Klaagliederen
2001-01-19
(Hoofdstuk 2, vers 1 - 7) (Een poging tot berijming) - Jaargang 45
- nummer 2
1. Door donkere wolken wordt Sion omhuld, God, in zijn boosheid, bestraft haar schuld.
Sion - eens hemelhoog verheven, ligt ter aarde neer, verwoest is haar leven.
Ark en tempel, de plaats voor zijn heilige voeten God wil zijn kinderen daar niet meer ontmoeten.
1. Wat eerst woonoord was, is nu leeg en ontzield.
Stad en tempel, volledig verwoest en vernield, werden bouwval en spookstad, niet door Babels geweld, ‘t is God Zelf die genadeloos oordeel velt.
Vernederd, onttroond en van eer ontdaan, is ‘t met vorst en met rijk voorgoed gedaan.
2. God heeft, in brandende toorn ontstoken, Isra.l ontwapend, zijn macht gebroken.
Hij wilde zijn woede niet langer betomen, trok zijn hand terug en de vijand kon binnenkomen.
Als een laaiend vuur werd de Heer voor zijn volk, en zijn vriendelijk gezicht Ð een donkere wolk.
3. God, altijd Helper en Vriend als geen ander, wordt nu tot vijand en tegenstander.
Hij spant de boog, vernietigt en doodt jeugdigen, ouderen, van klein tot groot.
Werd eens de stad door zijn heil verlicht, nu slaan laaiende vlammen het volk in ‘t gezicht.
4. Schrikwekkend is Gods vijandige hand, niets ontziend verwoest Hij ‘t afvallige land.
Tot de grond breekt Hij af waar machthebbers troonden, maar ook waar eenvoudigen leefden en woonden.
En het volk klaagt en jammert en schreeuwt het uit, als een dier in doodsnood, doordringend en luid.
5. God wil zijn volk niet meer zien en begroeten, de plaats van ontmoeting ligt in puin voor zijn voeten.
Sabbatten, feesten, gevierd keer op keer, God liet ze vergeten, ze tellen niet meer.
Koning en priester, hooggeplaatst en geëerd, Hij heeft ze versmaad en voor altijd onteerd
6. Het altaar, de plaats van vergeving en straf, God wierp het omver en Hij keerde zich af.
In het huis, waar Hij eens als Koning troonde en Zich een vergevende Vader betoonde, daar lopen nu heidenen in en uit. Ze feesten en schreeuwen en leven zich uit.