Diploma's en tranen
2001-07-20
Mijn vrouw heeft een club vriendinnen en een van hen heeft een warme belangstelling ontwikkeld voor mijn persoonlijk welzijn in alle mogelijke omstandigheden.- Jaargang 45
- nummer 15
Zo vraagt zij mij regelmatig of ik niet verdrietig word door al de vreselijke omstandigheden waarin mijn leerlingen zich kunnen bevinden.
‘Jouw leerlingen hebben zulke zware verhalen, dat gaat toch niet zo maar aan je voorbij.. toch…?’ Hoewel ik weet dat zij gecharmeerd is van huilende mannen, moet ik haar helaas teleurstellen. Verhalen van leerlingen brengen mij niet echt van de leg.
Gelukkig maar, want ik zou voor slechts een enkele leerling iets kunnen betekenen.
Meehuilende volwassenen zijn wel heel weinig hoopgevend.
Meelevende wel.
‘Het is, ‘ zo leg ik onze verontruste vriendin uit, ‘wel zo, dat ik bewogen ben door hun verhalen.’ Jonge mensen die in de ontwikkeling van hun leven gekneusd gebroken, aangerand of verkracht kunnen zijn, raken wel degelijk een gevoelige snaar bij me. Sterker nog, ik voel een missie om deze jonge mensen perspectief te bieden. Gezien het feit dat ik me gezegend weet met enkele talenten die hiervoor gebruikt kunnen worden, doe ik het graag en merk ik dat ik daarvoor kracht krijg. Ik ervaar mijn baan, zo leg ik haar uit, als mijn plek in het Koninkrijk. Onderwijs geven is vanuit dat perspectief maar bijzaak.
‘Maar word je dan niet,’ zo vraagt zij opnieuw bezorgd, ‘onbewust hun therapeut?’
Goede vraag. Ik hoor het vaker en ik stel hem mezelf ook wel eens in specifieke gevallen.
Ik denk dat ik geen therapeut ben. Ik probeer zorgvuldig de grenzen van mijn professie te bewaken en verwijs door daar waar nodig en mogelijk.
Soms blijk ik echter in bepaalde omstandigheden langere tijd een van de weinige vertrouwenspersonen in het leven van een leerling te zijn. Dat schept een band. En aan het einde van zo’n rit eindigt het contact vaak op een natuurlijke wijze. Veel leerlingen maken ook net de sprong van adolescent naar jong volwassene. Toevallig help ik een beetje bij het afzetten. Het springen doen ze zelf.
Nee, echt verdrietig word ik er niet van.
Ook niet cynisch en ook niet hopeloos.
‘Ik moet je iets verklappen’ , zeg ik aan het eind van het gesprek.
‘Eén avond in het jaar ben ik wel jankerig.’ Het einde van de opleiding wordt bepaald met een feestelijke diploma-uitreiking.
En aan het eind van die avond gebeurt het. Na het laatste woord, na het finaal ‘tot ziens’, stapt iedereen op. Ik blijf voorin de zaal staan. Ik kan er niet tegen dat leerlingen in de hal langs me heen lopen en onze school en mijn leven uitlopen zonder iets te zeggen.
Of, bij het toevallig zien van een docent zeggen: ‘O ja, ook ajuus.’ Ik blijf vooraan staan. Ik ben indien gewenst in beeld, Ik kan goedendag gezegd worden. Maar dan moet je wel even komen.
Ze hoeven me niet te bedanken voor mijn hulp en luisterend oor. Ze mogen me wel ‘tot ziens’ wensen.
En al weet ik dat afscheid nemen moeilijk is, al weet ik dat ze maar de helft van mijn leeftijd zijn, al weet ik dat ze het domweg vergeten of lastig vinden… toch is het die enkeling van wie ik het wel verwacht, maar die niet komt, die me zo’n avond, op de fiets naar huis, aan het huilen brengt.
Gisteren was het weer zover.
Honderdtwintig geslaagden die een diploma in ontvangst mochten nemen.
Gisteren ontbrak ik echter op het feest.
Door een akelige ziekte geveld.
Van pijn, vermoeidheid en frustratie snotter ik ’s ochtends al.