Reactie dr Douma op 'Ingezonden' in Opbouw

2001-08-10
  • Jaargang 45
  • nummer 16
De redactie ontving van dr J. Douma de volgende reactie op het ‘Ingezonden’ van mevr J. Veenhof-Holwerda, dat in Opbouw 15, pagina 316, een plaats kreeg. Deze reactie van prof. Douma leest u hieronder.

In uw blad van 25 juli trof ik een ‘Ingezonden’ aan van mevr. J. Veenhof-Holwerda te Heemstede, waarvan ik merkte dat het in het bijzonder aan mij gericht was. Graag wil ik ingaan op wat zij te berde heeft gebracht.
Op de reactie van mevr. Veenhof op mijn boek ‘Hoe gaan wij nu verder?’ zou ik twee dingen willen antwoorden.
In de eerste plaats mag zij mij met recht vragen dat ik het niet zal laten bij de kritiek die ik in mijn boek geuit heb.
Ik was al van plan aan de eerstvolgende generale synode te verzoeken de door onze synodes – met name die van Hoogeveen 1969/1970 – genomen besluiten en hun consequenties in de praktijk te heroverwegen. Die betreffen overigens niet de schorsing van ds Brands, want deze schorsing werd zeer kort nadat zij was uitgesproken, reeds teruggenomen.
In de tweede plaats zou ik mevr. Veenhof willen vragen wat zij nu zelf wil doen om aan de door haar en mij begeerde eenheid tussen vrijgemaaktgereformeerden en de Nederlandsgereformeerden mee te werken. Ik heb nl. in mijn boek het boetekleed aangetrokken, maar ook anderen gevraagd dat de willen doen. Want de breuk van 1967 kwam niet zomaar uit de lucht vallen en de schuld ligt niet slechts aan één kant. Daarom heb ik in mijn boek ook gevraagd aan onze broeders en zusters van de ‘overkant’ op dit punt duidelijkheid te scheppen.
’Laten wij allen’, zo schreef ik in mijn boek, ‘ruim zijn in onze liefde om elkaar te vinden en elkaar vast te houden, maar laten wij allen tegelijk nauwgezet zijn om na te komen wat wij beloofd hebben en bij een te vormen federatie opnieuw zullen beloven ons te houden aan de Heilige Schrift, zoals de leer ervan wordt nagesproken in de drie formulieren van eenheid’.
Ik ben anderen erkentelijk wanneer zij mij erop wijzen dat ik een stap verder moet zetten, al was ik dat zelf reeds van plan. Van mijn kant mag ik vragen: schept u de duidelijkheid die er op het punt van binding aan de gereformeerde confessie gevraagd mag worden.
Dat zal het begeerde proces naar eenheid zeker versnellen en vergemakkelijken.
Ten overvloede vermeld ik dat ik verder zal gaan werken aan het eerste door mij genoemde punt, zonder af te wachten wat anderen met het tweede doen.
Ik hoop dat ook anderen niet aan de kant blijven zitten om te vertellen wat ik moet doen en om te zien hoe het mij vergaat, zonder zelf het nodige te doen om de eenheid van de gereformeerde belijders in ons land te bevorderen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief