Prins Claus en de waardigheid van de zieke mens

2002-11-01
  • Jaargang 46
  • nummer 21
Ook ik wil graag stil staan bij het overlijden van onze geliefde Prins Claus.
Ik wil van hem een kant laten zien die bij de vele herdenkingswoorden die over hem gesproken zijn (althans bij mijn weten) weinig naar voren is gekomen. Ik heb dan het oog op de wijze waarop hij met zijn ziek zijn en met zijn aftakeling is omgegaan. Dat hij dat gedaan heeft op een manier die een bemoediging inhoudt voor allen die net als hij hun eigen afbraak onder ogen moeten zien. Hoe heeft hij dat dan gedaan?

Wel, moedig – dat is de samenvattende term die ik ervoor wil gebruiken.
Zo vaak heb ik hem de laatste jaren bewonderd om de moed waarmee hij met zijn deplorabele lichamelijke toestand voor de dag durfde komen.
Daarin is hij voor velen, ouderen en ook jongeren, die met lichamelijke neergang te kampen hebben tot een voorbeeld geweest.

We hebben in dit korte ogenblik een stukje uit het evangelie gelezen. Van Jezus die twee zieken geneest: het dochtertje van Jaïrus en de vrouw die Hij tussendoor hielp. We gaan het over het geheel van dit verhaal vanmiddag niet hebben. Ik heb er eigenlijk maar een klein onderdeeltje van nodig, een kleine bijzonderheid die je gemakkelijk over het hoofd ziet. Van de vrouw over wie verteld wordt dat zij de Here Jezus van achteren aanraakte om van haar kwaal te genezen, zegt Lucas dat ze zag dat ze niet verborgen kon blijven.
Dat was namelijk wat ze gewild had en waarom ze zo stiekem Jezus’ mantel had vastgegrepen. Ze wilde verborgen blijven, ze durfde niet met haar ziekte voor de dag te komen, ze schaamde zich.

Hoe herkenbaar is dat! Ook wij willen met onze lichamelijke gebreken en afwijkingen niet gezien worden. Wij schamen ons. Hoe komt dat? Wel, wij leggen onszelf de norm aan dat we normaal moeten zijn. En vooral als wij normaal geweest zijn en een ziekte of ongeluk heeft daarin verandering gebracht of er zelfs een einde aan gemaakt, hebben wij de neiging dat te verhullen en zelfs onszelf te verbergen. We durven de straat niet meer op. Laat staan dat wij ons nog willen blootstellen aan het camera-geweld van de media.
Prins Claus was in zijn goede dagen meer dan normaal of doorsnee: een knappe man die er mocht zijn. Het was een lust om naar hem te kijken.

Daar was in zijn nadagen niet veel meer van over. Alle reden, zou je zeggen, om zich maar uit het publieke leven terug te trekken. En toch heeft hij tot het laatst toe de openbaarheid niet geschuwd en is hij zelfs voor de camera niet weggelopen. Als zijn functie dat van hem vroeg liet hij zich zien. Dat heb ik heel sterk van hem gevonden.
Juist als publiek persoon was dat van hem een prestatie.
Daar heeft bij hem, denk ik, een mensvisie achter gezeten. Een bijbelse kijk op ons menselijk bestaan. Het is waar, Prins Claus heeft ons niet verwend met getuigenissen over zijn geloof. Hij is daarin zeer terughoudend geweest.
Misschien wel iets te terughoudend, zoals ik dat in het algemeen van hoog geplaatsten wel vind. Ik heb het dan natuurlijk over mensen van wie wij weten dat ze christen zijn. De terechte beduchtheid woorden te gebruiken die niet door daden gedekt worden is bij hen te overheersend. Maar al heb ik daar een lichte kritiek op - ik geef graag toe dat het altijd veel en veel beter is dan het omgekeerde. Dat mensen de mond vol hebben over God en het geloof, zonder ernaar te doen. Prins Claus is zo’n geloofsdoener geweest, ook op het punt dat ik nu aanroer.

Ik probeer zijn houding en optreden van daaruit te verstaan. Ziekte, gebrek en aftakeling behoren tot het leven zoals dat er na onze val in zonde uitziet.
Niet tot het leven zoals het uit Gods scheppershanden is voortgekomen, maar bij het leven zoals het door ons toedoen beschadigd is. Het leven zoals God het geschapen had was zonder vlek of rimpel. Maar dat is het nu niet meer. Het is in veel opzichten beschadigd en ontluisterd.

Niet maar het leven van deze of gene, maar ons áller leven. Dat wil nu zeggen dat als we daar bij iemand de tekenen van zien, wij niet met de vinger moeten wijzen: hij dus, of zij, nee, we behoren ons dat allemáál aan te trekken.
Zoals wanneer wij een gat in onze knie vallen het niet alleen de knie is die au!
roept maar het hele lichaam. Wij sámen, wij met z’n állen zijn het die de gebrokenheid van ons bestaan dragen, zij het dat de een er op deze wijze, de ander weer op een andere manier kennis mee maakt.

Er is dus geen reden dat we wie ook maar isoleren met zijn ziekte of met zijn kwaal of met zijn gebrek of met zijn afwijking of met zijn aftakeling.
We staan met elkaar op hetzelfde niveau.
Dat is ook de zin van het medelijden.
Medelijden is een woord waar we niet van houden. Hoe komt dat?
Omdat we een niveau-verschil in het leven hebben aangebracht: hier de gezonden en de normalen en daar beneden de ongelukkigen. Medelijden wordt dán een vorm van neerbuigendheid die verschrikkelijk kan irriteren. Maar medelijden is iets moois als we allemaal op dezelfde vloer willen staan. Dan lijden wij met de ander mee, in solidariteit en lotsverbondenheid.
Dit is naar het evangelie gedacht. Die vrouw uit ons verhaal wilde verborgen blijven. Ze voldeed voor haar gevoel niet aan de norm van het normaal zijn.
Ze was bang voor het neerbuigende medelijden van de mensen. De Heiland haalde haar in de openbaarheid. Even denk je als je het leest: Was dat nu niet wreed van Jezus, die vrouw zo uit haar schuilhoek te voorschijn te brengen?
Toch niet, want Jezus bewoog zich van huis uit op haar niveau. Zo was Hij immers in de wereld gekomen, om onze krankheden op zich te nemen en onze smarten te dragen. Jezus kwam uit de hoogte, bij God vandaan, maar Hij deed nooit uit de hoogte. De vrouw ontmoette in Hem niet een mens boven haar, maar de Mensenzoon naast haar.

Ik denk dat dit ook het geheim is achter de waardigheid van onze Prins Claus die hij tot het laatst toe heeft mogen behouden.
Reeds in de dagen dat hij in zijn volle kracht en schoonheid was had hij dat al, dat hij zich bijzonder inleefde in de omstandigheden van de lijdende mens en mensheid. Hij deed als Duitser van geboorte precies het tegenovergestelde van wat ons in de Duitsers van de oorlogstijd zo tegenstond, die immers onderscheidden tussen mensen en Untermenschen.
Hij wist zich met wie ook maar op hetzelfde niveau. Vandaar ook zijn grote populariteit in Afrika, dat misdeelde continent.
En de keerzijde daarvan was dat hij als aftakelende zieke zijn vrijmoedigheid en zijn waardigheid behield.
Zelfs de ruimte voor de humor verloor hij niet. Dat kwam doordat hij zichzelf niet de norm van het normale aanlegde.
Hij wist dat hij als lijdende mens er net zo goed mocht zijn als toen hij sterk was. Hij was daarom niet zielig maar dwong door houding en optreden tot het laatst toe respect af. Dat was het geschenk dat God aan deze nederige mens gegeven heeft. En het is daarom dat ik hem een bemoediging noem voor allen die vanwege het lijden dat hun overkomt de neiging voelen zich voor de openbaarheid te verbergen.
‘Werpt uw vrijmoedigheid niet weg’, roept hij hun toe.

Wij mogen er zijn – dat straalde Prins Claus in de laatste jaren van zijn leven uit. Zo trad hij naar buiten, als vader, als grootvader, als Prins-gemaal en als Prins der Nederlanden. En zo zijn en blijven wij trots op hem, ook in zijn neergang die hij net als iedereen dat zou doen met schrik en ontsteltenis bij zichzelf zal hebben waargenomen.

Deze overdenking van ds H. de Jong is op 11 oktober 2002 geschreven en uitgesproken als weeksluiting in Zorgcentrum ‘De Looborch’ in Zeist. Als Schriftlezing werd gekozen voor Lucas 8 : 40 – 56

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief