Ik was verheugd toen men mij zei...
2002-10-18
Ik zal wel niet de enige Nederlands Gereformeerde predikant zijn die in een gesprek over de kerkgang in onze kerken af en toe te horen kreeg: ‘Maar waarom zit het bij de Vrijgemaakten dan ‘s middags wél vol?’ - met daarin opgesloten het verwijt dat het toch wel aan onszelf ligt als het bij ons anders is. Nu heb ik er geen behoefte aan om mezelf (of onszelf) te rechtvaardigen, maar ik denk dat het goed is ons ervan bewust te zijn dat we over kerkmuren heen maar al te vaak met dezelfde problemen worden geconfronteerd; ook als het gaat om de kerkgang staan we niet tegenover, maar naast elkaar.- Jaargang 46
- nummer 20
In de (Vrijgemaakt) Gereformeerde Kerkbode voor Groningen, Friesland en Drenthe (20 september) schrijft ds H. Drost op een aansprekende manier over deze dingen:
Hij zocht.... Sinds het hem duidelijk was geworden dat de HERE gediend wil worden via (aansluiting aan) de kerk, was hij op zoek. Hij wist uit Handelingen twee dat de Heilige Geest je brengt in de gemeente. En hij wilde graag de weg van de Heilige Geest gaan. Hij zocht een gemeente waar Gods Woord het laatste woord had. De ervaringen in twee gemeenten bleven haken in zijn denken.
In de evangelische gemeente trof hem de blijheid van mensen in het geloof en de hartelijkheid van mensen in de omgang. Ook de directe uitleg van de bijbel was erg aansprekend.
In de Gereformeerde Kerk (ze noemden zich voor de duidelijkheid ook Vrijgemaakt) trof hem de eerbied voor God en Zijn Woord. De mensen zetten zich eerbiedig tot het luisteren. En de bijbel ging tijdens de kerkdienst open: het was een uitleg waarbij je het idee kreeg dat de bijbel heel erg serieus werd genomen. Dat sprak hem erg aan.
Er viel nog iets op. In de evangelische gemeente hadden ze één keer per zondag dienst. Daar was heel de gemeente (voorzover hij het bekijken kon).
Het mooie in de Gereformeerde Kerk vond hij dat daar twee kerkdiensten op zondag waren. Ze vonden daar blijkbaar het Woord van God zozeer de moeite waard dat ze twee keer op een zondag naar de eredienst gingen.
Dat trok hem. Hij wilde er meer van weten.
Zondagmiddag
Hij ging daarom ook regelmatig op zondagmiddag naar de Gereformeerde Kerk. Wat hij toen merkte, viel hem toch wel erg tegen. Het bleek dat een bepaald deel van de gemeente niet meer kwam. De anderen vonden dat wel erg, maar ja... het was nu eenmaal zo. Iemand vertelde vertrouwelijk dat het kerkelijk leven toch wel wat frustreerde.
Hij dacht erover na wat voor een soort gemeente dat was. Hij kwam tot de conclusie dat de kerkdienst in die gemeente blijkbaar meer een kwestie van starre plicht was dan van blij samenkomen.
Hij vond het idee van twee diensten erg goed vanuit de eerbied voor Gods Woord. Maar de manier waarop de gemeente ermee omging sprak niet aan. Dan kun je beter één dienst beleggen.
Dit was zo'n inconsequente vertoning. Hij besloot evangelisch te worden... liever een keer op zondag enthousiast dan tweede keer plichtsmatig...
Taal
De kerkgang spreekt een taal.
Wanneer een gemeente twee keer op een zondag trouw opkomt, zendt de gemeente daarmee het signaal uit dat wat daar gebeurt aandacht, inspanning en liefde waard is. Wanneer echter de kerk in de morgendienst wel goed gevuld is maar 's middags een stuk leger, spreekt dat ook een taal.
Dat zegt dat het niet meer de moeite waard is om daar twee keer te komen.
Dit feit geeft aan dat de gemeente die inspanning niet op wil brengen. Die halflege kerkzaal spreekt van liefde die beneden de maat blijft.
Dat is ook binnen onze kerken geen ongewoon verschijnsel: hoewel mensen wel kunnen, komen ze niet. Het is iets om je zeer ongerust over te maken.
Tot zover ds Drost. In een volgend artikel pleit hij ervoor om de kerkelijke tucht toe te passen op mensen die zonder goede reden de tweede dienst verzuimen; een idee dat mij vooralsnog niet erg aanspreekt.
Maar afgezien van de vraag of je al dan niet de tucht moet hanteren, er is op dit punt een veel belangrijker vraag; verwoord al in de oude Catechismus, vraag 64: ‘Maakt deze leer de mensen niet zorgeloos en goddeloos?’ En het vrome en onbezorgde antwoord: ‘Nee, want het kan niet anders of ieder die door waar geloof in Christus ingeplant is, brengt vruchten van dankbaarheid voort’.
Daar heeft de kerk van de Reformatie met grote overtuiging haar geloof beleden in de kracht van het Evangelie.
Wat Drost nu in zijn artikel beschrijft (en wat maar al te herkenbaar is!) is die rare situatie, waarin het er toch wel heel sterk op lijkt dat mensen wél ‘zorgeloos en goddeloos’ worden; of in elk geval niet op zo’n manier hun dankbaarheid tonen als dat ons als kerk passend voorkomt.
De grote verleiding is om het Evangelie van de genade dan maar in te ruilen tegen de veel handzamere wet: ‘Gij zult dankbaar zijn, en dat zichtbaar maken door twee keer naar de kerk te gaan’. Zo ontstaat de rare spagaat dat de dankbaarheid voor Gods genade niet langer spontaan ontstaat als vrucht van het Evangelie, maar dwingend opgelegd wordt als eis van de wet. En dat is echt een lastig dilemma!