Demonen: witte vlek in gereformeerde traditie
2002-10-04
Toen ik, jaren geleden, voor het eerst gevraagd werd om bij iemand de demonen te bestraffen, heb ik me erover verwonderd dat ik daar in mijn eigen, gereformeerde, traditie niets over kon vinden. De Bijbel staat er vol van, de meeste kerkelijke tradities kennen iets als exorcisme, waarom weten Calvijn en de gereformeerden daar niets van?- Jaargang 46
- nummer 19
Enkele weken geleden, op 7 september, werd aan de Christelijke Hogeschool Ede een boek gepresenteerd onder redactie van dr. M.J. Paul, dat hierop in gaat: Geestelijke strijd; demonie en bevrijding in christelijk perspectief.
Natuurlijk sloeg ik eerst het hoofdstuk over Calvijn op, maar het boek biedt veel meer. Het is opgezet vanuit de verlegenheid die ik goed herken: we zijn én calvinisten én moderne mensen (dubbel gehandicapt, zeg maar) waardoor we niet zo geneigd zijn om demonen te zien. En toch kun je er niet omheen dat mensen vandaag maar rond pionieren in het occulte en daar ook de gevolgen van ervaren.
Bovendien weet de man in de straat, zonder ooit op zondagsschool te zijn geweest, alles over duivel en demonen (denkt hij), terwijl de kerk het onderwerp laat liggen. We zijn ver weggeraakt van de rustige zekerheid van Paulus, die van de duivel zei: "zijn gedachten zijn ons niet onbekend...". Dat is uiteengevallen in christenen die geen benul hebben van de wereld van engelen en demonen, en andere christenen die er achter elke boom een zien, inclusief je voorgeslacht van tien generaties geleden.
Hoe dan ook, het boek biedt eerst een heldere beschrijving van het denken over demonen en bezetenheid in Oude en Nieuwe Testament, vroege, middeleeuwse en latere kerkgeschiedenis. Ik kreeg er wel meer begrip door voor de terughoudendheid van Calvijn op dit punt. Met name de latere Middeleeuwen waren zo behekst door engelen en demonen, dat God zelf uit het zicht raakte. Luther leefde helemaal in die wereld. Calvijn moet dezelfde lucht ingeademd hebben, maar ging er anders mee om. Hij erkende het bestaan van duivel en demonen, maar moest niets van exorcisme hebben. De teksten waarin Jezus boze geesten uitdreef, vergeestelijkte hij tot het meer algemene besef dat Christus ons verlost van de tirannie van de duivel. Drs. Robert Doornenbal, die deze studie schreef, verklaart dit vanuit het geheel van Calvijn’s theologie, waarin de soevereiniteit van God centraal staat. Als God zelf werkelijk alles in handen heeft, dan kan de duivel niet meer zijn dan een middel in zijn hand. En dan kijk ik door de duivel heen naar God, in goede en kwade dagen. Dat is ook zo. Voor de moeilijke vragen van het lijden in de wereld lost het wel iets maar niet veel op om te wijzen op de duivel als oorzaak van het kwaad.
Wanneer Job zijn waarom’s naar de hemel slingert, dan antwoordt de Here niet: ho ho, dat was niet Ik, maar de duivel.
Maar even verder denkend over de positie van Calvijn: zou ook niet mee kunnen spelen, dat Calvijn erg dacht in termen van schuld en vrijspraak (technisch gezegd: in forensische categorieën)? Hij had, zeg maar, meer oog voor de mens als zondaar dan als slachtoffer. En toch heb je die begrippen echt allebei nodig om recht te doen aan wat een mens werkelijk is. In zijn boekje "De rol van het bidden" heeft dr. Ruard Ganzevoort destijds gewezen op de verschillende rollen waarin we bidden tot God en dat je die niet door elkaar moet husselen. Als schepsel vraag ik om brood; als zondaar vraag ik om vergeving en als gevangene vraag ik om verlossing van de boze. Ik vind dat een heel belangrijk onderscheid; je krijgt brokken wanneer je alles op de kaart van de vergeving zet, wanneer je vanuit je machteloosheid en gevangenschap om vergeving bidt. Er zijn gewoon meer dingen aan de hand dan dat een mens schuldig is. Wie als kind misbruikt is, voelt zich soms schuldenaar maar is het niet. En er zijn ook mengvormen: wie verslaafd is, heeft daar zelf schuld aan maar het is ook een macht geworden die je gevangen houdt. Waar je bevrijding van nodig hebt. Welnu, dat geldt des te meer wanneer iemand in de greep van boze machten is. Voor zover ik gezien heb, is daar meestal wel een aanleiding voor, bijvoorbeeld een meedoen aan occulte zaken die God verboden heeft.
Maar daarna is het toch ook werkelijk een macht geworden, waarvan je reële bevrijding nodig hebt.
Het gaat er nu niet om, dat helemaal te bespreken. Het besproken boek zegt er zinnige dingen over. Naast studie van Oude en Nieuwe testament vroege en late kerkgeschiedenis, komt er een hoofdstuk met dogmatische noties in voor, een hoofdstuk over raakvlakken met de psychiatrie en twee praktische hoofdstukken over pastoraat in de gemeente. Het pastorale hoofdstuk, van dr. P..A. Siebesma, is wijs en evenwichtig opgesteld. Je moet niet zomaar gaan pionieren op dit vlak, je moet het zeker niet alleen doen en je hebt gebed om je heen nodig. Bij de aanwijzingen voor gebed mis ik de elementen van schuldbelijdenis en geloofsbelijdenis, maar ze zullen vast mede bedoeld zijn. Het is immers op basis daarvan dat je in de zekerheid mag staan dat alleen Christus de Heer is over iemands leven en dat de demonen geen recht op iemand hebben.
Terecht merkt Siebesma op dat het een onderwerp is met nog vele vragen, maar hij besluit: "Niettemin mogen we dit gebied niet langer negeren, omdat de nood groot is en vermoedelijk alleen nog maar zal toenemen".
n.a.v.: dr. M.J. Paul e.a., Geestelijke strijd.
Demonie en bevrijding in christelijk perspectief.
Boekencentrum, 2002, 200 pagina’s Euro 15,90.