Phoebe en de Geest (1)
2001-02-16
‘God de Vader begrijp ik, God de Zoon kan ik me ook goed voorstellen, maar de Heilige Geest is een wazige schim voor mij’. Ik kwam het ergens tegen in een boek, als een uitspraak van een jongere tijdens een gesprek of catechese. De Geest en wat de Geest doet is voor een doorsnee-catechisant ook ‘vaag’, zo is mijn ervaring. Waarbij het twijfelachtig is of dat voor de ouders, de ouderling of zelfs de predikant van zo’n tiener wezenlijk anders zal zijn. Zelf doe ik, oog in oog met het vage imago van de Geest, graag een greep naar Galaten 5:22,23. Daar waar Paulus schrijft over de vrucht van de Geest: liefde, blijdschap, vrede, geduld, etc. .... Dat brengt het werk van de Geest inderdaad dichterbij, maar alles is met dat ene woord van de apostel zeker niet gezegd.- Jaargang 45
- nummer 4
Drie hoofdstukken
Er is meer. Dat merk je bijvoorbeeld in het boek, dat in de Alpha-cursus gebruikt werd en wordt: ‘Een kwestie van leven’ van de hand van Nicky Gumbel. Het is een levendig geschreven boek, met een mengeling van bijbelse noties en pakkende anekdotes uit het hier en nu. Kijk je de inhoudsopgave door, dan valt op dat maar liefst drie hoofdstukken gaan over het werk van de Geest. Dat heeft op het eerste gezicht wel iets van een overdosering en er is o.a. vanuit vrijgemaakte kring ook kritiek gekomen op die veelheid, die bovendien niet vrij zou zijn van onevenwichtigheden.
Helemaal ongelijk zullen de critici daarin wel niet hebben - b.v. als het gaat over Gumbel’s toch wel grote aandacht voor het spreken in tongen. Maar daarmee ben je nog niet van deze anglicaanse voorganger af. Want hij vraagt toch maar onze aandacht voor de breedte van het werk van de Geest, dat zijns inziens ook anno 2001 aanwijsbaar en ervaarbaar is. En ook als Gumbel het toespitst op de - in onze ogen - toch wel exotisch getinte gaven van de Geest, zoals tongentaal en de gave van genezing, dan prikkelt dat tot verdere bezinning. Laat ik maar beginnen met die toespitsing en twee redenen noemen, waarom deze drie hoofdstukjes van Gumbel me ook in dit opzicht blijven bezighouden.
Voor toen?
Ten eerste loop je aan tegen de bijbelse gegevens. Geeft het Nieuwe Testament - bijvoorbeeld 1 Corinthe 12-14 - aanleiding om te denken, dat het in gaven als tongentaal en genezing gaat om verschijnselen, die specifiek bedoeld zijn geweest voor de apostolische tijd? Dat is toch de gedachte, die we van huis uit hebben meegekregen! Dat het toen nodig was om de muur tussen jood en heiden te slechten (Handelingen 8:17, Samaria; 10:44-47, Caesarea/Cornelius; 19:1-6, Efeze). Toen nodig, maar nu niet meer. Of misschien - als je één lijntje zou mogen doortrekken - dat het nog eens kan opduiken, als de kerk weer op een beslissende grens stuit. Zodat je er niet raar van zou moeten opkijken, wanneer er in Natal ineens een 21e eeuwse Zoeloe in tongen zou gaan spreken. Gewoon om zo’n kraal op het heidendom te veroveren.
Waarbij deze Afrikaanse uitzondering natuurlijk wel de regel bevestigt, dat de Geest zich na de eerste eeuw langs gewonere wegen manifesteert. Gewoner en dus minder ervaarbaar.
Geeft het Nieuwe testament zelf aanleiding om in deze richting te denken, zo was de vraag. Ik vind in de geschriften van Paulus en de anderen weinig of niets in die trant.
En nu?
De tweede reden is de kerkelijke praktijk van het hier en nu. Dan denk ik bijvoorbeeld aan de anglicanen van Holy Trinity Brompton in Londen, de kerk waar het Alpha-werk is begonnen. Gumbel en anderen zijn als voorgangers betrokken geraakt in een charismatische vernieuwingsbeweging van de traditionele anglicaanse kerk.
In die ontwikkeling groeide de openheid voor de niet-gelovige tijdgenoten (vandaar de Alpha-cursus) en kregen ook gaven als het spreken in tongen hun plaats en gebeurden er bijzondere dingen, zoals directe vormen van genezing.
Verder hoorde je van gesprekken, waarin mensen heel duidelijk de leiding van de Geest ervoeren.
Verschijnselen, die in het Nieuwe Testament heel ‘gewoon’ zijn (je leest ook ‘gewoon’ een passage als Handelingen 16:4-10), maar waar we in het hier en nu toch wel van opkijken.
Tijden van crisis
Het is boeiend om naast het voorgaande een kort artikel te leggen, dat ik enige tijd na lezing van Gumbel’s boek tegenkwam in het Nederlands Dagblad. Het was een verslag van een predikanten-conferentie van de Gereformeerde Bond, in januari 1999 gehouden, waar de nieuwtestamenticus Floor sprak over de gaven van de Geest.
Het kopje in het ND van 8-1-1999 was: ‘Floor: misschien komen geestesgaven terug’. Dat thema haakte precies in op datgene wat in Gumbel’s boek ook zo nadrukkelijk speelt. De hoogleraar uit Zuid-Afrika hield het inderdaad voor mogelijk, dat er zich in deze crisisvolle tijd nieuwe, duidelijke manifestaties van de gaven van de Heilige Geest (zoals tongentaal en profetie) zouden kunnen voordoen. Eén van de deelnemers - zo het verslag - was dankbaar dat Floor niet had gezegd dat deze gaven van de Geest alleen bij de eerste christengemeenten voorkwamen. Vergeleken daarmee gaat de deur bij Floor inderdaad iets verder open. Tegelijk roept juist dat kiertje meer vragen op dan de steile gereformeerde aanpak, waarbij de deur gewoon in het slot zat.
Vragen bij de kier
Want een eerste vraag is natuurlijk of onze tijd méér een crisistijd is dan bijvoorbeeld de veertiger en zestiger jaren van de vorige eeuw, toen onze kerken in stukken gingen. En hoe zit het met tijden van crisis, als je het beziet vanuit het persoonlijk leven van mensen of vanuit het wel en wee van de plaatselijke gemeente?
Terwijl dan de grootste vraag nog moet komen, want wat is eigenlijk de reden voor dr. Floor om zulke manifestaties van de gaven van de Geest te binden aan een tijd van crisis. Opnieuw: geeft het Nieuwe Testament aanleiding om in die richting te denken en wat moet je verder met de praktijk van eeuwen? In het verslagje krijg je geen antwoord op deze vragen, maar wat wel opvalt is, dat Floor ook niet één keer over het gereformeerde hek kijkt. Want buiten dat hek (tot in het Londense Trinity Brompton 2001 toe) is er geen eeuw geweest, waarin de Geest zich niet op deze ‘nieuwe, duidelijke’ wijze manifesteerde.
Gelet op de kerk van alle tijden en plaatsen zijn die - voor onsexotische gaven er altijd geweest en in dat opzicht dus helemaal niet nieuw. Nieuw voor ons, dat zou kunnen, omdat we in de gereformeerde sector van de christelijke kerk voor sommige gaven van de Geest nogal gesloten zijn (geweest). En de diepere oorzaken van die geslotenheid zijn het overwegen waard! Is het misschien uit angst of onzekerheid - want hoe houden we het nog een beetje in de hand, als zulke gaven een plek zouden krijgen in onze gemeentes en in ons persoonlijk leven? Of zijn we gesloten uit rationalisme en ongeloof? Of misschien ook wel vanwege de uitwassen, waar Floor in zijn lezing terecht op wees.
Net als Paulus dat trouwens ook al deed in zijn brief aan Corinthe. De uitwassen maken ook voorzichtig, maar misbruik was voor Paulus geen reden om deze gaven maar te mijden. Kortom, prima dat bij dr. Floor die meer exotische gaven van de Geest niet achter slot en grendel van de eerste eeuw gaan. Maar zowel vanuit bijbels perspectief als vanuit de breedkerkelijke praktijk van alle eeuwen is het vervolgens wel de vraag, waarom Floor deze gaven zo nieuw vindt en ze dan ook nog eens zuinigjes bindt aan tijden van crisis.
Retraite
Zulke overwegingen kwamen boven, toen ik vorige maand twee van de vijf dagen bijwoonde van een predikanten-
retraite in Houten. Ik was er samen met overwegend collega’s uit onze kerken, maar toch ook een enkele baptist, SOW-er en vrijgemaakte. De week werd geleid door voorgangers, die in de anglicaanse kerk betrokken zijn bij één van de charismatisch getinte vernieuwingsbewegingen (New Wine). Ik heb de eerste twee dagen con amore kunnen deelnemen en miste helaas de overige drie door ziekte en andere beslommeringen. Maar laat ik iets van die week doorgeven. In de lezingen zat een mix van bijbelse achtergrond en hedendaagse werkelijkheid en die combinatie deed het - net als in Gumbel’s boek - goed.
Het was trouwens ook niet alleen maar lezing en discussie, want er werd tijd genomen voor aanbidding, gebed, stilte, lezing van een kort bijbelfragment en zang. Dit om te groeien in ontvankelijkheid voor Gods werkzame aanwezigheid in het hier en nu en daarvan iets te ervaren.
Ongewende paden
Soms ging dat ook langs - voor mijongewende paden, om het met de woorden van gezang 484 te zeggen.
Op de dinsdagmiddag werd er bijvoorbeeld een kort moment gezongen in tongen. Ik kwam daarbij weliswaar niet verder dan de rol van toehoorder - maar mooi was het wel: licht jiddisch qua klank, met de verschillende stemmen als een harmonieus vlechtwerk. Ook ongebruikelijk voor de meesten van ons was de donderdag, waarop de deelnemende predikanten woorden (of beelden) van bemoediging meekregen, aan ieder persoonlijk gericht. Het ging dan om een woord of beeld, dat bovenkwam bij degene, die deze middag van gebed leidde (of bij één van de anderen van de groep) en vragenderwijs werd voorgelegd aan de betrokkene. In alle openheid en voorzichtigheid, met een element van toetsing, die bij Paulus zo kenmerkend is als hij het heeft over het spreken in tongen of woorden van profetie.
Het opvallende was, dat veel van het aangereikte wonderwel aansloot bij het leven en werk van degene om wie het ging. Verwonderlijk, want de Engelsen waren sowieso onbekend met de levensgang van hun Nederlandse collega’s. Verder zat er ook altijd wel iets in, waar de aangesprokene weer mee verder kon, met soms nieuwe perspectieven.
Zulke momenten geven wel te denken. Zou het kunnen, dat God ons langs deze weg meer duwtjes in de rug, koerscorrecties, openingen naar anderen, bemoediging, etc zou willen geven, maar dat onze ontvankelijkheid voor deze kant van het werk van de Geest van huis uit te gering is. En dat we het misschien ook niet als zodanig herkennen of (durven te) benoemen.
Met wel het aparte gevolg, dat we het doodgewoon vinden om te lezen, dat Paulus door de Geest verhinderd werd om het woord in Asia te spreken (Handelingen 16:6), maar dat we het tegelijk als uiterst ongebruikelijk ervaren als iets dergelijks in het hier en nu gebeurt. Op dat punt zit je dus als bijbellezer in een spagaat tussen het bijbels getuigenis en de gewone werkelijkheid van nu.
Lijntjes en zeilen
Tijdens die twee dagen Houten heb ik zitten zoeken naar verbindingslijntjes met onze eigen traditie. Ik dacht aan ‘Door zijn hand’, een mooi boek van Pieter van Kampen over de leiding van God in je leven. Met ook weer de mix van bijbelse achtergrond en verhalen uit de hedendaagse praktijk. Je komt in het boek het begin van het l’Abri-werk tegen en ook de bijzondere openingsfase van het werk van Redt een Kind.
Daarin zitten onmiskenbaar momenten, waarop je onder de indruk komt van een bijzondere en aanwijsbare leiding van God. Maar ik dacht ook aan een hoofdstuk over de Gereformeerde predikant Schouten. Hij heeft in de vijftiger jaren in Emmeloord gewerkt en was in die tijd collega van de vrijgemaakte ds. C.G.Bos. Van deze ds. Bos vertelde Schouten in Van Kampen’s programma ‘het interview’ eens, dat hij een bijzondere antenne leek te hebben voor wat hij moest zeggen tegen de mensen. Schouten had hem wel eens gevraagd: ‘hoe durf je met zulke dingen bij de mensen aan te komen?’ Waarop ds Bos niet veel verder kwam, dan dat hij in zulke gevallen zelf ook vaak verwonderd was over wat hij zei. Schouten typeerde zijn collega als iemand, die heel dicht bij God leefde, open en ontvankelijk en daardoor - zo vul ik dan maar aan - met een antenne, die meer dan eens door de Geest werd aangeraakt om de dingen zo te zeggen of zus te doen. Ook dat ene moment, dat in het boek genoemd wordt, waarbij Bos ineens tegen zijn collega zei, dat hij bij de Urkervaart moest wezen. Toen hij daar aankwam bleek ook hoe nodig, want er was op die plaats net een kind uit het water gehaald - verdronken.
Het is er dus wel, ook in een stevige gereformeerde setting. Dat werd overigens ook benadrukt door de cursusleiders in Houten. God geeft het, overal waar christenen het Koninkrijk van de Heer zoeken. Vaak werkt de Geest onopgemerkt en daar zit iets moois in. Dat de grond vanzelf vrucht voortbrengt zonder dat een mens weet hoe (Marcus 4:28). Toch is er ook de andere kant, dat als je ogen er voor opengaan en je iets van de werkzaamheid van Gods Geest herkent en ervaart, dat daar sterke bemoediging van uit kan gaan. En misschien gaat er ook wel meer gebeuren, naarmate onze openheid voor het werk van Gods Geest groeit. Ds. Van den Brink kwam in zijn Zwolse zeventiger jaren wel eens met het beeld van het bootje, waarvan het zeil wel gehesen moest worden, wil de wind er goed in kunnen blazen. Een mooi plaatje om dit eerste artikel mee af te sluiten.