Zwemles
2001-09-28
‘t Is alweer even geleden, maar te aardig om er geen plaats voor te maken: de column van de Chr. Geref. ds J.G. Schenau in De Wekker van 13 juli. Het verhaal spreekt voor zich, dus verder geen commentaar van mijn kant.- Jaargang 45
- nummer 19
Schenau:
Elke dinsdag begeleid ik onze jongste naar zwemles. Laatst werd deze gevolgd door een samensprekingsvergadering.
's Nachts vloeiden in een droom die twee dingen wonderlijk ineen. De volgende dinsdag kwam het allemaal boven en liet ik mijn gedachten de vrije loop. Er was in het bad een soort wedstrijd gaande: wie het eerst aan de overkant zou zijn. Uiteraard moedigde ik mijn zoon aan. ‘Zet 'm op, jongen, scheid je af van ieder ander!’ Hij werd echter al gauw ingehaald door een vrijgemaakt joch. ‘Laat hem maar gaan...
’ riep ik, ‘... die was al gearriveerd, voor hij was vertrokken! Dat wordt diskwalificatie.’ Nu mocht mijn zoon normaal gesproken rekenen op de steun van een jongen van de Bond maar die was vandaag thuisgebleven, omdat hij zijn zieke moeder niet in de steek wilde laten. Aan een meisje van de Ger. Gem. had hij ook niet veel, want die liet zich maar wat drijven.
Probeerde wel de blauwe draad te grijpen, maar dat kwam haar op een reprimande vanaf de tribune te staan.
Er deed ook een baptistenkind mee.
Dat riep in opperste verwarring naar de kant: ‘Wat doe ik nú al in dit bad?’ Een Nederlands Gereformeerd meisje leek zich nog het best te vermaken.
Zolang zij maar de ruimte kreeg om alle kanten op te kunnen. En zo zwom er nog wat links en rechts. Ik vond het allemaal best zolang ze maar uit het vaarwater van mijn zoon bleven.
Bidmeester
Terwijl hij langzaam maar zeker vorderde, werd mijn oog getrokken naar een figuur aan het eind van de baan: een man in het wit. Het leek wel, of hij zat te bidden. Ik liep naar hem toe en vroeg: ‘Bent U de badmeester?’ Logische vraag, want van zo'n man verwacht je niet dat hij aan de badrand zit te bidden. Hij antwoordde raadselachtig: ‘Zoals U wilt, mijnheer...’ en vervolgens, met een glimlach zo minzaam als ik nog nooit zag: ‘...ze hebben me ook al eens voor een tuinman aangezien’. ‘Maar waarom zit U hier te bidden?’ vroeg ik. En toen hij weer verrassend: ‘Waarom zit ú hier níét te bidden? Zou U niet graag zien, dat ze samen aankwamen? Ik bid, dat deze kinderen elkaar de hand zullen reiken. Dan zal de een hier bijsturing en de ander daar een zetje nodig hebben. Ook die zoon van U.
Zij zijn er nog niet. En zoveel anderen doen nog helemaal niet mee. Bid met mij, dat er niet één achterblijft!’ Ik was stil.
Het eind van de zwemles riep mij wakker uit mijn droom. ‘Papa, weet u wat de badjuf heeft gezegd?’ ‘Nou...?’ ‘Volgende week mogen de vaders en moeders meedoen met zwemles! Gaat U dan mee? Kunt u Kees een beetje helpen, want die kan het nog niet zo goed. Maar dat had u zelf al wel gezien, hè?’