Morgen weer over...

2002-09-20
  • Jaargang 46
  • nummer 18
Voor de meeste mensen zit de vakantie er weer op. Koffers, tassen, tenten en caravans zijn weer uitgepakt en het verbaast mij altijd weer dat er een enorm verschil bestaat tussen inpakken en uitpakken. Een koffer uitpakken is zo gepiept. Het meest simpele is het hele geval omdraaien in de badkamer.
Je wandelt dan eens tussen de bergen wasgoed door, vist er een haardroger en een paar boeken uit en je sorteert op kleur voor de wasmachine.
Klaar is Kees.
Nee, dan inpakken. Voor je weet wat er allemaal meemoet, ben je dagen verder. Het maakt niet veel uit of je kampeert of je intrek neemt in een huisje of een hotel. In de meeste gevallen, sleept de vrouw de zaken bij elkaar en pakt de man alles in de auto of caravan. En altijd vindt hij het teveel.
Dat er van een vakantie veel echtscheidingen komen, verbaast me niets. De ruzie begint in het algemeen al thuis in de gang waar de spullen verzameld worden. Zelfs in de meest gelukkige huwelijken is de dag voor de vakantie vol spanningen en niet of wel uitgesproken wrevel. U voelt al dat ik uit ervaring spreek. Niet dat ik me ervan bewust was. Het waren onze kinderen die me, jaren geleden, op de hoogte brachten. De oudste, die niet meer meeging, kwam langs om ons nog een goede vakantie toe te wensen en liep onze jongste tegen het lijf. Een moment daarvoor had ik snauwerig geïnformeerd bij mijn man of er nog ruimte was voor wat geestelijker bagage.
‘Ík heb Lewis en Van de Berg met Elisabeth George in een krat gestopt ,’ zei hij.
Het klonk een beetje dubieus. Net of twee heren één ruimte met een dame moesten delen. Dat vrolijkte me op en ik ging verder om nog meer dingen bij elkaar te graaien toen ik beneden onze zonen hoorde praten.
‘Waar is mama?’ vroeg de oudste.
‘Die maakt ruzie met papa,’ zei Reinier, onze jongste, blijmoedig.
‘O, dat doen ze altijd als ze de caravan inpakken, dat is morgen weer over’ zei de oudste.
Ik stond boven aan de trap met een stapel handdoeken en hoorde het aan.
Mijn kwaaie bui was meteen over. ‘Is dat nou echt zo?’ vroeg ik verwonderd terwijl ik de trap afkwam. ‘Hier, breng dit nog eens naar je vader. Dat moet ook mee.‘ ‘Ja mam. Jullie hebben altijd een beetje ruzie, de dag voor de vakantie. Maar anders eigenlijk niet, dus het valt nog al mee’ troostte hij. ‘Goeie grutten’, zei ik.
In juli dit jaar dacht ik aan dat gesprek terug. Reinier zou met zijn vriendin kamperen.
Ze hadden een auto gehuurd en het plan was om drie weken de tenten op te slaan in Frankrijk. Er waren lijsten gemaakt voor dingen die werkelijk nodig waren en dingen die misschien wel handig waren (er was veel handig).
De dag voor ze vertrokken werden de spullen bij ons in de garage verzameld.
‘Grote genade, Door… zei Reinier. ’Wat voor auto denk je dat we huren… Een vrachtwagen?’ Fout… fout… ‘Zeg maar wat er thuis moet blijven.
Zullen we de pannetjes hier laten?’ antwoordde ze kribbig. ‘Of een tentje!’ Ik hoorde het met mengeling van zorg en genoegen aan. Zo herkenbaar.
Een vakantie als testcase. Als het al werkt als jonge mensen bevriend zijn, zou het helemaal verplicht moeten zijn voor aanstaande echtparen. Niet dat het verder garantie biedt, maar je leert elkaars humeur in ieder geval kennen als het een week achter elkaar regent en je alleen maar een paar tentjes hebt.
Beter eerst samen naar de bergen en dalen dan later samen naar de rechtbank.
Met een kleine variant op ‘Wie de zee overvaren, verwisselen van hemel, maar niet van ziel’. ‘Wie op reis gaan, veranderen wel van land, maar niet van karakter.’ Inmiddels zijn ze weer thuis. En het is nog aan. Voorlopig zit het wel snor met die twee.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief