Bidt om de vrede voor Jeruzalem

2001-01-19
  • Jaargang 45
  • nummer 2
De strijd om Jeruzalem, het hart van het joodse volk, is gaande. De TV-beelden liegen er niet om. Dagelijks vallen de slachtoffers door stenen en kogels. Onthutsend is het gedrag van de palestijnse jongeren. Ze gaan fanatiek door met stenen gooien en worden daarin vurig aangespoord door hun ouders en geestelijke raadslieden. Wat is hier aan de hand?

Dat dit een te verwachten reactie is op de provocatie van de heer Sharon, toen die zich op de tempelberg vertoonde, is niet aanvaardbaar. Hier zijn meta-historische machten aan het werk. De duistere krachten achter de fundamentalistische Islam worden openbaar. De 'jihad' wordt gepredikt en wie daarin het leven verliest wordt een 'martelaar' en zal zijn beloning ontvangen in het islamitisch paradijs. Deze duistere kant van de Islam dienen we te onderkennen als rebellie tegen de God van Israël.

Verzet
Abraham verwekte een kind 'naar het vlees' bij Sara's dienstmaagd Hagar. Zodra Hagar dan bemerkt dat ze zwanger is, komt ze in verzet tegen haar meesters Sara. De bijbel vertelt ons dat Sara haar brutaliteit straft en als gevolg daarvan loopt Hagar weg en begeeft zich op weg door de woestijn van Sur naar haar geboorteland Egypte. Onderweg ontmoet zij de Engel des Heren, die haar gebiedt terug te gaan naar Abrahams huis. Daarbij krijgt ze de belofte van een talrijk nageslacht. Haar zoon zal Ismaël heten; dat betekent: God hoort. Hij zal een ontembare aard hebben (een wilde ezel). Hij zal zich verzetten tegen iedereen, ook al is iedereen tegen hem en ‘hij zal in voortdurende confrontatie verkeren met zijn broeders (Isaäk en de verdere nakomelingen van Abraham)’ Gen.16:12 /* Hagar is stomverbaasd: ziet God ook naar mij, terwijl ik voor Hem op de vlucht ging? Als ze later met dit verhaal thuis komt, krijgt deze waterbron de naam 'Lachaï-Roï' d. i. bron van de Levende die (naar mensen) omziet. Bij deze bron heeft Abraham waarschijnlijk een altaar opgericht, want we lezen later van Isaäk dat hij daar ook kwam om te bidden. (Gen.24:62)

Buigen
Heeft Hagar met deze geschiedenis ook geleerd te buigen voor de God van Abraham? Immers ook Ismaël zal gezegend worden maar alleen via de verkiezing van Isaäk. In Gen. 26:4 zegt God tot Isaäk, wat Hij reeds aan Abraham had beloofd, ‘met uw nageslacht zullen alle volken der aarde (dus ook Ismaël) gezegend worden.’ De verdere geschiedenis laat ons het tegendeel zien. De rebelse geest die Hagar bezielde, komt ook over Ismaël. Hij bespot Isaäk en daarmee Isaäk's God. Sara spreekt dan profetisch: ‘de zoon van de slavin zal niet erven met mijn zoon Isaäk.’ Terwijl Abraham aanvankelijk grote bezwaren heeft, luistert hij naar de Here en zendt Hagar en Ismaël weg, nadat hij van de Here de verzekering heeft ontvangen dat ook Ismaël, omdat die zijn zoon is, tot een groot volk zal worden. Dus gaan moeder en zoon op weg, maar niet in de richting van Lachaï-Roï, waar God eenmaal tot Hagar sprak. De opstandige Hagar gaat in tegenover gestelde richting, naar het oosten en verdwaalt dan in de woestijn van Paran.

Toch is de Here weer genadig ook voor Ismaël. Hij luistert naar de roep van het stervende kind dat terecht Ismaël -God hoort- heet. Hij herhaalt aan Hagar de belofte die Abraham ontving: Ismaël zal tot een groot volk worden.
‘Toen opende God haar ogen en zij zag een waterput’ Gen.21: 19. Dit zijn weer 'profetische' woorden. Later heeft Jezus een gesprek met een Samaritaanse vrouw ook bij een put en zegt Hij: wie gedronken heeft van het water dat ik hem geven zal, zal geen dorst krijgen in eeuwigheid, maar dat water zal worden tot een fontein van water die eeuwig leven voortbrengt. (Joh.4: 14) Zo ook hier. Eenmaal zal God de ogen van Ismael's nageslacht openen en dan zullen ze zicht krijgen op het levende water dat Jezus schenkt.

Profetie
Deze profetie krijgt in onze dagen een begin van vervulling. Overal ter wereld komen moslems tot geloof in Jezus. In dromen en visioenen verschijnt Jezus hen, roept hen op tot geloof en draagt hen op de bijbel te lezen. Inderdaad God hoort ook nu naar Ismaël. Maar reactie blijft niet uit: de duistere machten achter de Islam gaan tot de tegenaanval over. Daarom worden op vele plaatsen in de wereld de moslems opgeroepen tot de 'jihad', in Indonesië, in de centraal-aziatische, vroegere sovjetrepublieken, verder in Iran en Pakistan en andere landen. En nu gaat de 'jihad' ook een rol spelen in de strijd om Jeruzalem.
In Gen.25 worden nog even de nakomelingen van Ismaël vermeld met de slotopmerking dat ze zich gevestigd hebben in vijandige confrontatie met al hun broeders (de joodse nakomelingen van Abraham). Verder zwijgt de Schrift over Ismaël. De heilsgeschiedenis wordt voortgezet in het nageslacht (hebr, toledoot) van Isaäk. Omstreeks het jaar 622 -het jaar van de 'hidrah', begin van de islamitische jaartelling- treedt onder het nageslacht van Ismaël de profeet Mohammed op. In nachtgezichten die Mohammed aan de aartsengel Gabriel toeschrijft, wordt hem de Koran 'neergezonden'. Bij het lezen van de Koran valt direct op hoe de heilsgeschiedenis daarin wordt vertekend. De daarin sprekende god Allah openbaart zich als een 'geestelijke' rebel tegenover Israëls God. Niet de gehoorzame Isaäk wordt door Abraham als prefiguratie van het Lam van God ten offer bestemd, maar de rebelse Ismaël. Overal vieren de moslems ter ere daarvan het offerfeest 'Id el Adha'. Zo is Ismaël misleid door de vader der leugen. Als de joden zich niet laten overtuigen van de messiaanse missie van Mohammed, begint een gewapende strijd tegen de joodse stammen op het arabisch schiereiland en worden die gedood of onderworpen. Zo komt het tot een confrontatie tussen Ismael en Isaak. Dit gaat de hele geschiedenis door. Als Jeruzalem later in arabische handen valt, wordt direct de Tempelberg van de joden bezet en worden daarop de rotskoepel van Omar en de El-Aksa moskee gebouwd. De 'gouden poort' waardoor eenmaal de Messias naar binnen zal komen wordt dicht gemetseld. Daarmee laten de moslems zien dat zij de vervulling zijn van jodendom en christendom, en verzetten zij zich tegen iedere aanspraak van anderen op de stad Jeruzalem. De rebellie van Ismaël tegen de Here God is nog niet ten einde, maar de Here denkt wel aan zijn beloften ook aan Ismaël: Hij hoort en ook Ismaël zal eenmaal de Heerlijkheid van Jezus Messias aanschouwen.

Geestelijk
Zo is de strijd om het bezit van Jeruzalem een 'geestelijke' strijd. Het gaat er niet om, wie het politiek gezien te zeggen zullen hebben op de Tempelberg, Israël of de Palestijnse Autoriteit of ook, zoals het Vaticaan wil, de Verenigde Naties. Het gaat er wel om of Jeruzalem in de toekomst zal zijn de stad van de Grote Koning, waar Jezus als Koning zal regeren of dat satan dit goddelijk plan kan verhinderen.
Daarom laten wij dan als 'Gemeente uit de volken (goyiem)' bidden voor deze vrede van Jeruzalem. ‘Want de Here heeft Sion verkoren, Hij heeft het Zich ten woning begeerd. Dit is Mijn rustplaats voor immer; hier zal ik wonen, want haar heb ik begeerd.’ (Psalm 132: 13,14.)

noot/* In het hebreeuws staat de uitdrukking: al penee, voor het aangezicht van. Dit wordt in dit verband, evenals in Ex. 20: 3 , in vijandig, confronterende zin bedoeld.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief