Pim Fortuyn en de vernieuwing van de kerk (2)

2002-10-18
  • Jaargang 46
  • nummer 20
Jodendom, christendom en humanisme, zijn de drie bronnen waaraan onze moderne samenleving haar waarden en normen ontleent, aldus Pim Fortuyn.
Het jodendom heeft ons ‘de wet’ gebracht, het christendom heeft ons geleerd wat ‘gemeenschap’ is en het humanisme heeft ‘het individu’ ontdekt.
In onze samenleving is de ontdekking van het individu verworden tot individualisme.
De vader, die de wet stelt en de moeder die de gemeenschap bij elkaar houdt zijn verdwenen uit onze samenleving.
Zij moeten terugkeren in de afspiegeling van de Goede Herder, die vaderschap en moederschap in zich verenigt.

De ontwikkeling van het humanisme in onze samenleving verhindert dat de kerk deze rol opnieuw op zich zou kunnen nemen. De samenleving zélf zal in al haar delen invulling moeten geven aan die rol. De kerk zou daarbij kunnen helpen, maar dan zal ze zich wel moeten vernieuwen.
Fortuyn schetst een intrigerend beeld van kerk en samenleving.
Terwijl de samenleving lijdt aan de gevolgen van een losgeslagen individualisme lijdt de kerk juist aan de gevolgen van een veronachtzaming van de individualiteit van mensen. De samenleving moet zich bewegen van teveel ‘individu’ naar meer ‘gemeenschap’, terwijl de kerk zich moet bewegen van te veel ‘gemeenschap’ naar méér ‘individu’.
Ik denk dat dit scherp en raak geobserveerd is. Fortuyn denkt hierbij aan de katholieke kerk. Maar het gaat zeker ook op voor de traditionele gereformeerde kerken. Het brengt ons bij de vraag: op welke wijze zijn wij gemeenschap?
Welke plaats is daarin voor individuele vrijheid van denken, voelen en willen?
Het is de vraag waarom dit artikel draait.

Actuele vraag
Is dit inderdaad een reële vraag? Ik denk het wel. Een paar voorbeelden.
Als gevolg van allerlei factoren is er de laatste tijd heel veel nadruk gelegd op het functioneren van de gemeente als gemeenschap (gemeenteopbouw).
Minder wordt nagedacht over de vraag wat ‘gemeenschapzijn’ nu precies inhoudt. Levend in een verweesde samenleving waarin velen zich verloren voelen en zoeken naar geborgenheid is het een woord dat gemakkelijk betoveren kan. Het klinkt warm en goed en we verlangen er naar, en hebben daardoor geen helder besef van wat het inhoudt. Zijn we ons er wel voldoende van bewust dat we een geschiedenis achter ons hebben, waarin de gemeenschap het individu in bepaalde opzichten dreigde te verstikken? In de visie van Fortuyn heeft in de vijftiger jaren van de vorige eeuw op microniveau plaatsgevonden wat zich in de Europese geschiedenis afspeelde in het Frankrijk van de 18e eeuw: een onderdrukkende kerk, die individuele vrijheden beknot. Een eenzijdig beeld kun je zeggen. Maar in de praktijk van het pastorale werk is nog steeds te merken hoezeer de periode van de vijftiger en zestiger jaren wonden heeft geslagen.
Daarom: ieder die bezig gaat met gemeenteopbouw stoot na verloop van tijd daarom op de aloude vraag: hoeveel ruimte is er binnen een kerkelijke gemeente voor individuele vrijheid van denken, voelen en kiezen? Je kunt bijvoorbeeld wel kringen organiseren, maar mogen mensen ook in vrijheid besluiten daar niét aan mee te doen, zonder met de nek te worden aangekeken?
Tweede voorbeeld: een van de meest aantrekkelijke kanten van de alphacursus is de mogelijkheid om in vertrouwde kring te kunnen zeggen wat je denkt, voelt, kiest, zonder dat je veroordeeld wordt. In het bijzonder ex-kerkmensen zijn enthousiast over de cursus, omdat ze deze vrijheid in de kerk missen. Niet-kerkelijken die vanuit een alphacursus doorstromen naar een kerkelijke bijbelkring ervaren niet zelden een soort mini cultuurschokje als blijkt dat op de kerkelijke bijbelkring een bepaalde ‘code’ blijkt te heersen van gedeelde geloofsopvattingen, waarbinnen je geacht wordt te bewegen.
Derde voorbeeld: de kerkdienst. Een reactie van een in dit geval gefingeerde, maar wel degelijk reële kerkganger: ‘De dominee gebruikt in de preek regelmatig uitdrukking als: ‘..en nu denkt u natuurlijk…’. Maar dan dénk ik dat helemaal niet! En hij zegt bijvoorbeeld: ‘ ….dat vinden wij natuurlijk vreemd…’.
Maar dan vind ík het juist heel normaal!
En uit het gebed van de dominee maak ik op dat je geacht wordt hier tegen en daar voor te zijn. ‘ Vierde voorbeeld: het pastoraat. Een ouderling komt op bezoek om een stel aan te spreken op hun samenwonen.
Het wordt niet begrepen. Een volgend bezoek wordt geweigerd met de woorden: u meent ons te kunnen zeggen hoe het moet, maar hoe wij ons leven inrichten is toch onze éigen verantwoordelijkheid?
Het is de volstrekte vanzelfsprekendheid van dit argument dat opvalt.

Drievoudig adres
In al deze voorbeelden lijkten de waarden van jodendom en christendom op een of andere manier te botsen met die van het humanisme.
Hoe kunnen we hier mee omgaan?
Is een afwijzing van de humanistische waarden de weg?
Of is het mogelijk de humanistische waarden op een christelijke wijze, binnen de lichtkring van het evangelie te beleven?
Wat is er eigenlijk vanuit de bijbel te zeggen over de plaats van de individuele vrijheid binnen de christelijke gemeenschap?
Vanuit het adres van Paulus’ brief aan de Corinthiërs valt op deze vraag een bepaald licht. Dit adres valt, dat we vinden in 1 Corinthe 2 valt op door zijn drievoudigheid. Aan de gemeente Gods te Korinthe (1) , de geheiligden in Christus Jezus, geroepen heiligen (2) met allen, die allerwege de naam van onze Heer Jezus Christus aanroepen (3). Al deze drie elementen komen in de loop van dit artikel terug.

Gemeenschappelijke voorop
Met de term ‘gemeente Gods’ maakt Paulus een toespeling op de naam van het volk Israël, zoals dat door de woestijn trok: ‘de gemeente des Heren’.
Paulus ziet de gemeente van Korinthe dus allereerst als het volk van God, dat net als Israël samen op weg is naar het beloofde land. In de bijbel gaat de gemeenschap aan het individu vooraf, waarmee elk individualisme is uitgesloten.
Elk individueel mens komt voort uit een gemeenschap, vertegenwoordigd door ‘vader’ en ‘moeder’. Het is de gemeenschap wier schoot mij heeft gedragen. Het waren de armen van de gemeenschap die mij opvingen bij mijn geboorte en een plekje voor mij hebben vrijgemaakt. Slechts wie deze plaats inneemt kan uitgroeien tot een individueel volwaardig mens. Wie dat niet wil ontneemt zichzelf de mogelijkheid uit te groeien tot een volwassen mens Je kunt zeggen: consequent individualisme is kinderlijk en blokkeert de volwassenwording. Het lijkt me dan ook geen toeval dat onze individualistische cultuur in veel opzichten ook als een kinderlijke cultuur te typeren valt. De uitersten raken elkaar hier: zowel paternalisme als individualisme blokkeren de volwassenwording en de mondigheid, die voor een volwaardige gemeenschap vereist zijn. Het behoort tot de kerntaken van de kerk in om met name in haar liturgie dit besef van ‘samen-op-weg-zijn’ te versterken.
Met name in onze individualistische cultuur.

Kerk als Herberg
Het loont de moeite ook even stil te staan bij de bijstelling: te Korinthe.
De kerk is als een nomade op weg door de tijd, maar ze is tegelijk ook ‘plaatselijk’.
De gemeente is wat ze is in onlosmakelijke samenhang met haar omgeving.
De gemeente Gods is in dit adres echt een ‘korinthische’ gemeente, bestaande uit korinthische mensen, levend in een korinthische omgeving, in een korinthische cultuur met korinthische levensvormen.
In zo’n gemeente voelen korinthische mensen zich thuis. Voor een ‘jeruzalemmer’ zal dat veel moeilijker liggen, al is het niet onmogelijk.
Wat hier gezegd wordt van de kerkelijke gemeenschap geldt in feite voor elke gemeenschap. Vanuit dit gegeven valt tevens Fortuyns pleidooi voor 'de menselijke maat' te ondersteunen. Hij spreekt ergens over het recht van mensen op een herbergzame plaats, waar zij hun locale cultuur kunnen ontwikkelen.
Wordt dit recht ( vgl.: 'een ieder onder zijn wijnstok en vijgenboom') miskend en geschonden, dan zal dit leiden tot opstand van hen die zich verloren voelen in de megaverbanden die we in onze cultuur fabriceren. Het fundamentalisme wordt gevoed door een fundamenteel gevoel van on-geborgenheid.
Het is in deze tijd waarin individuen tot 'massa' worden dus uiterst belangrijk als mensen een 'thuis' vinden, waarin ze zich geborgen weten en de gemeenschap kunnen beleven. Als de kerk nu eens een ‘herberg’ zou kunnen zijn….

Meervoud
Maar Paulus formuleert zijn adres opnieuw.
Nu als ‘meervoud’: ‘geheiligdén, ..geroepenén’. Paulus ziet de gemeente niet slechts als een collectief, maar óók als verzameling individuele mensen.
In het licht van het totaal van de bijbel Is dat niet vreemd. Die individuele mens komt in de bijbel steeds meer naar voren en hij neemt steeds meer ruimte in.
Dit inzicht dank ik aan ds. Henk de Jong die daar in Opbouw ooit heel mooie dingen over heeft geschreven.
Er is in de bijbel een lijn van toenemende individualisering. Met name na de ballingschap van Israël. Uitlopend op onze Heer Jezus Christus. De Goede Herder die alle schapen (‘de kudde’ een uiterst collectief beeld) bij name kent.
Individualisme moet afgewezen worden.
Maar ‘individualisering’ – in de zin dat het individu steeds meer ruimte krijgt en belangrijker wordt– is een gegeven dat bijbels voluit herkenbaar en te legitimeren is.
Je kunt het de tragiek van de kerk noemen dat zij in haar rechtmatig verzet tegen een mens die zich in hoogmoed verheft, tegelijk de legitieme ontwikkeling van het individu heeft geblokkeerd, zodat het humanisme zich noodgedwongen buiten de kerk moest ontwikkelen.
Als dit klopt – en ik zie er veel waars in – dan zou dat betekenen dat de kerk iets minder uit de hoogte zou moeten klagen over het verwoestende individualisme dat ze om haar heen waarneemt. Ze heeft er immers –historisch gesproken - haars ondanks zelf aan meegewerkt.

Wilde vruchten van de Geest
Van de waarden die wij in onze traditie haast als vanzelf ‘humanistisch’ noemen, zoals vrijheid, verantwoordelijkheid, tolerantie, mondigheid, dialoog kun je zonder moeite schriftuurlijke bronnen aanwijzen. Ik noem slechts de teksten: Galaten 3-5. Romeinen 12:1-2; Romeinen 14:1 Johannes 2:20.27; De idealen vrijheid, gelijkheid en broederschap bijvoorbeeld zijn moeiteloos te verbinden met teksten als Galaten 5, Jakobus 2 en Mattheüs 23:8. Zoals het ook niet te loochenen is, dat in een zeer modern denkend en levend mens als Albert Schweitzer de Geest van Jezus herkenbaar was, toen hij besloot om zijn leven als arts te wijden aan het heil van de bewoners van Lambarene. (Afrika) Moeten we – met behoud van een diep inzicht in de gevaren van een lósgeslagen humanisme! – in onze kring toch niet leren minder argwanend te kijken naar de waarden van het humanisme dan we gewend zijn? Zou je deze waarden van het humanisme geen ‘wilde vruchten van de Geest’ kunnen noemen? Soms komt het zaad van het evangelie door allerlei omstandigheden búiten de akker van de kerk terecht, in het vrije veld. Maar ook daar groeit het op, al is het in verwilderde vorm. Maar het blijft toch herkenbaar als het zaad dat God gezaaid heeft.

Concreet: pastoraat en liturgie
In een poging dit alles wat concreter te maken, denk ik in het bijzonder aan de pastorale opdracht van de kerk. Wij hebben de opdracht onze herderlijke (vaderschap en moederschap) in onze individualistische cultuur vorm te geven. Maar zouden we ook kunnen leren om dat zó te doen dat de individuele vrijheid van een ieder gewaarborgd blijft? Dat de kerk dus niet alleen zegt: ‘dít is de weg, wan delt daarop’, maar daarnáást ook voluit durft te zegen ‘het is joúw keuze’.
Hierbij hoort ook dat je in het pastoraat waarborgen biedt dat mensen die keuze ook in vrijheid en zonder emotionele en geestelijke druk van buitenaf kunnen maken. Nogmaals: dit behoeft aan de duidelijkheid van het appél dat je vanuit het evangelie op mensen doet niets af te doen. Het loont de moeite om het woord van de apostel ‘een ieder zij in zijn eigen besef ten volle overtuigd’ (Romeinen 14:5) te bevragen op zijn betekenis voor ons pastoraat.
Wanneer we deze kunst zouden verstaan, zouden we met onze ‘pastorale praktijk’ wel eens van onschatbare waarde kunnen zijn voor de samenleving.
Immers die staat – in de visie van Fortuyn - in al haar geledingen zelf voor de opdracht een invulling te geven aan een bepaalde vorm van herderschap.
Een traditioneel zeer binnenkerkelijk gebeuren - pastoraat- , zou op deze wijze een belangrijk instrument kunnen worden in de missionaire opdracht van de kerk.
Maar ik denk ook aan de liturgie. Laat er op basis van het grondpatroon dat we samen op weg zijn naar het beloofde land in de eredienst alle ruimte zijn voor individuele mensen om te zijn, die ze zijn. Momenten van stilte en inkeer, waarin een ieder zélf voor het aangezicht van God verschijnt, zijn hierbij een middel. Ruimte voor mensen om met hun individuele gaven voor het voetlicht te komen tot opbouw van de gemeente, is een ander uitvloeisel van deze gedachte. Laten predikanten en voorgangers nog meer kritisch zijn op een juist gebruik van ‘inclusief taalgebruik’. (spreken in de ‘wij’-vorm).

De basisvoorwaarde
Maar zal dit niet uitlopen op een ‘ieder doet wat goed is in zijn eigen ogen’?
Ja, dat zal zeker gebeuren als God ons daarvoor niet behoedt. En daarom ga ik tot slot naar het derde lid van het adres van Paulus.
‘……..mét allen die de naam van de Here Jezus Christus aanroepen’.
Hiermee maakt Paulus ná het accent op de individuele mensen opniéuw een wending naar de gemeenschap. Het zal er om gaan om als individuele mensen de ander te zóeken.
Binnen de gemeente. Maar ook buiten de gemeente. Het ideaal van 1 Korinthe 12 wordt van de harmonie tussen individu en gemeenschap wordt niet automatisch werkelijkheid. Het wordt slechts werkelijkheid op voorwaarde van de liefde, die bewust de ander zoekt. In de kracht en naar het voorbeeld van onze Heer, die gekomen is om het verlorene te zoeken en te redden.
En het geheim is: wie Zijn Naam aanroept, wordt naar Zijn beeld veranderd.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief