt van Rotterdam-Oost draaide twee jaar lang een gespreksgroep voor ouders van kerkverlaters. Met succes. Frank de Boer zette de groep eind 2005 op. Zijn zoon kwam al drie jaar niet meer in de kerk en hij wist dat er ouders waren met een vergelijkbaar verhaal. ‘Ik plaatste een stuk in het kerkblad met de vraag of er behoefte was om daar met ouders over te praten. Doel was om elkaar te ondersteunen en ook de aandacht te vestigen op het feit dat we in de gemeente altijd enthousiast zijn over het binnenhalen van nieuwe leden, terwijl veel jongelui via een achterdeur verdwijnen.’ Er deden zeven gezinnen mee aan de gespreksgroep. In twee jaar tijd kwamen ze vijf à zes keer bijeen. ‘Bij alle ouders leefde het gevoel dat je er alleen voor staat’, zegt De Boer. ‘Kinderen worden snel vergeten in de gemeente.’ Na twee jaar begonnen de ouders ‘in een kringetje te praten’. Ze hadden elkaars verhalen wel gehoord, dus het was tijd om te stoppen. De Boer kijkt echter positief terug op de groep. ‘Iedereen kon zijn verhaal kwijt, dat is heel belangrijk. Daarnaast zijn er nu twee jeugdouderlingen en is er een werkgroep kerk en jeugd. Er is meer openheid over en aandacht voor dit onderwerp. Ik kan het zeker aanraden.’ Meer info: info@frankwebdesign.nl. |