Extreem
2001-01-19
We proberen te vergaderen. Een voor een komen we binnen en een voor een vertrekken we weer.- Jaargang 45
- nummer 2
Hoewel de vergadering nu officieel zeven minuten geleden zou starten, loopt bijna iedereen andere dingen te doen.
Het ‘Oh, jullie zijn nog niet begonnen, dan kan ik nog wel even een telefoontje plegen’ werkt aanstekelijk.
Als de vergadering een kwartier te laat begint zegt de telefoontjescollega: ‘Ik wil stipt om 10.45 uur eindigen hoor, ik heb daarna direct les.’ In plaats van een corrigerende opmerking te maken (‘Hé makker, jij kwam 15 minuten te laat’) stelt de voorzitter hem gerust met de mededeling dat er door ons allemaal enige vergaderdiscipline opgebracht moet worden. Dan lukt het best.
Ik zucht. Zullen we dan maar eens beginnen?
We zitten bijeen om onze leerlingen te bespreken. Over 1 maand gaan ze allemaal stage lopen in een instelling voor moeilijk lerende of moeilijk opvoedbare jongeren en vlak voor ze vertrekken houden wij ze nog eenmaal tegen het licht.
Is deze aanstaande stagiair in staat voor de kinderen van een ander te zorgen? Of te wel hoe denkt de vergadering over de beroepsvaardigheden van de leerling. Omdat het raar is om iemand na twee jaar opleiding opeens tegen te houden, zijn er nog maar een paar leerlingen die echt besproken moeten worden. Het zijn meestal leerlingen waar persoonlijke problemen oorzaak zijn. Veel van hen zijn al op de hoogte van hun zwaard van Damocles.
De vergadering verloopt rommelig. Invallers en parttimers zijn afwezig. Een kleine kern vaste docenten probeert moeizaam een oordeel te vormen. De voorzitter tracht zo goed en kwaad als het gaat de procedure zuiver te hanteren (Er wordt besloten over een vrij ingrijpende zaak: wel of niet door mogen gaan met de opleiding)
We bespreken een paar leerlingen. En nemen voorzichtige standpunten in. De sfeer blijft gemoedelijk, de aandacht lijkt af en toe elders. Dan komt Simon aan bod. Hij blijkt bij diverse docenten ‘gescoord’ te hebben. Vrijpostige jongen die nogal op zichzelf is. Weinig contact met anderen maakt en af en toe onvolwassen en uitgesproken negatieve uitlatingen doet. Aan de andere kant blijkt hij zich overtuigd christen te noemen en is hij vaak in voor allerlei buitenschoolse activiteiten. De docent maatschappijleer mengt zich in de discussie. ‘Bij mij maakte hij een werkstuk over allochtonen en hij heeft als conclusie getrokken dat hij als er een extreem rechtse partij in ons land zou zijn, hij daar beslist op zou stemmen.’ Hiermee krijgt de bespreking een pijnlijke ondertoon. Mag een leerling dat vinden? Mag een leerling op een christelijke sociale opleiding, waar hij hoogstwaarschijnlijk met allochtone of vluchteling kinderen gaat werken, dergelijke denkbeelden ventileren?
Een aantal ogen vliegt langs de criteria van de beroepsvaardighedenlijst. Er blijken geen criteria vermeld die hierop van toepassing lijken te zijn. Iemand oppert dat de opmerking binnen het vakgebied moet blijven en dat de betrokken docent de discussie aan moet gaan met Simon. Een vrijbuiter meent dat we in een vrij land leven en de vrijheid van meningsuiting ook voor onze Simon geldt. Weer een ander meldt fijntjes dat zij haar geadopteerde Chinese meisje liever niet bij hem in de groep zou willen hebben. Een vierde meldt dat hij deze gozer niet wil begeleiden in stage, ongeacht de beslissing van het team. De mentor wordt vragend aangekeken. Als een burgemeester in een rampenstad wordt hem plots het vuur aan de schenen gelegd; Was je hiervan op de hoogte?
De mentor lijkt te aarzelen. Moet hij nu wel of niet vertellen van de groepsverkrachting van Simons zusje? Simon heeft het hem in vertrouwen verteld… Waren het maar witte jongens geweest.
Dromer.