Een lesje in bescheidenheid

2002-11-15
  • Jaargang 46
  • nummer 22
‘Hoe kostelijk zijn mij uw gedachten, o God, hoe overweldigend is hun getal. Wilde ik ze tellen, zij zijn talrijker dan het zand…’ (Psalm 139 : 17/18)

Een enkele maal kom je het in het Psalmboek tegen, dat de gedachten van God in een getal uit te drukken zouden zijn. Dat klinkt vreemd. Deze benadering is ons niet vertrouwd, wij kennen niet de neiging of de behoefte om gedachten te gaan tellen.
Komen gedachten, zeker als ze van God zijn, niet voor een edeler en eervoller behandeling in aanmerking dan die van het simpele tellen? Voor ons besef zijn gedachten eigenlijk niet los verkrijgbaar. En dat is toch de suggestie die van tellen uitgaat. Gedachten maken deel uit van een systeem, van een stelsel waarin ze tot een eenheid bij elkaar gezet zijn (zoals het woord systeem ook suggereert). Achter het meervoud (gedachten) zoek je naar het enkelvoud (gedachte). Toch?

Nu weet ik wel, naar het taaleigen van de bijbel staat het woord ‘gedachte’ ook wel voor de gerealiseerde gedachte, de in daden omgezette gedachte. Op de Here God toegepast slaat het dan op de wonderen die Hij doet. Zo heet het in Psalm 40 : 6: ‘Talrijk hebt Gij gemaakt, o HERE mijn God, uw wonderen en uw gedachten jegens ons; niets is bij U te vergelijken. Wilde ik ze vermelden en uitspreken, te talrijk zijn ze om te noemen’.
Hier zijn de gedachten van God inderdaad de gerealiseerde gedachten en staan ze met de genoemde wonderen op één lijn. En die wonderen zijn, precies als de zegeningen in het bekende versje, één voor één te tellen.
Je kunt dat spreken over gedachten, terwijl in werkelijkheid de in daden omgezette gedachten bedoeld zijn, vergelijken met waar ik eerder in ons blad eens op wees, dat als in Psalm 22 : 4 gezegd wordt dat de Here God troont op de lofzangen van Israël, het niet de bedoeling is de voorstelling op te roepen van Gods troon die gevestigd is op ons zingen (waardoor hij wel erg wankel zou staan), maar op Gods eigen heilswerk dat door ons bezongen wordt.
Gerealiseerde lofzang, om zo te zeggen.
Toch blijft het een eigenaardige zegswijze dat Gods gedachten talrijk zijn.
Je zou eerder verwachten dat er iets qualitatiefs dan iets quantitatiefs over het denken van God gezegd werd, meer iets over de hoedanigheid dan over de hoeveelheid daarvan. ‘Zeer diep zijn uw gedachten’ (Psalm 92 : 6b), bijvoorbeeld, dat staat ons aan, in die diepte verdiepen wij ons graag. Terwijl het op ons een wat oppervlakkige indruk maakt als in Psalm 139 : 17 (St. Vert.) van Gods gedachten gezegd wordt dat ‘hare sommen machtig vele zijn’.
Sommen? Je gaat van Gods gedachten toch geen optelsommen maken? Zoals kinderen soms op een regenachtige middag lijsten aanleggen van de autonummers die langs komen? Eren wij God daarmee wel voldoende? Nu, dat zou nog wel eens mee kunnen vallen. Er spreekt namelijk uit dat tellen een besef van menselijke kleinheid. Verre van Gods denken te doorgronden komen we niet verder dan glimpjes ervan opvangen: dit en dat en dat. De spreekwijze waar we het nu over hebben komt dan ook voor in verbanden waarin God lovend om zijn grootheid bewonderd wordt. Gods gedachten: - ‘Wil ik ze tellen, Heer, / ik zie er telkens meer, / ’t gaat boven mijn bereik’ (Psalm 40 : 2 NB).
Bij het nadenken over God en zijn werk zullen wij ons er vaak mee moeten vergenoegen dat we de dingen onverbonden naast elkaar laten staan, zoals dat bij het tellen van dingen het geval is.
Zijn goddelijke almacht en onze menselijke verantwoordelijkheid, bijvoorbeeld.
Is er iemand die het verband tussen die twee doorziet? Iemand die deze twee zaken in elkaar weet te denken?
Hoe heeft onze Schepper dat toch geregeld!?
We moeten dan met twee woorden spreken: er is dit èn er is dat. En er helpt geen moedertje-lief aan: dat is tellen. Of neem, ander voorbeeld, de drieëenheid van God. Als er toch één zaak van tellen is, dan deze wel.
Hetzelfde valt te zeggen bij de leer van de twee naturen van Christus. Wij die zo graag de dingen in elkaar denken tot één visie en ze systematiseren tot één samenhangende beschouwing, wij moeten bij deze geloofsstukken onze kleinheid belijden, ons onvermogen om de dingen duidelijk en overzichtelijk te krijgen. Dat gaat inderdaad boven ons bereik. Van Klaas Schilder is bekend dat hij zijn dogmatische studies ophing aan de volgorde van de zondagen van de Heidelbergse Catechismus. Hij verdedigde zich daar ook over, het was opzet van hem. Hij durfde het niet aan en zag er bewust vanaf zijn dogmatische overwegingen tot één samenhangend denksysteem te construeren. Zoals trouwens ook, afgezien van zijn aanpak, de dogmatische stof vanouds steeds in loci, in min of meer los naast elkaar staande hoofdstukken, was en wordt ingedeeld. Ook dat was en is tellen.
Natuurlijk mogen we proberen zoveel mogelijk samenhang te zien in het werk dat God doet. Die samenhang is er, dat geloven we. En die laat zich soms ook opmerken. Het is dan ook niet zo vaak dat de Schrift het over dat tellen heeft, niet meer dan een enkele keer: Psalm 40 : 6; 71 : 15 (‘ik ken – van de gerechtigheid Gods – de getallen niet’); 139 : 17 en 18; 147 : 5 (‘zijns verstands is geen getal’; ter vergelijking wordt dan, net als in Jes. 40 : 26, naar het ontelbare sterrenheer verwezen). Daar staan andere getuigenissen naast. Zo zegt Psalm 111 in vers 2: ‘Groot zijn de werken des HEREN, na te speuren door allen die er behagen in scheppen’. Hier heb je het menselijke naspeuren dat voor de liefhebbers onder een belofte staat.
God schaakt met ons mensen en laat ons af en toe een potje winnen. Dat ervaren we in het leven en in het denken is het niet anders. Het systematische heeft dan ook z’n goed recht. Maar laten we, vooral dus bij het denkmatig verwerken van de Schriftinhoud, Gods grootheid niet vergeten! Het eerbiedig en bescheiden tellen van Gods gedachten is daar een gepast middel voor.
Het opsommen, één voor één, zonder dat daar een eind aan komt.
En bedenk: van tellen komt vertellen.
Het verband tussen die twee werkwoorden is niet alleen in het Nederlands maar ook in het Hebreeuws bekend.
Het vertellen is (taalkundig) een intensieve vorm van tellen. Daarmee raken we aan het waarheidsgehalte van de narratieve (= vertellende) theologie die tegenwoordig zo’n grote opgang maakt. Die dekt inderdaad een aspect van de goddelijke Woord-openbaring.
En ook zij is net als het tellen aantrekkelijk vanwege haar bescheidenheid.
Toch, hoe groot de plaats van het vertellen in de bijbel ook is, de Schrift gaat in haar verhalen niet op en kent ook haar uiteenzettende en leerontvouwende gedeeltes. Denk maar aan de brieven van Paulus en die aan de Hebreeën. Daarom moeten we behalve de systematische ook de narratieve theologie uit de grijparmen van de overdrijving redden. Systematisch of narratief, de theologie is in beide gevallen bij bescheidenheid gebaat. De tel-teksten in de bijbel zijn niet talrijk, ze zijn op de vingers van één hand te tellen. Maar ze vervullen wel een functie. Samen geven ze ons een lesje in bescheidenheid.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief