Door God uitverkoren, gevormd en geroepen (2)
2002-11-01
De vorige keer hebben we stilgestaan bij wat Dr Klinik in zijn dissertatie heeft weergegeven van de gedachten van de Reformatie over het recht van opstand.- Jaargang 46
- nummer 21
En wé eindigden met deze zin: ‘Deze gedachten hebben meegewerkt om de Prins van Oranje ertoe te brengen zich te verzetten tegen de koning van Spanje, toen deze de calvinistische christenen in de Nederlanden ging vervolgen.’ Daar willen we nu aandacht aan schenken.
Enerzijds dwingt het een diep respect af, dat de prins, ondanks de weigering van Filips II om in te stemmen met een religievrede naar het voorbeeld van Duitsland, tot het laatste toe loyaal is gebleven tegenover Filips II als Heer der Nederlanden, en dus als zijn heer.
Met veel geduld schreef hij verzoek na verzoek aan de koning, daarin konsekwent gedwarsboomd door Granvelle, die als kardinaal streefde naar persoonlijke macht.
Maar anderzijds was de prins zich van meetaf bewust, dat hij als Stadhouder van Holland, Zeeland en Utrecht en als voornaam lid van de Staten eveneens van Godswege geroepen was het volk te beschermen en zich met alle legitieme middelen te verzetten tegen de vervolging om het geloof door Plakkaten en Inquisitie, waarmee het volk al zwaarder werd geteisterd.
Motieven
In dit verband is de vraag nog altijd actueel, wat de voornaamste motieven waren voor het verzet in de Nederlanden.
Waren dat politieke redenen, met name de afkeer van het vorstenabsolutisme, waarnaar de koning streefde en waardoor de invloed van de adel al verder werd afgekalfd, en het verzet tegen de centralistische politiek van Filips II? Of was de belangrijkste beweegreden het protest tegen de godsdienstdwang in de plakkaten en de dreigende inquisitie naar spaans model?
De bekende historicus Fruin neigt tot het eerste.
Dr. Klink laat uit de vele brieven van de prins en uit zijn verdedigingsgeschriften overtuigend zien, dat die twee beweegredenen, althans bij de prins van Oranje, niet los van elkaar maar in onderlinge verbondenheid de prins bewogen hebben tot het verzet tegen de religie-politiek van de koning en van zijn handlanger kardinaal Granvelle.
Aanvankelijk dacht de prins niet aan gewapend verzet. Hij bleef langs diplomatieke weg met bewonderenswaardig veel geduld streven naar een vergelijk met de koning en wilde hem trouw en gehoorzaam blijven. Maar toen na 1566 de druk op de Nederlanden almeer ging toenemen, is de prins door een uitvoerige correspondentie almeer steun gaan zoeken bij de protestantse vorsten in Duitsland.
Dezen stelden hem echter teleur met als gevolg, dat hij almeer contact ging zoeken met de calvinisten.
Toen de hulp uit Duistland en Frankrijk uitbleef en vooral, toen Filips in 1568 de wrede hertog van Alva naar de Nederlanden zond, zag Oranje geen andere uitweg meer dan gewapend verzet.
Anders
De opstand van de Prins en van de calvinisten in de Nederlanden tegen Filips II was principieel anders dan die van de Franse Revolutie. De laatste was een volksopstand, geïnspireerd door de profeten van de volkssoevereiniteit en van het beginsel van ‘ni dieu ni maitre’.
De eerste daarentegen ging om de vrijheid God te mogen dienen naar Zijn Woord en was ten diepste gehoorzaamheid aan God (Hand.5:29). Het recht van verzet ligt, naar de overtuiging van de Reformatie, verankerd in het feit, dat de lagere overheden van Godswege geroepen zijn de vrijheden en de rechten van het volk, die zijn neergelegd in de privileges, te verdedigen en te beschermen tegen een overheid, die deze vertrapt. En de Prins van Oranje is dat al sterker gaan zien als zijn roeping van Godswege. En daar heeft hij goed en bloed voor opgeofferd.
Dit heeft hij zelf uitgesproken in 1573 in die bekende woorden: ‘dat wij, eer wij ooit deze zaak en de bescherming der christenen en der andere verdrukten in dit land aangevangen hebben, met de opperste Potentaat der Potentaten zulk een vast verbond hebben gemaakt, dat wij en al degenen, die daarop vertrouwen, door Zijn geweldige en machtige hand tenslotte nog ontzet zullen worden.’
Medelijden
Wat hem ten diepste heeft bewogen, was zijn christelijk medelijden met de arme verdrukte bevolking in de Nederlanden.
Uit zijn brieven, maar vooral uit zijn verdedigingsgeschriften (met name vooral in de ‘Printische Entschuldigung’ van 1568 en in de ‘Apologie’ van 1581) krijgen we een imponerend beeld van de persoon van de prins.
Uit deze dissertatie heb ik begrepen, dat de publicatie van de Printzische Entschuldigung, in extenso opgenomen in deze dissertatie, van groot belang is voor de juiste kennis van de beweegredenen van de prins.
Op de Dillenburg in Duitsland opgevoed in de lutherse leer was hij van aard en afkomst tolerant, vredelievend en wars van alle godsdienstdwang.
Meermalen heeft Hij de koning voorgehouden, dat ketters niet door geweld maar alleen door innerlijke overtuiging tot bekering gebracht kunnen worden.
In zijn Apologie van 1581 verklaart de prins, dat hij in de zomer van 1559 een gesprek had met de koning van Frankrijk tijdens een jachtpartij, dat beslissend is geweest voor zijn verdere leven. In dat gesprek deelde de franse koning hem in vertrouwen mee, dat Filips II vast besloten was om in de Nederlanden de ketterij uit te roeien. Hij zegt daar zelf van, ’dat ik toen een grote mate van medelijden voelde met zoveel mensen van eer, die aan de dood overgeleverd waren.’ En tenslotte, uit het resumé van het boek neem ik deze woorden over: ‘De prins heeft de strijd aangebonden uit ‘christelijk medelijden’ met de bevol king der Nederlanden, tot behoud van de ware religie, die heilzaam is voor het land en tot behoud van het vaderland.
Dat het medelijden ingegeven werd door christelijk erbarmen blijkt uit de propagandageschriften van 1568 en uit meerdere latere brieven, maar vooral uit de laatste woorden van de prins waarmee hij zich tot God richt: ‘Mon Dieu, ayez pitiê de moi et de ton pauvre peuple.’ Bij het lezen van dit mooie en boeiende boek kwamen mij meermalen in gedachten de woorden van het Wilhelmus: ‘den koning van Hispanje heb ik altijd geëerd’, Maar ook: ‘Dat ik toch vroom mag blijven, uw dienaar ‘t aller stond, de tirannie verdrijven die mij mijn hart doorwondt.’ Ook in het licht van deze studie geeft het Wilhelmus een authentiek beeld van de Vader des Vaderlands.