Normen en waarden
2002-11-29
Terug van weggeweest: normen en waarden in de Nederlandse samenleving.- Jaargang 46
- nummer 23
Maar hoe kom je eigenlijk aan normen en waarden? Waar krijg je die?
Moet je daar een cursus voor volgen?
Ach, dat is niet zonder zin, maar onvervangbaar belangrijk voor het aanleren van normen en waarden is: een goede opvoeding. In het Centraal Weekblad van 15 november schrijft de bekende orthopedagoog Wim ter Horst daarover. Ik vat het begin van zijn artikel samen, en neem dan het vervolg bijna geheel over.
Ter Horst onderscheidt, aansluitend bij de verschillende leeftijdsfasen waar een kind doorheen moet op weg naar de volwassenheid, vijf lagen in de opvoeding.
Hij spreekt in dat verband van het ‘pedagogisch quintet’. Daarbij is het niet zo dat de volgende laag in de plaats komt van de vorige, maar ze worden op elkaar gestapeld: ook in een volgende ontwikkelingsfase blijft de vorige laag meedoen.
De eerste laag is die van de bescherming; kinderen moeten zich veilig weten.
De tweede laag, de tweede taak ook van ouders, is: verzorgen; ieder kind moet krijgen wat het in zijn of haar eigenheid nodig heeft.
De derde is het aanleren en automatiseren van gewenst gedrag; ze moeten leren zich aan bepaalde regels te houden.
En dan vervolgt Ter Horst:
Regels zijn maar regels; ze hebben ook iets willekeurigs. Maar toch zweven die regels niet vrij rond in de opvoedingssituatie.
Ze grijpen vooruit op de normen. Dat geldt vanzelfsprekend alleen als onze blikrichting begint bij het kind.
Zes-, zevenjarigen die dus geen kleuters meer zijn maar schoolkinderen, beginnen door al die regels heen te kijken met de vraag wat ze te betekenen hebben.
Ze zijn nu aan normen toe. Een norm is daardoor om te beginnen betekenis; dat wat een kind aanspreekt en waarmee het iets kan doen.
Normen kunnen dus niet worden getraind of overgedragen. Dat is heel essentieel.
Een kind moet er in worden ingeleid. Of het ze zich zal eigen maken, hebben opvoeders niet helemaal in de hand. (Om misverstanden te voorkomen toch maar een voorbeeld: tandenpoetsen voor het naar bed gaan en handen wassen voor het eten, zijn regels; hygiëne is een norm.) Een tweede kenmerk van normen is hun cultureel-sociale functie. Ze geven aan wat de normale ‘life-style’ van een ‘groep’ is. Het zich niet houden aan normen wordt door andere groepsleden dan ook als a-sociaal ervaren, als gebrek aan solidariteit.
Een oorzaak om zich niet aan te passen aan ouderlijke normen, is dat ze uit de tijd zijn. Volgens kinderen is dat vaak het geval. ‘Iedereen mag het!
Niemand hoeft dat nog!’ Dat kan een reden zijn om eens met de kinderen en met andere, geestverwante opvoeders in overleg te gaan, want betekenissen kunnen verschuiven, en met de cultuur kan de functie van sommige normen veranderen.
Verder moet worden gewezen op het solidariteitsconflict waarin kinderen kunnen komen te verkeren als ze lid zijn van twee of meer ‘groepen’ met tegenstrijdige normen. Als thuis samenwerken en inschikkelijkheid normaal zijn, terwijl op de school of in de leeftijdsgroep juist wedijver en ‘kom me niet te na!’ gelden, dan kán zo’n kind met een probleem komen te zitten.
Vaak echter zijn kinderen wel in staat te voldoen aan de normatieve eisen van verschillende groepen en zich zodoende aan te passen aan diverse normenstelsels.
Dat besjoemelen ze dan zo’n beetje - ik heb er geen beter woord voor.
Welke normen ze zichzelf écht eigen maken, is afhankelijk van de vraag in welke ‘groep’ ze naar hun eigen beleving écht tot hun Recht komen. Voor de opvoeding is dit van groot belang omdat normen immers, met de ontwikkeling van het kind mee gezien, vooruit grijpen op waarden.
Kleuters zijn aan regels toe, schoolkinderen aan normen, pubers aan waarden.
Die werden tot dusver in hun leven verpersoonlijkt door de opvoeders. Van het begin af hebben die opzettelijk, maar ook zonder dat ze het zelf wisten, uitgestraald ‘waar ze voor gáán’ in het leven. Als dat verder reikt dan ‘zinnen en Ik’, hebben ze hun kinderen ingewijd in de kleine en grote geheimen die voor hen het leven waard maken om geleefd te worden.
‘Geheimen’ omdat het hier gaat om een besef van iets dat groter is dan ze zelf zijn en dat niet helemaal met het verstand kan worden gefundeerd.
Een voorbeeld: Als betrouwbaarheid een waarde - en dus ‘van waarde’ - is in het leven van een opvoeder, dan komt dat doordat ze er in haar hart ooit iets aan heeft beleefd. Daardoor is er wat met haar gebeurd. Ze zal dat met haar kinderen willen delen door te proberen hen er ook iets aan te laten beleven; door hen er in ‘in te wijden’. Maar dat is vruchteloos als aan de vier andere opvoedingstaken van het pedagogisch quintet onvoldoende aandacht is besteed.
Waarden zijn evenmin als normen in de losse verkoop verkrijgbaar.
De puber zoekt een eigen weg en keert zich om te beginnen van zijn opvoeders af. Hij is vrij om hun waarden te verwerpen of zich toe te eigenen. Maar als hij er niet in is ingewijd, is er niets te verwerpen of toe te eigenen. En als deze vijfde opvoederstaak helemaal is verwaarloosd, is hij evenmin in staat om zelf, gedurende zijn zoektocht door het leven, iets gewaar te worden van dat wat verder reikt dan ‘zinnen en Ik’.
Hij kan dan niet bij zijn hart komen, om een modieuze, maar treffende uitdrukking te gebruiken. () Het zogenaamde ‘herstel van normen en waarden’ dat zelfs op spandoeken van de politiek wordt geëist is niet een kwestie van opléggen, maar van opvóéden.