Jezus en de VVB

2001-07-20
  • Jaargang 45
  • nummer 15
Mattheüs 17:24-27

24 Toen zij te Kafarnaum kwamen, traden de ontvangers van het hoofdgeld op Petrus toe en zeiden: Betaalt uw Meester het hoofdgeld niet? Hij zeide: Zeker wel.
25 En toen hij thuiskwam, was Jezus hem voor met de vraag: Wat dunkt u, Simon? Van wie heffen aardse koningen rechten of belasting? Van hun zonen of van de vreemden?
26 Toen hij zeide: Van de vreemden, sprak Jezus tot hem: Zo zijn dus de zonen vrij.
27 Maar opdat wij hun geen aanstoot geven, ga gij naar de zee, werp een vishaak uit en de eerste vis, die bovenkomt, grijp die. En wanneer gij zijn bek opendoet, zult gij een zilverstuk vinden. Neem dat en geeft het hun voor Mij en voor u.

Een aanmaning krijg je, als je niet op tijd je belasting betaalt. Jammer van de boete. Maar het is erger, als de penningmeester van de kerk je aan de jas trekt. Heel vriendelijk zegt hij: ik heb je VVB nog niet gekregen.
Dan sta je er gekleurd op. Vergeten, door de drukte, mompel je.
Zoiets maakte Petrus eens mee. Niet wegens eigen nalatigheid, maar door die van zijn meester. De inners van het hoofdgeld schieten hem aan, met een vraag, die veel suggereert: betaalt jullie meester het hoofdgeld niet? Daar kan iets ( misschien wel veel) in liggen van: die rabbi van jullie staat op gespannen voet met de wet van Mozes. Hij heeft totnogtoe niet aan zijn verplichtingen voldaan.
Hoe zit dat nú?
Bij ons heb je de vrijwillige vaste bijdrage, bij Israël was er de verplichte.
In beide gevallen dus de VVB.

Waar kwam deze VVB vandaan?
Mozes had die destijds, op Gods bevel, vastgesteld, als bijdrage voor de tempeldienst (Ex. 30:13).
Het was verplicht voor alle mannen, vanaf twintig jaar, en bedroeg een halve sikkel. Geen bedrag om wakker van te liggen. Het vertegenwoordigde een waarde van ongeveer zes gram zilver. Het was heus niet uit armoede, dat Jezus nog niet betaald had. Petrus zat er erg mee.
Hij kon zich moeilijk voorstellen, dat zijn meester deze bijdrage voor de tempeldienst niet zou betalen.
Maar hoe je het ook keerde of wendde, er was duidelijk niet betaald.

De voorvraag.
Als Petrus bij Jezus komt, is deze hem voor. De discipel krijgt niet de gelegenheid om zijn vraag te stellen.
Jezus steekt af naar de diepte, figuurlijk gesproken. Geen discussie over al of niet willen betalen of het vergeten hebben. Nee, hier is heel iets anders aan de hand. Willens en wetens heeft Jezus niet betaald. Om Petrus iets te leren.
Daar moet je soms wel eens een vreemde weg voor kiezen om iemand iets duidelijk onder ogen te brengen.
Door een prikkelende vraag of een schokkende opmerking.
Het lijkt er veel op, dat de vraag van Jezus weinig of niets met het hoofdgeld te maken heeft. Dat was bestemd voor de tempeldienst van de hoogste Koning.
Hier gaat het over het betalen van belasting aan aardse machthebbers.
Jezus stelt twee mogelijkheden: wie moet betalen: zonen of vreemden?
Het antwoord is niet moeilijk: de vreemden; de zoons zijn vrij. De conclusie ligt voor de hand: belastingvrijdom voor zoons.
Daarmee is de zaak rond.
Petrus hoefde niet meer te vragen: maar wat heeft dat te maken met het betalen van het hoofdgeld?
Het was voor hem meteen duidelijk: Jezus is de zoon van de hemelse Koning en daarom hoeft hij niet te betalen.
Het was nog maar kort geleden, dat hij dit beaamd had. Toen had hij gezegd: U bent de Christus, de Zoon van de levende God.
We kunnen ons afvragen, waarom dit nu op deze manier naar voren moest komen.
Petrus wist dit toch heel goed?
Het laat ons zien, hoe herhaling behoort bij het geloof. Elke zondag weer hetzelfde evangelie.
Weliswaar in een gevarieerde vorm, maar in wezen blijft het gelijk. Het is blijkbaar nodig, dat wij het steeds weer horen. Nu op deze bijzondere manier.

De wonderlijke betaling.
We zouden verwachten, dat Jezus aan Petrus geld geeft om de VVB te betalen.
Hij wil geen aanstoot geven, dat ze denken, dat hij boven de wet staat, ook al heeft hij het recht daartoe.
Ook hier gaat het weer vreemd toe.
Petrus moet het benodigde geld letterlijk opvissen.
Niet met een net, zoals hij gewoon was.
Deze keer moet hij een vishaak gebruiken om één vis te vangen. De eerste is meteen de beste: in zijn bek zal hij een zilver-stuk vinden, met de waarde van een sikkel.
Dat is precies het hoofdgeld, voor Jezus en voor hem.
Wat een eigenaardige omweg!
Het was veel eenvoudiger geweest, als Jezus meteen het geld gegeven had.
Of wil hij een wonder doen, dat opzien baart?
Nee, Jezus heeft met zijn wonderen maar één doel voor ogen: het rijk van God zichtbaar maken.
Is het niet wonderlijk?
Hij weet al van tevoren, dat de eerste vis dat geld in de bek heeft.
Nu zwemmen vissen niet in of met geld.
Hierin zien wij, hoe Jezus over Gods schepping regeert en die in dienst stelt van Gods rijk. Stormwind en dreigend water worden rustig, als hij het gebiedt.
Een vis brengt geld, omdat hij het zo bestuurt.
Hij is de Zoon, die dit alles beheerst.
Dat was de herhaalde les voor Petrus en evenzo voor ons.
Het is absoluut nodig, dat wij het steeds weer horen en het concreet voor ons zien: dat Jezus Gods Zoon is en dat alles Hem onderworpen is.
Zo komt hij steeds weer naar ons toe.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief