Moeders moeten blijven!
2001-07-20
Mijn moeder werd afgelopen week 87; hoewel dat uiteraard geen kroonjaar is, heeft ze daarmee een respectabele leeftijd bereikt. Ze heeft, zoals eigenlijk ieder van die leeftijd, heel wat meegemaakt: de oorlog, de zorg voor ouders, man en kinderen. Voorspoed en verlies, twee kerkscheuringen, en nog veel meer.- Jaargang 45
- nummer 15
Daarom maar eens een verhaal over moeders. Aanleiding is dus de verjaardag van één specifieke (en speciale) vrouw. De meer algemene reden is dat we allen zoveel aan moeders te danken hebben. En ook dat moeders het ons soms ook zo moeilijk kunnen maken.
Negen maanden onderdak
De moeder van de Macedonische wereldveroveraar Alexander de Grote (356-332 v.Chr.) was, volgens de antieke berichten die overgebleven zijn, bepaald geen gemakkelijk mens. Ze was integendeel een hoogst veeleisende vrouw. Waar haar beroemde zoon ook maar bivakkeerde, op tocht naar Klein-Azië, Perzië of India, overal kwamen boden van moeder Olympias hem opzoeken met brieven vol met adviezen of zelfbeklag. Afgunstig als ze was op de metgezellen en strijdmakkers die hem immers in hun onmiddellijke omgeving hadden, belasterde ze de één en maakte negatieve opmerkingen over de ander, soms mét, maar zeker zo vaak zonder veel reden. Alexander bleef constant de oppassende zoon, die van de steden en streken die hij bezocht (en en passant veroverde) kostbare souvenirs stuurde, elke week wel iets, heb ik de indruk. Toen zijn moeder in een overdaad aan geldingsdrang weer eens haar onbedwingbare bemoeizucht, bezitsdrang of jaloezie kenbaar gemaakt had, zou haar (meestal emotioneel gelijkmatige) zoon de gevraagde spullen of informatie per bode hebben meegegeven, maar in een begeleidende brief had hij erbij gezegd: ‘Moeder, ik vind dat u langzamerhand een erg hoge huur vraagt voor de negen maanden dat ik bij u gelogeerd heb!’ Zulke moeders bestaan! Negen maanden hebben zich om jou dik gemaakt, maar vanaf dat moment ben jij hun lijf-eigene, of (minstens zo bedreigend) ziel-eigene (als dat een haalbaar woord is). Het gaat te ver te vermoeden dat Alexander die inspannende veroveringstochten naar het Oosten ondernam om vooral bij z’n ma vandaan te zijn, maar wellicht was ‘t een prettige bijkomstigheid.
(De wonderlijk tere en respectvolle relatie die hij met de moeder van de verslagen Perzische vorst Darius aanging - het is mogelijk dat ze ondanks het grote leeftijdsverschil, zelfs minnaars geweest zijn – toont aan dat je met andermans moeder wel goed contact kan hebben. Maar dat is een ander verhaal) Veel moeders zijn – gelukkig – heel anders dan Olympias. Velen hebben zich op de meest onvoorstelbare wijze weggecijferd. Maar ook ‘bezitsdrang’ komt voor, of argwaan ten opzichte van ieder die bij je zoon of dochter in de buurt komt. Onvermogen of onwil om je kind los te laten.
‘Moederbinding’ kan voor een kind, zelfs al een volwassen geworden kind, een wezenlijke last zijn. Zowel het meest hoogstaande als ook het meest ‘bekrompene’ is soms te zien in de relatie tussen moeders en hun kinderen.
Een 'moeder in Israël'
In de Bijbel komt de term ‘een moeder in Israël’ voor. Die suggereert een rol voor moeders die uitermate hoog is, maar ook een die van moeders veel vraagt. Misschien nog wel het meest: loslaten, als de tijd daartoe gekomen is! Tegelijk kun je je afvragen of, bijbels gezien, je geen ‘moeder in Israël’ kunt zijn, zelfs als je nooit zelf een kind in je schoot gedragen hebt. Die moederfunctie meen ik in de Bijbel namelijk niet alleen aan te treffen bij vrouwen die kinderen hadden. Soms was men al zo’n ‘moeder’ voordat men dat lijfelijk werd. In sommige gevallen kregen zulke vrouwen ook later, tot hun intense verdriet, nooit een kind in de schoot geworpen. Desondanks waren ze volop ‘geestelijke’ moeders, die hun ‘kinderen’ reden te over gegeven heeft zich te verheugen om geborgenheid en mogelijkheden tot ontplooiing die ze uit die relatie ontvingen. Ook vrouwen van die achtergrond betrek ik in dit verhaal dat zich concentreert op Hanna, de moeder van de richter Samuël.
We denken dan na over 1 Samuël 1 en 2. Juist bezitsdrang of het ontbreken ervan zal ons hier bezighouden.
Drie mensen, twee toppen
Het boek 1 Samuël brengt ons in de stad Rama, oftewel ‘Ramathaïm Sofim’, wat zoiets wil zeggen als: ‘de twee toppen van de wachters’. Misschien bestond de stad uit twee herkenbaar verschillende delen. Daar woonde de eerste genoemde hoofdrolspeler, Elkana.
Zijn naam betekent zoiets (begrijp ik) als: ’Hij die God gekocht heeft’.
Een vrome naam dus, die niet perse altijd correspondeert met een vroom karakter. Kennelijk was hij Leviet (zie 1 Kronieken 6:33-34). In dat hoofdstuk komen we Samuëls naam tegen in verband met Levieten. Er blijken echter meer ‘Elkana’s’ in de geslachten der Levieten te vinden (6:22-30); laten we dus voorzichtig zijn met snelle conclusies.
Vermoedelijk was hij een man van aanzien; we horen in elk geval van vier generaties voorgeslacht.
Twijfelachtig leven?
Enkele uitleggers – de een nadrukkelijker en overtuigder dan de ander trouwens - spreken het vermoeden uit dat Elkana, en ook Samuël, uit een heel dubieus geslacht is voortgekomen - dat van Korach, tegenstander van Mozes en Aäron. (zie Numeri 16) In zijn arrogantie vond deze dat geestelijke leiderschap hem en zijn metgezellen net zo goed toekwam als aan Mozes en Aäron, nota bene hun stamgenoten! Korach en de andere ‘pretendenten’ en hun nageslacht hadden het leven verloren; Elkana kan echter van deze man een nakomeling geweest zijn. Zo ja, dan is dat weer een treffende illustratie van Gods latere uitspraak dat de zonen niet voor zonden van de vaders gestraft worden en dat ieder voor zijn eigen zonden aansprakelijk is. (Ezechiël 18) Maar wellicht is de lijn van Elkana naar Korach wat speculatief.
Elkana’s gezin bestaat uit meer leden; hij heeft twee vrouwen (was dat Levieten toegestaan?) Hanna en Peninna zijn er ook nog; ook zij dragen mooie namen, die resp. ‘genade’ (‘God is genadig’?) en ‘koraal’ betekenen.
Ondanks mooie namen was hun gezinsleven een misère, om tenminste twee redenen die nauw met elkaar verbonden zijn. Peninna had een stel kinderen, wat zo contrasteerde met Hanna’s kinderloosheid… Peninna komt op ons over als een harteloos loeder die niet ophoudt haar rivale te tarten! We krijgen in de Bijbel een blik in Hanna’s alomvattende pijn. Dagelijkse schimpscheuten.
Voortdurend pogingen om haar uit het lood te slaan, door haar ‘rivale’, die verkiest rivale te zijn, die aan haar moederschap status ontleent – Kijk toch eens hoe al haar kinderen rond de dis een eigen deel ontvangen, zoals Mozes’ wetgeving al had vastgelegd.
En moet je nu je die Hanna eens zien; Elkana houdt zielsveel van haar, maar veel kinderen heeft het hem niet opgeleverd… - Het blijkt mogelijk te gloriëren in je nageslacht en voorsprong op ‘die ander’ te ervaren, op die ander wier schoot en hart leeg gebleven zijn.
Voorrechten die je kon opeisen, ‘t hoorde bij Peninna’s conceptie van moederschap.
Zoals felle onbarmhartigheid erbij hoorde, onvermurwbaar negativisme t.o.v. degene die er helemaal niet mocht zijn! Nee, Peninna liet haar kinderen niet gaan; ze had ze nodig voor haar status, haar glorie.
Dagelijkse ellende voor Hanna – ondanks Elkana’s troostrijke woorden die hij wel vaak herhalen moest. Altijd misère, maar nooit zo érg als wanneer ze samen feest vierden op de plek waar God woonde. Nergens in Hanna’s geteisterde leven had ze vreselijker en mistroostiger momenten dan tijdens de ‘feesten’ die God zijn volk gunde… Dan was er immers de ‘blije maaltijd met het hele gezin’, met Peninna’s kinderen en alle kinderen die zij niét had… Hoe lang, hoeveel jaar leefde Hanna in een soort ‘depressie’, zoals wij dat nu noemen?
Niet bitter
Wat opvalt is dat Hanna niet bitter wordt, agressief; dat ze niet in woord of daad om zich heen slaat. Daarin lijkt ze op Christus, ‘die als Hij geschol den werd, niet terugschold, en als Hij leed, niet dreigde, maar het overgaf aan Hem die rechtvaardig oordeelt’ (1 Petrus 2:22) Hanna rent niet steeds naar Elkana om te eisen dat Elkana haar rivale de mond snoert of de tanden uit haar gebit slaat! Ze keert steeds meer tot zichzelf in, lijkt het, ze verinnerlijkt.
Ze zoekt haar hulp bij de Here, de God die hemel en aarde gemaakt heeft, en niet laat varen wat zijn hand begonnen is te doen. Bij de God wiens ogen over de hele aarde gaan en die noch sluimert noch slaapt. Maar ‘t raakt haar steeds weer op haar zwakke punt: ze werd ‘bitter bedroefd en weende zeer’. Er komt steeds maar geen oplossing.
In haar klaarblijkelijk biologisch onvermogen toont Hanna een wond die steeds maar niet wil genezen, die haar voortdurend kwetsbaar maakt voor andervrouws kwaadaardheid.
Er gebeurt geen genezingswonder hoewel ze ‘t zo graag wil! Ze gaat echter niet in de tegenaanval. Ze lijkt ook later, als ze wél kinderen heeft, geen oude rekeningen met Peninna te vereffenen.
Waarachtig en waardig
Hanna bidt. Voortdurend. Alleen, in afzondering, bij de anderen vandaan.
Dan keert ze haar hart binnenste buiten en komt alle moeite eruit, onweerstaanbaar.
Ze vraagt wat aan God, een zoon. En ze belooft wat aan God: haar zoon, mocht die ooit komen, zal van Hém wezen.
Door haar waardige houding weet ze bovendien een (ondanks zijn hoge leeftijd) niet al te geslaagde hogepriester tot geestelijker, zegenend, gedrag te brengen. ‘Ga heen in vrede, en de God van Israël zal u geven, wat gij van hem gebeden hebt.’, zijn zijn woorden. ’Doch dat zei hij niet uit zichzelf’, staat er van een latere, hogepriester, die nog een stuk dubieuzer was, ‘maar als hogepriester van dat jaar profeteerde hij’. (Johannes 11:51). De nog nooit zwangere Hanna is al een ‘moeder in Israël’ voordat ze ‘ontvangt’.
Voor haar schoot vol kan raken is haar keel al vol van de lofverheffingen Israëls.
En als Eli’s zegen uitgesproken is, die belofte gedaan, dan blijkt pas goed uit wat voor hout Hanna gesneden is.
‘Toen ging de vrouw haars weegs, zij at weer en haar gelaat toonde geen droefheid meer’. Uitwendig was in haar situatie geheel niets veranderd, maar innerlijk leefde ze al in een nieuwe werkelijkheid, die van de zekerheid van Gods belofte. Ze laat haar rouwperiode bewust achter zich. Het is nu iets van het verleden. Ze eigent zich Gods beloften heel natuurlijk toe, in een vrome vanzelfsprekendheid.
Ze begeeft zich vol vertrouwen in de armen van haar man en blijkt al spoedig zwanger.
Afstand
Wat in het hele verhaal het meest opvalt is haar bereidheid om haar zoonals die ooit komt – aan de dienst van God af te staan. Dat zegt ze niet alleen als ze nog geen kind heeft en het haar zogezegd ‘niets kost’, maar ze volhardt daarin, als dat kind daadwerkelijk geboren is. Hoe breng je dat op?
Stel je voor, je hebt zo lang en zo inténs naar dit kind verlangd, je hebt gezucht en gesmeekt, het letterlijk van de hemel afgebeden. En nu is dat kind hoog en breed geboren - en je besluit om dat kind, uitgerekend dat kind, los te laten, het af te staan aan de dienst van God.
Je gaat ermee akkoord - meer nog: je stelt het zelf voor! - om de kostbare ‘quality time’ met een drie-, en dan vier-, en dan vijfjarige te beperken tot die gelegenheden dat je met ‘t hele gezin weer in Silo bent! Je moet er toch niet aan denken!
Daartoe is Hanna bereid en ze blijkt ertoe in staat, in opperste onzelfzuchtigheid.
Hoe veilig is de nieuwe leefomgeving van haar Samuël? Hoe goed is het daar? Ze is bereid hem af te staan aan een ellendige geestelijke omgeving die de oude Eli, die falende hogepriester, gecreëerd heeft… De ‘gedoogsteun’ die hij op cruciale ogenblikken aan zijn nietsnutten van zoons verleend heeft maakt dat nu hier, in het centrum van Israëls godsdienst, de geestelijke en morele crisis niet meer te bezweren valt. Is Hanna’s houding, om haar kind hiéraan af te staan dan geen voorbeeld van ‘de reinen is alles rein’?
Heeft deze vrome vrouw in haar verdriet van weleer het geestelijk verval van de eredienst in Silo niet opgemerkt?
Heeft ze het hele vermolmde bestel niet door gehad?
Misschien. Maar er is een andere mogelijkheid.
Haar geloof heeft zelfs in tijd van grote geestelijke nood die dubieuze hogepriester Eli boven zichzelf uitgetrokken, zodat hij, in elk geval hier, namens God iets heeft toegezegd dat écht van God kwam en dus ook bewaarheid werd?
En als het kind geboren is, is, zoals gezegd, het niet haar kind, maar Gods kind! Hanna wil dat kind nu zo opvoeden als moet. Ze slaat er zelfs een ‘kerkelijk feest’ voor over; de aan God gewijde zoon komt daardoor later in het huis van God dan anders het geval zou zijn geweest! Maar hij blijft er! Vader Elkana, die volgens de Mozaïsche wetgeving, een gelofte van zijn vrouw ontbinden kan, als het hem niet juist lijkt (Numeri 30:6-8) piékert er niet over om dat te doen! Zelfs nu zijn vrouw zoiets ingrijpends gaat doen als haar eerstgeboren zoon afstaan aan de dienst van God, grijpt hij niet in. Hij kende zijn Hanna; dit was geen bevlieging, geen postnatale depressie (er was immers in het geheel geen depressie meer bij Hanna!) of wat ook. Hij laat haar op het vitale punt van de loopbaankeus en levensbestemming van hun kind volkomen vrij! Het is ‘het geheim dat ze deelt met’ God en Elkana staat er achter, bij voorbaat.
Onderworpenheid van vrouwen aan hun man in een patriarchale samenleving?
Een vrouw die door haar man over geestelijke dingen moet worden geïnstrueerd? In haar zuiverheid, die in deze gebroken wereld zich zovaak als kwetsbaarheid openbaart, staat Hanna de gelovige fier op haar eigen voeten. Ongeschokt en onschokbaar zorgt zij voor de ‘geestelijke wegligging’ in haar gezin. En door haar opvoeding, trouw door de jaren heen, krijgt Israël een geestelijk leider waarbij ze veilig mogen weten.
Veel te danken aan 'moeders'
Als Israël – in bepaalde zin natuurlijkdoor Hanna, door déze Moeder, gered is, dan ken ik nog veel van soort vrouwen van wie datzelfde geldt.
Menselijkerwijs gesproken is de Kerk van Oost-Europa niet op zijn grondslag gebleven door de mannen (ook niet de leiders) maar door de vrouwen: de baboesjka’s of ze hoe mogen heten. Ik heb in Rusland, Bulgarije, Roemenië en Georgië talloze van die vrouwen gezien, met knoestige handen en voorhoofden zo gerimpeld als een pas geploegde akker. Met niet zelden een erg kromme rug van alle moeiten van het leven. Met stroeve lippen (ik ben er door zovelen gekust dat ik ‘t weten kan!) maar met blije ogen. Ze zijn blij van binnen. De vreugde in de Heer kennen ze, als een geschenk dat hen niet zal worden afgenomen.
Onzelfzuchtig hebben ze zich gewijd aan de dienst van God, zoals ze die ervoeren. Vaak hebben ze hun mannen, en ook hun zoons en dochters, losgelaten.
Gods zaak stond voorop en dit was geen tijd om aan bezitsdrang te doen.
Geweldig als je zo’n moeder hebt gehad. Of als je zelf zo’n moeder bént… Maar ook al die vrouwen in ons midden die nooit kinderen hebben gehad, kunnen, net als Hanna, nog steeds ‘moeders in Israël’ zijn of dat alsnog worden.
Hoevelen in de kerk hier te lande of in de Wereldkerk zijn zo van God geroepen zijn. Dat is bepaald geen geringe roeping: om kinderen, andere mensen, te ontvangen en hen na verloop van tijd ook weer los te laten. Op Gods spoor te zetten.