Mijn gehechtheid aan de term 'vergeestelijken'

2001-01-19
  • Jaargang 45
  • nummer 2
'Goed', zegt iemand, 'ik begrijp uw punt, maar waarom noemt u dit nu vergeestelijking? Dat is toch een besmet woord?
Dat kan tot smakeloosheid in de bijbeluitleg leiden? Daar kennen we allemaal wel voorbeelden van. Overal iets achter zoeken en niets gewoon nemen zoals het er staat.' Het is inderdaad waar dat, zoals iedere manier van bijbellezen, ook deze zijn uitwassen kent. Zo leggen de Kanttekeningen van de Statenvertaling de twee borsten van het meisje uit het Hooglied uit als verwijzingen naar het Oude en Nieuwe Testament. Daar kun je alleen maar om glimlachen, dat neemt geen mens serieus. Maar laad ik, door het op te nemen voor vergeestelijkende bijbeluitleg, de verdenking niet op me dat ik voor dergelijke onzin nog een goed woord over zou hebben? Nee, want dit zijn vergroeiingen van iets dat op zichzelf heel goed en mooi is. Ik ben aan dat woord vergeestelijking gehecht vanwege de Heilige Geest en ik meen dat de bijbel zelf mij daarin steunt.

We lezen in de eerste brief van Petrus: 'En komt tot Hem, de levende steen, door de mensen wel verworpen, maar bij God uitverkoren en kostbaar, en laat u ook zelf als levende stenen gebruiken voor de bouw van een geestelijk huis, om een heilige priesterschap te vormen, tot het brengen van geestelijke offers, die Gode welgevallig zijn door Jezus Christus' (I Petr. 2 : 4 5). Twee keer het woord geestelijk: geestelijk huis en geestelijke offers. En trouwens, de hele passage, dus ook waar het gaat over die levende stenen en die heilige priesterschap, is een omzetting van heel Israëls eredienst in het geestelijke.
En dat is, geloof ik, het werk van de Heilige Geest. Die neemt ons in de bijbel mee van het een naar het ander om ons zo te brengen bij Gods eigenlijke bedoeling. Die gang moeten wij van onze kant ook mee willen maken.
Daarom spreekt de apostel Paulus van 'uw redelijke eredienst' (Rom. 12 : 1) en hij bedoelt daarmee hetzelfde als Petrus met zijn geestelijke eredienst, maar dan met een toespitsing op wat wij mensen hier mee aan moeten. Dat wij namelijk ons redelijke verstand ('met goddelijk licht bestraald'!) moeten gebruiken als we ons bezig houden met al die voorschriften van de oud-testamentische eredienst. Zoals het Oude Testament zelf daar al een begin mee maakt als het in Psalm 50 : 13 de Allerhoogste laat zeggen: 'Eet Ik soms stierenvlees of drink Ik bokkenbloed?' Je kunt immers in alle redelijkheid beweren dat de bijbel op tijd is opgehouden met van mensen dierenoffers te vragen. Dat sloot aan bij een ontwikkeling in de godsdienst die je niet alleen bij Israël maar ook bij de Grieken en andere heidenen aantreft. Zeker had de offerdienst aan het heiligdom in het offer van Golgota zijn vervulling gevonden (zoals de brief aan de Hebreeën ons leert), maar de volwassenwording van de mensheid speelde in die afschaffing ook een rol.
Men was toe aan een meer overdrachtelijke manier van Godsverering. Behalve in de geschiedenis trouwens kun je hetzelfde ook waarnemen in het leven van de enkele mens: 'Het geestelijke komt niet eerst, maar het natuurlijke, en daarna het geestelijke', schrijft de apostel (I Cor. 15 : 46). Het gaat bij de mens van lichamelijk naar geestelijk en niet omgekeerd. In je jeugd ben je een lichaam, je identificeert je er bijna volledig mee, maar als oudere heb je een lichaam en is daar de afstand die je er vanuit je geest van neemt. Zo ligt een proces van vergeestelijking in het geheel van schepping en geschiedenis verankerd.

Onmogelijk vaarwater
In overeenstemming hiermee wil ik nu ook pleiten voor een geestelijkredelijk lezen van de profetieën. Niet om ons af te stemmen op wat rationeel-menselijk mogelijk is, maar met begrip en feeling voor Gods stijl van handelen, zoals we die uit de lange geschiedenis die de bijbel beslaat op kunnen maken. Ik kom strakjes met een voorbeeld daarvan uit de Schrift zelf, maar eerst wil ik laten zien in wat voor een onmogelijk vaarwater wij terechtkomen als wij ons aan de verletterlijking van de bijbelse profetie overgeven. Ik kies mijn voorbeeld daarvoor expres uit het laatste gedeelte van het boek Zacharia, dat zoals ieder weet bij degenen die de toekomst van Israël in de bijbel letterlijk voorspeld vinden, zeer in trek is. Een tekst die daarbij vaak aangehaald wordt is Zacharia 12 : 6: '...en Jeruzalem zal blijven voortbestaan op zijn eigen plaats, te Jeruzalem'. 'Kijk eens aan', zegt men, 'wat hebben we nog getuigenis van node?
Hier staat toch in alle duidelijkheid dat wij letterlijk moeten lezen? A = A en B = B en Jeruzalem = Jeruzalem, dus wat nou vergeestelijken?' Maar het argument is minder sterk dan het lijkt. Want laten we met deze uitlegkundige sleutel nu eens naar de profetie van bijvoorbeeld Zacharia 10:10 ev gaan, waar de terugkomst uit ballingschap en verstrooiing en de herintrede in het land Kanaän worden voorzegd: 'Ik zal hen brengen naar het land Gilead en de Libanon; doch dit zal voor hen niet toereikend zijn. Dan zal men in benauwdheid (in krapte, zal bedoeld zijn, dus levensruimte zoekend) door de zee trekken, en in de zee de golven slaan (roeiend, dus); en alle diepten van de Nijl zullen uitdrogen (Is een drooglegging bedoeld, om in de uiterwaarden van het vruchtbare Nijldal woonruimte te winnen of zou het om een pad door de golven gaan?). Zo zal de trots van Assur neerstorten en de scepter van Egypte zal verdwijnen. Ik zal hen sterken in de HERE en in zijn naam zullen zij wandelen, luidt het woord des HEREN'. Tot zover deze profetie.

Vreedzame expansie als beeld van de verspreiding der kerk
Wat moeten we hiermee aan? Bij de verwachting van een letterlijke vervulling van deze profetie in onze dagen rijzen de problemen de pan uit. Niet alleen is er dan voor de Palestijnen die op de oude bodem van Kanaän wonen reden tot ongerustheid, maar ook kan aan deze voorzegging een claim ontleend worden op landen als Libanon en zelfs Egypte. Dat is toch absurd? Dat speelt toch krachten in de kaart die uit alle macht bedwongen moeten worden? Het letterlijk lezen leidt tot een verpolitiekt lezen van de bijbel en Gods Woord wordt zo tot een lucifer bij een kruitvat. Is het daarom niet beter deze voorzegging vanuit het vers dat voorafgaat te lezen? Daar staat, in vers 9: 'Wel zaai Ik hen onder de volken, maar in verre streken zullen zij aan Mij denken.
Zij zullen het leven geven aan kinderen (ik kies hier met de Septuaginta voor een iets andere lezing die trouwens ook beter met het Hebreeuws van de directe tekstomgeving overeenkomt) en terugkeren'. Wat moet die kinderzegen hier? Het spreekt toch vanzelf dat de ballingen niet wilden uitsterven en dus aan gezinsvorming deden? Wel, dit is hetzelfde als waar het Troostboek van Jesaja het over heeft. We lezen daar in hfst 44:3 ev: '...Ik zal water gieten op het droge en beken op het dorstige; Ik zal mijn Geest uitgieten op uw nakroost en mijn zegen op uw nakomelingen. Zij zullen uitspruiten tussen het gras, als populieren langs de beken. De een zal zeggen: Ik ben des HEREN, een ander zal zich noemen met de naam Jakob, en een derde zal op zijn hand schrijven: van de HERE, en de naam Israël aannemen'. Het gaat hier om de vermeerdering van het volk door de toestroom van proselieten. Israël heeft in de ballingschap en in de verstrooiing bekeerlingen gemaakt. Veel? In profetisch perspectief, ja! Daarop slaat nu dat in het leven roepen van kinderen waar Zacharia het over heeft. Dan zitten we meteen al op het spoor van het vergeestelijken, in dit geval het vergeestelijken van het kinderen krijgen. Israël werd daardoor van natie tot kerk. Deze lijn moeten we vasthouden. Want dit samenstel van Joden en niet- Joden betreedt nu als voorloper van een geestelijk Godsvolk, zo is de profetische voorstelling, in groten getale de oude beloftegrond, die dan tot aan de uiterste grenzen (Gilead, Libanon) bewoond raakt, maar ook zo nog te klein zal zijn om allen te huisvesten.
Vandaar de expansie over zee, naar Egypte - het land van de verdrukker van voorheen. Geen bezit of verovering in politieke zin is bedoeld, alleen maar wat we bij Jesaja lezen: 'De plaats is mij te eng, maak mij ruimte dat ik wonen kan' (Jes. 49 : 20). Er is in de geschiedenis, in de tijd na de ballingschap, inderdaad wel zoiets gebeurd: een vreedzame verspreiding van Joden en Jodengenoten, in Egypte en rond het Middellandse Zeebekken (denk maar aan de opsomming van Handelingen 2), maar hier is dat genomen als een beeld van wat later op groter schaal gebeuren zou in de verspreiding van de kerk, samengesteld uit gelovige Joden en niet-Joden, over de lengte en breedte van de toenmalige en huidige wereld. Zo werd en wordt de trots van Israëls aartsvijanden, genoemd met de oude namen van Egypte en Assur, beschaamd. Deze poorten der hel hebben Gods gemeente niet kunnen overweldigen.
In beelden die Zacharia en zijn tijdgenoten aanspraken wordt deze werkelijkheid hier voor ons neergezet.

Aan het vroegere wordt niet meer gedacht
Oude beelden voor nieuwe zaken, beelden uit het heden en het verleden voor dingen van de toekomst, daarmee hebben wij iets bruikbaars in handen voor een gezonde uitleg van de profetie. Wanneer Jesaja over de grote toekomst spreekt komt hem het volgende over de lippen: 'Want zie, Ik schep een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, aan wat vroeger was zal niet gedacht worden, het zal niemand in de zin komen...' (Jes. 65 : 17). Toch lees je dan even later: 'Zij zullen huizen bouwen en die bewonen, wijngaarden planten en de vrucht daarvan eten; zij zullen niet bouwen, opdat een ander er wone; zij zullen niet planten, opdat een ander het ete...' (vers 21). Dus toch aan vroeger gedacht? Huizen, wijngaarden, zoals eertijds? Ja, maar dan slechts als beeld van iets dat bekend was voor iets onbekends. Tussen beide teksten in staat dit woord: 'Daar zal niet langer een zuigeling zijn, die slechts weinige dagen leeft, noch een grijsaard die zijn dagen niet voleindigt, want de jongeling zal als honderdjarige sterven, zelfs de zondaar zal eerst als honderdjarige door de vloek getroffen worden' (vers 20). Hoe nu? Wordt er straks nog gestorven? Wordt er straks nog gezondigd? Zullen er straks nog door de vloek getroffenen zijn? Nee, maar de profeet zegt als het ware dit: Stel je het mooiste voor van wat hier op aarde bereikbaar is.
Dat bloemen niet langer in de knop gebroken worden en dat zelfs oude bloemen nog de tijd krijgen om uit te bloeien. Dan heb je een goede verwijzing te pakken naar dat wat straks iedere voorstelling te boven gaat.
Niet de wijngaarden keren terug, maar aan het frustrerende van die slechts voor anderen te verbouwen zal een onvoorstelbaar einde worden gemaakt. Als de profeten met hun woorden de toekomst inzaaien, dan 'zaaien zij niet het toekomstige lichaam, maar slechts een korrel... En God geeft daar een lichaam (een geestelijk lichaam) aan gelijk Hij dat gewild heeft' - laat ik het zo met woorden aan de apostel ontleend duidelijk maken (I Cor. 15 : 37/38 en 44). Bij de bekende uitdrukking 'wederopstanding des vleses' uit ons Credo ligt het niet anders. De term zegt niet dat wat straks opstaat, vlees is, maar dat wat nu vlees is, opstaat. In een heerlijkheid die geen oog heeft gezien.

Amos 9 : 11-12 en Handelingen 15 : 14-18
Maar ik zou nog met een bijbels voorbeeld komen van wat nu vergeestelijkende uitleg van de profetie is. Ik was met dat geestelijke uitleggen al bezig, eigenlijk door alle voorgaande artikelen heen, maar ik zou me kunnen voorstellen dat iemand zegt: Goed, ik vind behartigenswaardig wat u zo uitlegkundig te berde brengt, maar doet de bijbel zelf het nu ook zo? Welnu, met een voorbeeld daarvan kom ik nu. Het gaat om een profetie uit Amos die in het Nieuwe Testament wordt aangehaald. De man uit Tekoa profeteerde in de achtste eeuw voor Christus het volgende: 'Te dien dage zal Ik de vervallen hut van David weder oprichten, Ik zal haar scheuren dichten en wat daarvan is ingestort, overeind zetten; Ik zal haar herbouwen als in de dagen van ouds, opdat zij beërven de rest van Edom en van al de volken over welke mijn naam is uitgeroepen, luidt het woord van de HERE die dit doet' (Am. 9 : 11 - 12).
Een prachtig visioen! Maar 'herstel als in de dagen van ouds', is dat nu zoiets als wat Gijsbrecht Karel van Hoogendorp aan het Nederlandse volk schreef nadat het Frankrijk van Napoleon verslagen was: 'De oude tijden keren weerom'? Is, met andere woorden, deze profetie bedreigend voor het huidige Edom dwz het zuiden van Jordanië? Of wordt hier de glorietijd van David als beeld genomen om iets onder woorden te brengen waarvan men zich geen precieze voorstelling kon maken maar waarvan men wist dat het buitengewoon mooi zou zijn? Zoals het Davidische verleden mooi was? Ik denk, het laatste. Dat merk je aan de manier waarop Jezus' broer Jakobus dit woord van de profeet een plaats heeft gegeven in het gesprek over de plaats van de nietJoden in de kerk. Hij zei: 'God is er van meet aan op bedacht geweest een volk voor zijn naam uit de heidenen te vergaderen.
En hiermee stemmen overeen de woorden der profeten, gelijk geschreven staat: Daarna zal Ik wederkeren en de vervallen hut van David weder opbouwen, en wat daarvan is ingestort, zal Ik weder opbouwen, en Ik zal haar weder oprichten, opdat het overige deel der mensen de Here zoeke, en alle heidenen, over welke mijn naam is uitgeroepen, spreekt de Here die deze dingen doet, welke van eeuwigheid bekend zijn' (Hand. 15 : 14 - 18). Ik zal niet alle veranderingen behandelen die dit profetenwoord in de aanhaling van Jakobus heeft ondergaan. Je krijgt de indruk dat de leider van Jeruzalems eerste gemeente deze profetie gebruikt heeft als een voertuig voor meer voorzeggingen dan alleen die van Amos en dat hij daarvoor ook grotere en kleinere tekstverbouwingen heeft uitgevoerd. Zo komt (om een voorbeeld van het kleinere te noemen) het van eeuwigheid bekend zijn van wat de Here doet, bij Jesaja (45 : 21) vandaan. Jakobus heeft het strikt genomen dan ook niet over de woorden van Amos, die hij aanhaalt, maar over die 'der profeten' (meervoud!).Waar het me nu evenwel om gaat is de vrij grote ingreep dat 'het beërven van de rest van Edom' uit de tekst verdwenen is en plaats heeft gemaakt voor het zoeken van de Here door het overige deel der mensen.
Hier is het dus de Schrift zelf die de profetie vergeestelijkt. Aan wat vroeger was: de uitbreiding van het rijk van koning David, wordt niet meer gedacht, dat kwam Jakobus helemaal niet in de zin. Hij had zijn hoofd bij heel andere dingen. Met behulp van een taaleigenaardigheid, dat namelijk het woord Edom in het Hebreeuws heel gemakkelijk als adam (= mens) gelezen kon worden, geeft hij aan de profetie een heel andere wending en drukt hij er zaken mee uit die in zijn dagen heel goed te herkennen waren.
Zijn verstand zei hem dat hij met het beërven van het oude land Edom in zijn tijd niets kon aanvangen. Dat lag ver van de mensen hun bed en hij zou zich met het ophalen van zulke oude zaken finaal uit de markt hebben geprijsd. Reeds trouwens de Griekse vertaling van de Zeventig maakte met zulke aardrijkskundige bijzonderheden in de profetie vaak korte metten en de wijziging van Edom in adam vind je daar dan ook al. En was dit ook niet in de geest van de profetie zelf gedaan? Die was er toch niet op uit het volk Israël in een nationalistisch zelfgevoel te stijven? Die wist toch van genade voor de volken, ook voor de aartsvijand Edom, door de oordelen heen? Zelfs toen David in zijn tijd zijn heerschappij over de Edomieten oprichtte kon dat al niet als een zuiver politieke daad worden gezien. God had tot hem gesproken in zijn heiligdom en toen David in vervolg daarop op Edom zijn schoen wierp (teken van inbezitneming), was dat omdat de Here God van Sion uit de machtige schepter van zijn messias uitstrekte (Ps. 60 : 8, 10 en 110 : 2).
Dat wil zeggen dat het ook toen al, hoe aanduidenderwijs ook, om een genadeheerschappij over Edom en anderen ging, want op Sion troonde de Here in genade-op-grond-van-deverzoening en daar gebood Hij de zegen. God was met David geweest in zijn strijd tegen Edom. Maar God was sindsdien ook verder gegaan. En dat verder gaan, dat moet je in rekening brengen als je Amos met Jakobus vergelijkt. 'De Geest schrijft wegen in de tijd', zeg ik met Gezang 244 : 3 en met de helaas zo jong overleden professor Versteeg. Dit gezichtspunt nu, van voortgang in de tijd, dat mis ik teveel bij degenen die de profetie verletterlijken. In eerbied voor Gods Woord voel ik me nauw aan hen verbonden, maar zouden zij zich door de Schrift zelf niet kunnen laten helpen om de bewegingen van de Geest mee te maken? Blijven zij, zich naar het nieuwe uitstrekkende, toch niet teveel in het oude hangen en gevangen?
Moeten zij niet door de beelden van vroeger heen op zoek naar Geest en waarheid? Zoals het Nieuwe Testament ons dat voordoet en het Oude daar al mee begonnen is?

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief