God met ons, en met hen
2002-12-13
Tegenwind en natte, plakkerige sneeuw.- Jaargang 46
- nummer 24
De straten worden groezelig, en een papje van water en welvaartsstof spat onder mijn voorwiel vandaan op broek en schoenen. Het is nog donker om negen uur in de ochtend. Op het dak van een groothandel gloeit een vrolijk zwaaiende kerstman van lampjes. Wat doet die hier eigenlijk? Heeft hij ooit een verblijfsvergunning gekregen?
Tegen de ramen van een verpakkingshandel is spuit-sneeuw gespoten. Aan de binnenkant! Van binnenuit zou je denken dat er buiten zo'n zacht wit tapijt ligt dat knerpt onder je voeten en dat de wereld wonderlijk stil maakt.
Nep! Vanzelf gaat in mijn hoofd een bandje aan met muziek die bijna overal in winkels klinkt: 'vrede op aarde' en 'ik wens je alle goeds' en zelfs ' de messias is geboren', maar het betekent ‘Koop, koop! Vul je huis en je buik en je verlangen met mijn spullen en je zult even vergeten wat je mist: vrede in je gedachten, mensen die van je houden en een messias die je onvermogen en je slechtheid ziet en je er niet om veroordeelt maar je een alternatief aanbied.’
‘Hou op Hanna.’ zeg ik tegen mezelf. ‘Cynisme en gemopper, dat hoef je de gedetineerden niet te bieden, dat hebben ze genoeg. Ga jij maar bedenken wat je er tegenover kunt zetten hè, en wat kerst echt is. Dat is jóuw werk, dominee.’ Ik knik deemoedig. Ik heb gelijk. ‘Het komt omdat ik me zo nattig en koud voel en het ziet er allemaal zo triest uit.’ De andere stem in me humt geruststellend. Zo fiets ik nog een eindje met mezelf verder, naar de gevangenis, die ook helemaal versierd lijkt... met prikkeldraad. Lampen zijn er ook, van die grote, maar geen spuitsneeuw tegen de ramen.
Bomen doen
‘Hallo!’ tegen de mensen bij de voorportier, inloggen met mijn pasje, tas door de scan, ikzelf door het poortje dat metaal zoekt (geen gepiep), deuren door die open klikken als ik mijn pasje tegen een doos houdt, pasje tegen de scan van de sleutelkastjes: ‘klik’ mijn kastje springt open en ik haal de sleutelbos en pieper eruit.
Weer deuren, de een met het pasje, de ander met een sleutel en ik loop Herman, de katholieke collega, in de armen die onmiddellijk roept ‘Ha Hanna, ik liep al naar je uit te kijken! Zullen we samen de bomen gaan doen?’ Mijn mond valt open. ‘Bomen?’ ‘Kom mee.’ zegt hij geheimzinnig. ‘We hebben voor elke afdeling een boom.’ Ik weet van niks. Ik ben nieuw. Ik volg Herman naar het kopieerhok. Op de kast liggen lange smalle dozen. Er zitten bomen in. Je trekt aan een touwtje en, floep, een kerstboom met brede takken. ‘Wat jammer dat de ballen en lichtjes niet meteen mee uitfloepen', zeg ik. ’Ja, misschien zou dat ook nog kunnen.’ zegt Herman peinzend, ziet dan mijn blik, fronst zijn wenkbrauwen en richt zich in zijn volle lengte op (hij is een boom van een kerel) ’Lieve Hanna... (Nou krijg je het, ik kijk alvast schuldbewust) jij mag eens proberen een echte spar door de scan te krijgen ja? Maar voor de kerstdienst krijgen we wel echt groen en bloemen is dat goed? En de ballen en de slingers zijn echt namaakzilver en namaakglas.’
Glittergedoe
Als we met een boom onder de arm en behangen met glittergedoe op de H-vleugel arriveren, schiet Wesly,- die daar staat te dweilen, in de lach. ‘O wee als er naalden afvallen!’ dreigt hij. ‘Zolang jij er geen kogels doorheen schie-t, zal het wel goed gaan.
Deze naalden zijn niet zo afvallerig.’ zeg ik. ‘Iemand zin om de boom op te tuigen?’ brult Wesly door de hoge weidse ruimte van het cellenblok naar de mannen die beneden op 'het vlak' zitten in hun 'vrije tijd', of over de balustrade hangen voor hun celdeur.
Zachtjes terzijde naar mij: ‘Als ze het zelf doen laten ze hem ook heel.’ ‘Wie moet er afgetuigd worden?’ roept een stem van de balustrade. Dat was te verwachten.
Thuis
‘Voor mij hoeft zo'n boom niet. Neem dat ding alsjeblieft mee.’ zegt Frits enkele uren later, als ik met acht gedetineerden rond de tafel zit voor de gespreksgroep. ’Het doet me aan thuis denken en daar moet ik even helemaal niet aan denken, helemaal niet met kerst.’ ‘Dat is juist de bedoeling man, het is om te pesten.’ roept Jef ‘ Je hebt het nog niet rot genoeg hier, het is een hotel zeggen ze toch, je moet huilen, smeken op de knieën dat je eruit mag en dan doen ze er nog een paar jaar bij.’ ‘Jef, toe.’ zeg ik. Waarom heb ik dat boze mannetje op mijn groep toegelaten?
Hij luistert nauwelijks naar anderen en heeft maar één thema: ‘Ze, justitie vooral, zijn allemaal slecht, dus ze moeten niet raar opkijken dat hij een beetje moet schieten af en toe om zijn eigen leven en het goede in het algemeen veilig te stellen. Ik krijg wat van hem. Ik voel ook angst. Hij is tot alles in staat. ‘Heer,’ bid ik voor de zoveelste keer van binnen, ‘Waar zit die knul? Hoe hebt U hem bedoeld?
Laat me zien wat U ziet!’ Ik voel alleen maar afkeer als ik hem zo, snoeverig, wiebelend op zijn stoel, zie zitten met een enorme nijlonzak over zijn rastaharen.
Het gesprek laveert tussen interrupties van Jef door. Gelukkig komt Sam me te hulp. Hij is net zo donker Van huid als Jef, ook rasta, ook kous op de kop, wat hem voor Jef gezag geeft en hij is verbazend handig in het sturen van het gesprek.
‘Wat is kerst, tell me about it Jef?’ zegt hij. ‘Kerst is op het strand, warm, dansen, muziek, kraampjes, lekker eten, meisje, beetje snuiven, geen hypocriete lui, en dat nederlandse ‘Dit mag niet’ en ‘Kom jij maar mee, je ziet er verdacht zwart uit.’ hij lacht. Gouden hoesjes om vier voortanden. Uit één van de hoesjes is een pistooltje geponst.
Stilte
‘Dat vieze weer is wel lekker.’ zegt John ‘Helemaal geen zin om naar buiten te gaan en ook niet te heet om in slaap te vallen.’ ‘Ja, ik slaap hier zo lekker!’ valt Jef in. Stilte. Is dat alles? Een positieve opmerking! De eerste! We kijken hem allemaal aan. ‘Je slaapt hier lekker?’ vraag ik. ‘Ja, deur op slot, kan niemand in. Goeie mensen om je heen. Ja, dat slaapt lekker.’ Verbeeld ik me het nou of is ineens zijn hele houding veranderd?
Mijn gevoel is omgeslagen. Ik zie een jongen, kwetsbaar, dapper vechtend om te overleven. ’Waar doet het je aan denken?’ vraag ik ‘Waar slaap je nog meer zo lekker?’ Het is een riskante opmerking, die eigenlijk niet past in een groep en Jef kan er raar op reageren, maar hij blijft ernstig en denkt na. Dan haalt hij zijn schouders op.
‘Toen ik vier jaar was moest ik bij m'n moeder weg, die was veel te verslaafd.
Naar me oma, die ging toen dood. De familie door ‘Als je niet lief bent geven we je weg.’ Toen eindelijk mijn pleegmoeder, maar haar man was een rotvent, die dronk en sloeg haar. Maar zij zei ‘Als je het kind slaat loop ik weg.’ Ik zei zelfs een keer ‘Als je mamma slaat loop ik weg.’ Jef grinnikt ‘En toen ik groter was zei ik dat ik hem dood zou schieten, maar hij kneep er tussen uit. Me stiefmoeder heeft kanker nou. Ik bel soms. Is duur hoor!
‘Niet dood gaan voor ik vrij ben’ zeg ik’ Een zuur lachje. Iedereen staart Jef aan. Er zullen meer van zulke verhalen zijn, vanwaar dan die aandacht? Zien zij ook opeens die andere Jef? Mijn ogen hebben zich gevuld met tranen, en dat is ook onverwacht en onverstandig hier. Wat gebeurt er? Ik probeer mezelf te vermannen, denk dan aan mijn gebed en er komen alleen tranen bij. ‘Wat gebeurt er met u dominee?’ vraagt Sam en alle ogen draaien in mijn richting. ‘Idioot!’ denk ik verschrikt ‘Laat me even.’ maar ik heb nu geen keus. ‘Ik stel me een klein ventje voor.’ zeg ik en wrijf met mijn handpalmen snel over mijn ogen. ‘En dat ventje heeft ouders nodig die zeggen: ‘Geweldig dat je er bent. Wat houden we veel van je! En dat ventje is alleen en onveilig en wordt niet lekker ondergestopt.
Ik vind dat vreselijk.’ Jef zit me nu met wijd open ogen aan te kijken, zijn ogen zijn onwaarschijnlijk donker. Pas op nou, geen tranen meer!
Straks worden er meer emotioneel en wie weer wat voor geweld ze in stelling moeten brengen om de stroom verdriet tegen te houden die in al deze stoere kerels kolkt.
‘Jezus, in dat stalletje, die had wel lieve ouders.’ zegt Wim, ‘en een kudde herders.’ zegt een ander ‘en een zwerm engeltjes’ We barsten uit in gelach, de spanning knapt.
Emanel
Emanel’ zegt Wadmir ineens. Stilte nu en we kijken hem aan. ‘Nog eens?’ Wadmirs nederlands is verschrikkelijk.
Hij zit op de groep ook meestal met een verstilde glimlach zijn turkse bij bel te lezen tot er weer iets komt dat hij mee kan maken.. ‘Emanel.’ Hij bladert al. Wijst me een woord aan in Jesaja. ‘O, Emanuel’ daar schiet alleen ik mee op en B die breed grijnst omdat we de taalbarrière weer eens over zijn.
‘God met ons.’ zeg ik ‘Jezus is God met ons. Emanuel in de taal van die tijd.’ ‘Niet klib’ zegt Wadimir met zijn armen en hoofd schud hij nee ‘Niet toen.’ zijn handen wapperen over zijn schouders.
‘Met mij’ met een holle klap slaat hij op zijn borst.’ Met ons.’ een forse slag op de tafel. Wenkbrauwen gaan omhoog. ‘Jaja.’ hoor je denken. Dat denken is blijkbaar in internationale taal want Wadimir verstaat het. Hij glimlacht en steekt een harige wijsvinger op. ‘Ik...twintig jaar in turks gevangnis, in, uit. Politiek. Op straat en hup... in gevangnis. Veel mensen, wapens.’ ‘Wapens, in de gevangenis?’ vraagt iemand. Wadmir heeft alle aandacht ‘Wapens. Schieten! Altijd elke morgen, jij denk: ‘Hé! Ik niet dood!’ hij voelt aan zijn borst. ‘Vijf jaar in gevangnis: jij gaat bijbel lezen (hij zwaait zijn bijbel door de lucht) tien jaar in gevangnis jij christen.’ W zwijgt en kijkt me opgetogen aan. ‘Wat is het verschil?’ vraag ik na even zachtjes ‘Je zit weer vast is God hier bij je?’ Wadmir lacht breeduit en knikt heftig. ‘Hé wacht even, samen delen dan!’ roept iemand.
Wadmir negeert hem. ‘Vesjiel’ ‘Verschil?’ hij knikt ‘Vesjiel: edoel’ ‘Nog eens ‘Edoel’ ‘Een doel?’ neeschudden ‘doelt, edoelt’ ineens daagt het ‘Geduld?’ Dat is het! De anderen kijken. Een toonbeeld van geduld is deze vriendelijke forse harige man. Is hij dat niet altijd geweest? Wadmir lacht, schudt zijn hoofd, slaat lachend -tegen zijn hoofd.
Lees man!’ hij zwaait met zijn verfomfaaide bijbel door de lucht. Ik moet opeens aan die lachende zwaaiende kerstman denken. De tijd is om . Ik ben daas, maak meteen maar een afspraak met Jef die nu niks op te merken heeft en heel graag wil praten, ineens.
Als ik de afdeling afloop roept iemand: ‘Dominee! Mooi boompje. Nou weet ik weer wat kerst is.’ ‘Dat dacht je maar.’ roep ik terug en stap je glazen deur door. Ik zie zijn vragende blik door het dikke glas. Ik zwaai. Het is niet zo gek om even met een vraag te blijven zitten.
Geduld meneer en God met je.