De wetteloosheid
2001-09-28
1 Johannes 3:4-10 - Jaargang 45
- nummer 19
4 Ieder, die de zonde doet, doet ook de wetteloosheid, en de zonde is wetteloosheid.
5 En gij weet, dat Hij geopenbaard is, opdat Hij de zonden zou wegnemen, en in Hem is geen zonde. 6 Een ieder, die in Hem blijft, zondigt niet; een ieder, die zondigt, heeft Hem niet gezien en heeft Hem niet gekend.
7 Kinderkens, laat niemand u misleiden.
Wie de rechtvaardigheid doet, is rechtvaardig, gelijk Hij rechtvaardig is; 8 wie de zonde doet is uit de duivel, want de duivel zondigt van den beginne.
Hiertoe is de Zoon van God geopenbaard, opdat Hij de werken des duivels verbreken zou. 9 Een ieder, die uit God geboren is, doet geen zonde; want het zaad (Gods) blijft in hem en hij kan niet zondigen, want hij is uit God geboren. 10 Hieraan zijn de kinderen Gods en de kinderen des duivels kenbaar: een ieder die de rechtvaardigheid niet doet, is niet uit God, evenmin als wie zijn broeder niet liefheeft.
Apocalyptisch, dit woord in de afgelopen weken in de media vele malen geklonken, wanneer er verslag werd gedaan van de aanslagen in New York en Washington, wat die hadden aangericht.
En wie van ons heeft bij het zien van de verschrikkelijke beelden niet ook aan de eindtijd moeten denken, zoals die ondermeer in de Apocalyps, de Openbaring van Johannes beschreven wordt?
Over de eindtijd heeft ook de apostel Paulus geschreven, met name in 2 Thessalonicenzen 2. Wat hij daar vooral naar voren haalt, is dat er in die tijd een figuur zal optreden die hij de mens der wetteloosheid noemt.
De verkondiging waar Paulus daar aan herinnert, heeft Johannes ongetwijfeld ook op het oog, als hij in 1 Joh. 2:18 schrijft: ‘Gij hebt gehoord, dat er een antichrist komt’. Kennelijk waren de mensen aan wie Johannes schreef, gewend de figuur die Paulus mens der wetteloosheid noemt, antichrist te noemen.
Maar daarnaast moeten zij ook de benaming die Paulus gebruikt, hebben gekend, want wat Johannes even verderop in zijn brief, in 3:4 schrijft, kan haast niet anders dan als een verwijzing daarnaar worden uitgelegd.
‘Ieder die de zonde doet, doet ook de wetteloosheid en de zonde is de wetteloosheid’, staat daar, letterlijk vertaald.
Wat de apostel hiermee wil zeggen, is kennelijk, dat een ieder die nu de zonde doet, hetzelfde doet als wat de mens der wetteloosheid, de antichrist, in de eindtijd zal doen. Dit met de suggestie, dat diegene ook hetzelfde lot zal ondergaan als die wetteloze, dien de Here Jezus zal doden door de adem zijns monds en machteloos zal maken door zijn verschijning, als Hij komt. (2 Thess. 2:8) Ja maar, zondigen, dat doen we toch allemaal, zo lang we in dit leven zijn, en Gods Zoon is toch mens geworden en aan het kruis gestorven om voor onze zonden te betalen?
Jawel, antwoordt Johannes hierop, maar Gods Zoon is niet alleen geopenbaard opdat Hij voor de zonden zou betalen, maar ook opdat Hij de zonden zou wegnemen en zo ervoor zou zorgen, dat er geen zonden meer worden gedaan.
Dat zal Hij finaal doen, als hij bij zijn tweede komst de wetteloze door zijn verschijning zal uitschakelen.
Maar zijn eerste komst had ook al als doel de zonden weg te nemen: om die weg te nemen uit de levens van de mensen die bestemd zijn om bij zijn tweede komst niet met de wetteloze ten onder te gaan. Dat betekent, dat wie nu nog rustig doorgaat met het doen van de zonde, kennelijk niet tot die mensen behoort.
Rustig doorgaan met het doen van de zonde, dat is waar Johannes het hier over heeft, niet over incidenteel door onnadenkendheid of uit zwakheid een gebod van God overtreden. Hij heeft het ook niet zomaar over zonde doen, maar over de zonde doen.
Wat is de zonde, die gelijk staat aan de wetteloosheid, de zonde van de eindtijd?
Tegenover de zonde doen staat de rechtvaardigheid doen, en wel zo, dat daar niets tussenin zit: wie de rechtvaardigheid niet doet, doet de zonde.
Over rechtvaardigheid (gerechtigheid) doen heeft Jezus het in Matt. 6:6, en dan blijkt Hij daarmee het geven van aalmoezen te bedoelen. Ook volgens Psalm 112 is geven aan de armen kenmerkend voor de rechtvaardige. Van degene die dat doet, kan ook gezegd worden, dat hij rechtvaardig is zoals God rechtvaardig is, want volgens Psalm 145 komt Gods rechtvaardigheid met name uit in het feit dat Hij trouw voor zijn schepselen zorgt.
Tegenover deze rechtvaardigheid, die barmhartigheid is, staat de zonde als zijnde: liefdeloosheid, dat men zijn broeder niet liefheeft (vs. 10).
Liefdeloosheid is de zonde van de duivel, die zondigt van den beginne.
Liefdeloosheid zal ook de zonde zijn van de mensen in de eindtijd, wanneer met het toenemen van de wetteloosheid de liefde van de meesten zal verkillen (Matt. 24:12).
Van de meesten, niet van allen! Ook in de eindtijd zullen er nog mensen zijn op wie de geest van wetteloosheid en liefdeloosheid geen vat zal hebben, die door zullen gaan met het onbaatzuchtig helpen van anderen.
Die zullen de Zoon van God, wanneer Hij komt, blij tegemoet kunnen gaan.
Dat zullen zij te danken hebben aan het feit dat diens (eerste) openbaring in hen de werken van de duivel verbroken en hen tot kinderen van God heeft gemaakt Wij zijn bedoeld om tot die mensen te behoren. Moge dat blijken uit de manier waarop wij in deze harde tijd omgaan met onze naasten, dichtbij en ver.