Persschouw
2002-09-06
Beroofd van een groot goed- Jaargang 46
- nummer 17
Kerkelijke molens malen langzaam, en zij die geloven haasten niet. Een aardige illustratie daarvan vond ik onlangs in de (Vrijgemaakt) Gereformeerde Kerkbode voor Groningen, Friesland en Drenthe (3 mei). Het gaat over de vraag of langdurig zieken en mensen die de kerkdiensten niet meer kunnen bezoeken, thuis het Avondmaal mogen vieren. Nelleke Kemps-Stam dook in de geschiedenis en brengt verslag uit van haar zoektocht. Resultaat is een half vermakelijk, half beschamend verhaal over formalistisch kerkelijk geklungel ten aanzien van een kwetsbare groep in de gemeente.
Hebben zieken en ouderen recht om het avondmaal thuis te mogen vieren?
Calvijn meent van wel. Mits er meerdere gelovigen aanwezig zijn, stelt hij dat ‘aan hen die oud en/of ziek zijn, de troost en versterking van het avondmaal niet onthouden dient te worden’.
Verder schrijft hij aan Caspar Olevianus: ‘Uit de aard, het doel en het juiste gebruik van het sacrament meen ik te mogen opmaken dat zij, die aan een langdurige ziekte lijden of in levensgevaar zijn, van een zo groot goed niet beroofd mogen worden’. Toch heeft de aanbeveling van Calvijn niet tot een vast gebruik in de kerk geleid.
In 1923 legt de PS Friesland bij de Gereformeerde synode van Utrecht een rapport op tafel over dit onderwerp.
Daarin voeren zij aan dat het niet ongeoorloofd is om aan een kranke of oude van dagen, die lange tijd verstoken is geweest van het sacrament, het avondmaal eenmalig thuis te bedienen.
De voorwaarden die er gesteld worden aan deze uitzondering zijn:
* De behoefte mag niet voortkomen uit de bijgelovige opvatting en waardering van de uiterlijke tekens van het avondmaal, maar uit een ernstige behoefte om door het ontvangen avondmaal het geloof te versterken.
* Het moet een uitzondering blijven en de kerkenraad moet elk geval apart bekijken.
* Bij de viering moet de kerkenraad door tenminste twee ouderlingen vertegenwoordigd zijn. Overige aanwezigen bestaan uit huisgenoten of andere gemeenteleden die gerechtigd zijn tot het vieren van het avondmaal.
Tot een besluit komt het niet, waardoor de zaak opnieuw aangekaart wordt op de synode van Middelburg verzorin 1933. De PS Gelderland vraagt het voorstel van de kranken-communie niet aan te nemen om de volgende redenen:
* De kerkenraad beschikt niet over voldoende gegevens om een uitzonderingsgeval vast te stellen.
* Een kerkenraad kan niet voorkomen dat met name bij chronische zieken en dergelijke een eenmaal toegestane mogelijkheid min of meer regel wordt.
Hoewel men van mening is dat thuisviering niet in strijd is met Gods Woord, besluit de synode daarop ‘de besliste uitspraak te doen dat het geenszins wenselijk is tot het invoeren van de kranken-communie als kerkelijk gebruik over te gaan’.
Naast de bovengenoemde bezwaren (die niet bepaald van liefde getuigen), speelt in 1933 ook de toepassing van artikel 61 van de Kerkorde mee. Het avondmaal dient immers gevierd te worden in de openbare eredienst. Het eindrapport van de synode laat zien welke gevolgen de thuisviering zal hebben: ‘In grote gemeenten met veel zieken en ouden van dagen zou telkens om de 2 à 3 maand tientallen malen het avondmaal moeten worden bediend. Het zou een gaan zijn van de ene huisgemeente tot de andere.
De tederheid van de viering van het Heilig avondmaal komt deerlijk in het gedrang. Op verschillende plaatsen een volgen van verschillende praktijken en willekeurig handelen, niet strekkend tot eenheid en vastheid in het kerkelijk leven’.
Tot de invoering van de kerktelefoon heeft artikel 61 van de kerkorde de viering van het avondmaal buiten de kerkzaal in de weg gestaan. De synode van Berkel Rodenrijs gaf in 1996 toestemming om thuis (of in verzorin gingscentra) via de kerktelefoon het avondmaal te vieren. De praktische bezwaren uit 1933 zijn daarmee achterhaald. Toch is tot op de dag van vandaag het besluit van de synode van Utrecht niet herroepen.
Tot zover dit historisch relaas.
Opvallend in het laatste stukje is dat de synode van Middelburg het heeft over ‘de tederheid van de viering van het Heilig avondmaal’. Blijkbaar beleefde men de ‘gewone’ viering in de kerk als teder. Ik betwijfel of wij dat vandaag nog zo zouden zeggen. Als ik terugdenk aan vroeger, dan zie ik zes keer een heel lange tafel voor me, met een dubbele rij stoelen, met aan elke tafel geloof ik 96 mensen (die elkaar meestal niet of nauwelijks kenden).
Teder? Ik geloof niet dat ik op dat idee gekomen zou zijn...
M.H.T. Biewenga, Enschede