Over Houten en de Geest
2002-12-13
In dit artikel zal het niet gaan over de fietsvriendelijkheid, waarmee deze Utrechtse plaats terecht faam verworven heeft. Al evenmin wordt de schijnwerper gericht op STAGG, die bekende Nederlands Gereformeerde instelling die in Houten haar hoofdkwartier heeft. Nee, de kop ‘Houten’ verwijst hier naar de beweging voor ‘geestelijke vernieuwing’ die de laatste jaren de nodige aandacht getrokken heeft en waarop ds Dick Westerkamp in het vorige nummer van Opbouw nog eens de aandacht vestigde.- Jaargang 46
- nummer 24
De TSB, het ND en de oproep van mevrouw Roots
In Opbouw is daarover al het nodige over geschreven, onder andere dit voorjaar nog. Wat ik daaraan heb toe te voegen? Op dit moment twee dingen.
Het ene is, dat ik iets wil doorgeven van de wijze waarop we dit jaar binnen de TSB met dit onderwerp bezig zijn geweest. Aan de hand van het thema ‘geestelijke groei’ voerden we een klein stukje van het levendige gesprek dat Houten heeft losgemaakt.
Het andere is, dat ik geïntrigeerd werd door enkele uitspraken in een interview met ds Westerkamp in het Nederlands Dagblad van 15 oktober j.l. De desbetreffende redacteur schrijft daarin: ‘De Nederlands Gereformeerde Kerk in Houten heeft een stap buiten de eigen traditie gezet.’ En even later, over ds Westerkamp: ‘Hij erkent dat er een wissel wordt genomen.’ Dat maakt mij nieuwsgierig: hoe zal dit verder gaan? Ontwikkelt NGK-Houten zich gaandeweg tot een evangelische gemeente? Of zit er in de gereformeerde traditie genoeg ‘rek’ om charismatische invloeden te integreren? In dit verband is ook het slot van het artikel van mevrouw Maria Roots in Opbouw van 19 april interessant. In mijn woorden: zij roept er toe op, recht te doen aan onze ‘gereformeerde identiteit’, vanuit (nu citeer ik) ‘dankbaarheid voor het culturele erfgoed in de Gereformeerde Kerken. Zeker met betrekking tot het werk van de Heilige Geest.’ Het is aan Houten om te zeggen wat men daar met deze oproep doet. Ik voor mij stel de vraag: in hoeverre hebben wij aan onze gereformeerde identiteit vast te houden? Is dat wenselijk, of zelfs nodig, om kerk van Christus te zijn in deze tijd? Of sluiten wij ons juist af voor het werk van de Geest, wanneer wij ons terugtrekken achter de veilige muren van onze traditie?
Laat mij met dit vragencomplex beginnen. In een volgend artikel hoop ik dan iets te doen met de TSB-bezinning op het thema ‘geestelijke groei’.
Bidden
Het gaat Houten om geestelijke vernieuwing. Dat maakt het bijna onmogelijk om afstandelijk commentaar te leveren. Want hier worden dingen aan de orde gesteld waarover je niet maar een mening kunt hebben, maar waarnaar je kunt hunkeren. Ds Westerkamp stelt in Opbouw van 29 november j.l. de vraag: ‘Kunnen kerken plaatsen zijn waar mensen worden bemoedigd en enthousiast worden voor God en zijn Rijk? Waar iets aanstekelijks vanuit gaat?’ Wat mij betreft: ik herken het verlangen dat uit deze vragen spreekt. Evenzeer herken ik de behoefte aan persoonlijke vernieuwing, doordat ik nog zo vaak opbots tegen mijn oude mens. En dat die vernieuwing van de Geest moet komen staat voor mij als een paal boven water, omdat ik er intussen wel achter gekomen ben dat van het vlees niets goeds te verwachten valt. Dat Houten veel nadruk legt op het gebed, kan ik dan ook alleen maar verwelkomen. Want wat is bidden anders dan met die hunkering naar God gaan? Veni Creator Spiritus – Kom, Schepper, Geest. Nu is het één ding om de noodzaak van het gebed in te zien. Het is iets anders om ook metterdaad binnen het persoonlijk en kerkelijk leven een belangrijke plaats voor het gebed in te ruimen.
Op dat punt ervaar ik binnen onze eigen traditie een zekere verlegenheid.
Zoals ik het gereformeerde leven ken, is het in de praktijk sterker in vergaderen en argumenteren dan in bidden. Daarom treft het mij wanneer mensen de kunst verstaan om soepel en natuurlijk de overgang te maken van het beraadslagen en converseren naar het bidden. Ik vroeg eens aan zo iemand: ‘Waar heb je dat nou geleerd?’ Het antwoord was: ‘Daar en daar, en ook wel: in Houten.’ Fijn vind ik dat.
Ik hoop dat Houten daarin voor velen zegenrijk zal werken.
Absoluut noodzakelijk?
Intussen is daarmee nog niet alles gezegd over deze beweging voor ‘geestelijke vernieuwing’. Het specifieke van Houten is, dat het die vernieuwing langs charismatische weg wil bereiken.
Concreet: men kent een belangrijke functie toe aan de ‘buitengewone’ gaven van de Geest, zoals genezing, profetie en tongentaal (ND 15 oktober j.l.).
Op een conferentie in Helvoirt sprak Bruce Collins daarover. Volgens het verslag in de krant acht hij het een gemis dat bepaalde gaven van de Geest, zoals profetie en tongentaal, zijn ondergesneeuwd.
Sterker nog: ‘Ik denk dat het voor een kerk absoluut noodzakelijk is om die tekenen te hebben.’ (ND 17 oktober j.l.) Dat nu lijkt mij voor tegenspraak vatbaar. Want zo’n uitspraak – ik ga er even van uit dat de krant hier de heer Collins juist geciteerd heeft – veronderstelt dat de kerk niet zonder charismatische verschijnselen als profetie en tongentaal kan. Ofwel: het komt pas tot geestelijke vernieuwing als er charismatische vernieuwing plaats vindt. Even daargelaten of Houten dit zo voor zijn rekening neemt – ik waag het om drie redenen te betwijfelen.
In de eerste plaats krijg ik niet de indruk dat het Nieuwe Testament de ‘buitengewone gaven’ van de Geest ‘absoluut noodzakelijk’ acht voor de kerk. Zo oogt de kerk die in de zgn. ‘pastorale brieven’ naar voren komt veel minder charismatisch dan bijvoorbeeld de gemeente waaraan Paulus zijn I en II Corinthiërs geschreven heeft.
Zeker, ook in I en II Timotheüs duikt het woord ‘charisma’ op (I Tim. 4:14; II Tim.1:6), maar merkwaardigerwijze alleen met betrekking tot Paulus’ pupil Timotheus, en niet met het oog op heel de gemeente.
Onmiskenbaar verschuift het accent in deze brieven van het ‘buitengewone’ naar het ‘gewone’, van het extatische naar het ambtelijke en institutionele.
Tegelijk zijn ze doortrokken van het besef dat de vroomheid nieuwe impulsen behoeft. Karakteristiek is de oproep tot ‘oefening in de godsvrucht’, I Tim.4:7. Uit deze brieven krijg ik dan ook de indruk, dat wel degelijk geestelijke vernieuwing beoogd wordt, maar dat die niet per se charismatisch van aard hoeft te zijn. Dat wordt door de kerkgeschiedenis bevestigd – mijn tweede argument. Hoezeer is de grote Reformatie van de 16e eeuw een vernieuwingsbeweging geweest, waarin de Geest ontzagwekkend grote dingen heeft gedaan. Over profetie gesproken: is het overdreven om bij een man als Luther aan het formaat en het optreden van een profeet te denken? In elk geval heeft het woord van God toen met uitzonderlijke kracht geklonken.
Toch hebben de ‘buitengewone gaven’ van de Geest daarbij slechts een marginale rol gespeeld. Ze waren niet noodzakelijk voor de geestelijke vernieuwing die zich toen zo indrukwekkend voltrok. In de derde plaats: ik merk in mijn eigen leven dat de buitengewone gaven van de Geest geen harde voorwaarde zijn voor persoonlijke geestelijke vernieuwing. Laat ik het zo mogen zeggen: ik krijg meer en meer de indruk dat de Geest het bij mij op een andere manier doet. De weg van het charismatische lijkt niet bij mijn persoonlijkheid en levensgeschiedenis te passen; Hij heeft voor mij andere pijlen op zijn boog om de diepte van het hart te raken en zo te openen voor de gemeenschap met God. Daardoor ben ik tot nog toe onvoldoende gemotiveerd geraakt om deel te nemen aan de sessies in Houten waarvoor ik ben uitgenodigd.
Vrijheid
Met het bovenstaande is niet gezegd dat wij niet meer te rekenen hebben met de ‘buitengewone gaven’ van de Geest.
Ik ben het met ds Westerkamp eens als hij zegt, ‘dat nergens in de Bijbel staat dat deze gaven van de Geest ophielden te bestaan bij het afronden van het Nieuwe Testament.’ (ND 17 oktober j.l.) De kerkgeschiedenis van de twintigste eeuw heeft dat ook overvloedig duidelijk gemaakt: zeker op wereldschaal is de charismatische beweging van enorme invloed geworden, en heeft zich juist daardoor een ongedachte vernieuwing in de kerk voorgedaan. Zeker, ook ik besef dat daarbij uitwassen en scheefgroei voorkomen. Er is veel kaf onder het koren en de gerichtheid op deze gaven ontaardt helaas niet zelden in een belevings-religie die zich niet meer onder kritiek laat stellen van het Woord dat van buiten komt. En toch – al het water van de zee wast mijns inziens niet weg, dat de Geest grote dingen gedaan heeft en aan het doen is.
Charismatische vernieuwing ten dienste van geestelijke vernieuwing? Ik ben er van overtuigd dat God die weg kan kiezen en voor velen metterdaad kiest. Mijn punt is, dat het niet de enige weg is. Kerken als ‘plaatsen waar mensen worden bemoedigd en enthousiast worden voor Gods Rijk’: die zijn er – God zij dank! - ook waar de ’buitengewone gaven’ van de Geest ontbreken.
Zo gezien zit er toch een waarheidsmoment in die oude gereformeerde leus, dat die bijzondere gaven niet voor alle tijden zijn. Mij dunkt: daarmee is, hoe gebrekkig ook, de waar heid aangeduid dat God vrij is en blijft in de keus van zijn middelen. ‘De Geest deelt toe gelijk Hij wil,’ zegt Paulus in I Corinthiers 12:11. Dat slaat op de verscheidenheid van gaven, maar zou het (daarom) ook niet slaan op de verscheidenheid van wegen naar geestelijke vernieuwing? Gods vrijheid is hier in het geding. Om die reden lijkt het me terecht, dat mevrouw Roots in haar artikel waarschuwt voor manipulatie (Opbouw van 19 april 2002).
Inderdaad: respectering van Gods vrijheid betekent concreet, dat je ook maar de schijn vermijdt Hem te willen dwingen, en duidelijk maakt dat wij over de toedeling van gaven niet kunnen beschikken. Let wel: daarmee zeg ik niets over de feitelijke situatie in Houten.
Hoe zou ik ook: ik ben er immers nooit geweest. Ik constateer alleen maar dat het goed is, om niet alleen enthousiasme voor de nieuw gedane ontdekking uit te stralen, maar ook diepe eerbied voor Gods vrijheid om andere wegen met kerken en mensen te gaan.
Claimen
Vrijheid, daar draait het om: vrijheid bij God, en dan ook vrijheid bij mensen.
Want als het God vrij staat om geestelijke vernieuwing te bewerken buiten de ‘bijzondere gaven’ van de Geest om, dan is het vervolgens ook een zaak van christelijke vrijheid om die gaven niet te claimen of voor te schrijven. Het werkt heel be-vrij-dend om voor jezelf door te krijgen: ‘Ik hoef niet per se van God die weg te gaan!
Er is niks mis met mij als ik niet in tongen kan spreken!’ Teveel christenen hebben zich laten aanpraten dat ze iets essentieel christelijks missen als ze deze wissel niet nemen.Ten onrechte!
Laten ook die christenen, die voor zichzelf onder de bekoring van het charismatische zijn gekomen, zich ervoor hoeden hun medechristenen met dat gevoel op te zadelen ‘dat het eigenlijk zou moeten’. Er moet helemaal niks! Dat is christelijke vrijheid.
Maar ontneem je op deze manier mensen de prikkel niet om de handen uit te strekken naar iets moois? Het zou me niet verbazen als dit accent op ‘vrijheid’ de charismatische vernieuwing juist ten goede komt. Mijn indruk is namelijk, dat juist dat gevoel van ‘het moet eigenlijk’ ertoe heeft geleid dat mensen zichzelf geestelijk gingen opfokken en er zo naast grepen. Want laten we wel wezen: het is niet zo heel erg moeilijk om jezelf tot extase op te zwepen of te laten opzwepen. De menselijke geest is tot veel in staat.
Maar of je daarmee de Heilige Geest bemachtigt?? Als ik het Nieuwe Testament goed begrijp, vindt charismatische vernieuwing niet zozeer plaats doordat wij de Geest grijpen, maar doordat Hij ons grijpt. Daarom zou juist de christelijke vrijheid, waarin een mens voor God gaat staan in het zalige weten dat er ‘niks hoeft’, wel eens de weg kunnen vrijmaken voor onvermoede gaven van de Geest. Het woord ‘charisma = genadegave’ zegt het al: we leven ook wat dit betreft niet onder de wet (‘Het moet! Het is absoluut noodzakelijk!’) maar onder de genade (‘Het hoeft niet! Laat God in zijn vrijheid maar beslissen wat Hij jou wil geven.’).
Onopgeefbaar
Ongemerkt is daarmee een deel van een antwoord gegeven op de vraag, of die twee tradities, de ‘gereformeerde’ en de ‘charismatische’, samen kunnen gaan. Want als er nu iets gereformeerd is, dan wel het aandacht vragen voor deze thema’s: de vrijheid van God; de christelijke vrijheid; het leven onder de genade. Hier raken we naar mijn gevoel het hart van onze (Nederlands) Gereformeerde identiteit. Ik zeg er meteen bij, dat je niet met deze thema’s kunt volstaan om die identiteit te bepalen. Daar hoort zeker ook de overtuiging bij, dat God zelf tot ons spreekt door de Heilige Schrift en dat de Geest zich aan dat Woord bindt.
Daarom zal er pas dan een afdoend antwoord kunnen worden gegeven op de vraag hoe ‘gereformeerd’ en ’charismatisch’ zich tot elkaar verhouden, wanneer diep wordt ingegaan op de verhouding van Woord en Geest.
De oplettende lezer zal hebben gemerkt, dat ik daaraan in deze regels hoegenaamd ben voorbij gegaan.
Daarom pretendeer ik slechts dat ik met een deel van een antwoord op de proppen kom. Welnu, voor dat deelantwoord verwijs ik naar Gods soevereiniteit, de christelijke vrijheid en het leven onder de genade. Op het moment dat met betrekking tot de charismata daaraan tekort wordt gedaan, geven we dingen prijs die onopgeefbaar zijn.
Dat prijsgeven kan in dit verband op twee manieren gebeuren. Aan de ene kant zou het gebeuren, wanneer we broeders en zusters het recht zouden ontzeggen om langs charismatische weg tot geestelijke vernieuwing te komen. Alsof God niet soeverein ook in deze tijd zijn onvermoede gaven zou kunnen uitdelen! Alsof de christelijke vrijheid niet behelst, dat de ruimte voor de Geest die het Woord geeft door niemand mag worden ingeperkt!
Alsof leven onder de genade niet ook betekent, dat je ootmoedig openstaat voor het geschenk van bijzondere werkingen van de Geest! Aan de andere kant zouden we dat onopgeefbare kwijtraken, wanneer we met het oog op geestelijke vernieuwing de kerken er meer of minder toe zouden pressen de charismatische kant op te gaan.
Alsof God in zijn soevereiniteit ook in deze tijd gemeentes niet tot bloei zou willen en kunnen brengen zonder de bijzondere gaven van de Geest! Alsof het niet tot de christelijke vrijheid behoort, om langs de klassiek gereformeerde weg de Heer te dienen en te verwachten! Alsof het leven onder de genade niet verlost van de druk om toch vooral ‘geestelijk’ te leven!
Nog eens: ik heb nadrukkelijk niet willen zeggen dat de ene dan wel de andere ‘grensoverschrijding’ metterdaad heeft plaatsgevonden. Ik heb alleen willen duidelijk maken dat ze mijns inziens niet mag plaatsvinden.
Laat mij daarom dit artikel eindigen met de treffende formulering, die in de Preambule van ons Akkoord van kerkelijk samenleven is gewijd aan de inrichting van ons kerkelijk leven: ‘niet in tirannieke eenheidsdwang, maar in de vrijheid van Christus, in de eenheid van de Geest van God, die samenbindt in gehoorzaamheid aan zijn gebod, in liefde tot God en de naaste.’
Dr A. van der Dussen is predikant van de Nederlands Gereformeerde Kerk van Eindhoven.
Deze gemeente heeft hem voor een deel vrijgesteld voor zijn werk als studiebegeleider van de Theologische Studiebegeleiding.
Dat werk doet dr Van der Dussen samen met de predikanten drs J. Dekker (Amstelveen) en drs J.C. Schaeffer (Nunspeet). De Theologische Studiebegeleiding is opgezet vanuit de Nederlands Gereformeerde Kerken en is bedoeld voor alle studenten die aan verschillende universiteiten en scholen theologie studeren.