Waar liefde woont, gebiedt de Heer zijn zegen

2009-10-23
  • Jaargang 53
  • nummer 21
Wie zich afvraagt of de NGK Utrecht er goed aan heeft gedaan het ambt open te stellen voor homofielen, snijdt een complex probleem aan. Zonder de inhoudelijke overweging van Utrecht te kennen, wil ik, gestimuleerd door drieluik van Ad de Boer, op enkele punten mijn eigen gedachten geven.

Wij hebben een relationele God. De Bijbel gebruikt verschillende beelden om dit kenbaar te maken. Allereerst het huwelijk: man en vrouw zijn als Christus en zijn bruid. Ook de relatie ouder-kind bij de mens en moeder-jong bij het dier worden genoemd. Waar broeders samenwonen, houdt de liefdeband hen samen (psalm 133). De eerste christelijke gemeente was één in het geloof en had alles gemeenschappelijk. Kenmerkend is dat niet het ego, maar de ander voorop staat. In een relatie waarin men op de ander gericht is en zich gekend weet, wordt Christus zichtbaar. De homorelatie kan hierin een deviant op het huwelijk genoemd worden. Ik zie om mij heen dat zij sterk tot zegen is in het leven van beide partners, voor andere leden van het gezin en in de gemeente en samenleving waarin dit gezin een plaats heeft.
Wat betreft hetero- en homoseksualiteit waarschuwt de Bijbel vooral voor perversiteit, uitspatting gericht op kortstondig eigen genot (zoals bijvoorbeeld de cultuur uit Romeinen 1).

Blijde bijdrage
Van ieder gemeentelid wordt een blijde bijdrage aan het gemeenteleven verwacht: het ambt van alle gelovigen. Sommigen krijgen een speciale verantwoordelijkheid in diaconaal, pastoraal of bestuurlijk opzicht. Iemand kan vrijgesteld worden om als dienaar of predikant een gemeente te dienen. Wij allen mogen Christus’ liefde zichtbaar maken door gavengericht te dienen: door zijn Geest rust God ons bijzonder toe voor onze plaats in zijn koninkrijk.
Zonder te generaliseren, valt mij op dat homofielen in mijn omgeving sensitief zijn ingesteld; ze hebben een sterk empathisch vermogen. Het verbaast niet dat ze vooral in de zorg en het onderwijs werkzaam zijn. De liefde voor de medemens lijkt ingegraveerd. Een verklaring daarvoor is niet zomaar te geven. Maar de basis voor diaconaal en pastoraal werk lijkt gelegd.
De moeite lijkt vooral te liggen in de angst dat een homo op het gebied van heterorelaties geen leiding zou kunnen geven. Gek genoeg hebben we met vrijgezellen minder moeite. Paulus’ onderwijs over het huwelijk geeft hierin te denken. Ik ben van mening dat de homo vanuit het perspectief van zijn gaven een volwaardige bijdrage kan leven in ieder ambt. Door hem of haar buiten te sluiten creëren we een minderheidsgroepering en kunnen we een ernstige identiteitscrisis veroorzaken in het leven van individuen. Of positief geformuleerd: waar liefde woont, gebiedt de Heer zijn zegen.

Voortrekkersrol
De kerk zou in ethische kwesties een voortrekkersrol moeten vervullen. Dit deed zij in de eerste eeuw door de positie van de vrouw goed te definiëren. Zo liet zij de samenleving zien dat onderdrukking van de vrouw geen pas geeft (1 Korintiërs 7, Kolossenzen 3).
Wat betreft de plaats van de homofiel in de samenleving bevinden wij ons in Nederland in een unieke positie: tien jaar geleden werd door het paarse kabinet het homohuwelijk ingesteld, een primeur in de wereld. Helaas konden we als kerk slechts reactief reageren, we waren nog niet goed voorbereid. Alhoewel? In de NGK werd in de jaren zeventig al verkondigd dat homo’s volwaardig lid van de gemeente mogen zijn, net als ieder ander. Laten wij de bijzondere plaats die ons land in deze kwestie mondiaal inneemt, gebruiken om als kerk voorwerk te verrichten voor de wereldkerk.

Samenvattend zie ik perspectief om de ambten voor homofielen open te stellen. Helaas vragen ethische kwesties veel tijd; praktisch gezien zou het nu nog wel eens te vroeg kunnen zijn. Ik hoop wel dat de stap van Utrecht als katalysator kan fungeren. Laten we er intussen naar streven dat wij allen in liefde samen gemeente kunnen zijn.

Matthan Caan is ouderling van de NGK Rotterdam-Overschie.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief