Anders? Nee en ja!

2001-10-12
  • Jaargang 45
  • nummer 20
Toegenomen kwetsbaarheid. Men zegt dat het na 11 september jl allemaal anders geworden is in de wereld. Is dat waar? Niet echt anders, zou ik zeggen. Het blijft alles wel herkenbaar wat er gebeurt. Verschrikkelijke dingen hebben altijd plaats gevonden.
Zelfs zo'n oude psalm als de zesenveertigste weet al van verwoestingen die op de aarde worden aangericht.
Dat is toen dus ook al puinruimen geweest, al zal men de tien duizend ton die ze tot nu toe in New York verzet hebben, wel niet gehaald hebben.
Niet echt anders dus. En toch, vergelijkenderwijs wel. De duimschroeven van onze kwetsbaarheid zijn in de afgelopen dagen zeker een paar slagen aangedraaid.

Inderdaad, de kwetsbaarheid. Het besef daarvan staat nu meer dan voorheen recht overeind in onze geest, sinds we zagen hoe dat laag-vliegende toestel zich met volle vaart en met volle tanks in de zuidelijke toren van het WTC boorde - een beeld dat niet meer van het netvlies wil. Ook als het per ongeluk gebeurd was, zou je het niet kunnen bevatten. De gedachte evenwel dat dit met bewuste opzet gedaan is, is helemaal onverdraaglijk. Denk je in: de tweede toren werd twintig minuten later geraakt dan de eerste, zodat de media op de been konden zijn om het schouwspel aan het publiek te vertonen.
En de eerste toren werd hoger geraakt dan de tweede met de bedoeling (denk ik) dat beide torens tegelijk in zouden zakken, ter onderstreping van de niet mis te verstane boodschap: Sic transit gloria americana! Dat laatste is niet helemaal gelukt, maar de onvoorstelbare gemeenheid achter het hele plan is er niet minder om. Een groot en machtig land zo met zijn eigen middelen vernederen en daar duizenden onschuldige mensenlevens voor gebruiken, het is ongehoord.

De rem versleten
En daarop doordenkend kom je tot de slotsom dat het vandaag, hoezeer ook vergelijkenderwijs, toch inderdaad anders is dan gisteren. Tot nu toe reisde het kwaad om zo te zeggen nog in een voertuig waar een rem op zat.
Die rem lijkt versleten. Ongeremd treedt het kwaad naar buiten, alles lijkt mogelijk geworden. Heette Amerika het land van de ongekende mogelijkheden, dat land is nu getroffen door de ongekende mogelijkheden van het kwaad. Alsof het kwade in onze tijd bezig is zijn laatste vermomming af te leggen om duidelijk te maken dat het slechte echt slecht is. Zo'n gevoel krijg je als je je verdiept in de gedachten en de motieven van hen die dit plan beraamd hebben.
Ik denk hierbij aan wat de apostel schrijft over de wederkomst des Heren.
Hij heeft het in dat verband over wat aan die komst voorafgaat. 'Eerst moet de afval komen en de mens der wetteloosheid zich openbaren, de zoon des verderfs, de tegenstander, die zich verheft tegen al wat God of voorwerp van verering heet, zodat hij zich in de tempel Gods zet om aan zich te laten zien dat hij een god is' (2 Tessalonicenzen 2:3,4). Nee, het gaat me nu niet om deze figuur zelf, die wij gewend zijn de antichrist te noemen. Paulus heeft, hoe sterk hij hem ook gekarakteriseerd heeft, hem niet met de vinger aangewezen en ik kan dat ook niet.
Misschien gaat het ook meer om een type mens, dat niet met slechts één exemplaar van de soort samenvalt.
Even verder zegt de apostel dan - en daar gaat het me nu meer om - dat de Tessalonicenzen wel weten wat deze 'zoon des verderfs', deze ongeluksmens, weerhoudt. 'Het geheimenis der wetteloosheid is reeds in werking', zegt hij, 'wacht slechts tot hij die op het ogenblik nog weerhoudt, verwijderd is' (2 Tessalonicenzen 2:7).
Eigenaardig: eerst 'dat wat weerhoudt' en dan 'hij die weerhoudt', alsof Paulus zelf ook niet precies weet waaraan hij moet denken. Maar zoveel is wel duidelijk dat de wetteloosheid volgens de apostel een geheimenis bij zich draagt dat nog niet onthuld is. Wetteloosheid is toch wetteloosheid, zegt u, wat voor geheimzinnigs is daar nu aan? Ja, toch.
Er zijn weerhoudende krachten die verhinderen dat de wetteloosheid haar ware gezicht laat zien. Nu, die weerhoudende krachten, die rem waar ik het over had, die lijken vandaag de dag wel weggenomen te worden.

Het botte overheidszwaard
Overheden met hun wetten en regelgeving zijn, bijvoorbeeld, zulke weerhoudende krachten. Gemeenschappen van mensen maken daarin afspraken om zich zo veel mogelijk aan een minimum van het goede te houden omdat anders het menselijk samenleven onmogelijk wordt. Het overheidsgezag kan dan ook, uit kracht van die wetten en afspraken, de bevolking tegen veel kwaad beschermen. Maar daar heb je nu zoiets nieuws van vandaag: dat dit veel minder vanzelfsprekend is geworden.
Het overheidsapparaat heeft gefaald bij wat er op 11 september gebeurd is. Amerika heeft zijn burgers niet kunnen beschermen. Niet omdat het onmachtig was of nalatig, maar omdat het om een kwaad ging waar een overheid geen greep op kan krijgen.
Het is zelfs zeer de vraag of het land achteraf nog de bedrijvers van deze verschrikkelijke misdaad zal weten te vinden en te straffen. Het kwaad is zo ongrijpbaar geworden. President Bush kan wel de oorlog verklaren, maar aan wie eigenlijk? Aan het kwaad, zei een ondervraagde soldaat, maar daar heb je toch een ander wapentuig voor nodig?
En gesteld nu eens dat men de hoofdverantwoordelijke vindt en ombrengt of voor de rechter sleept, zal dan de organisatie waarvan zo iemand het hoofd is en die behalve door haat ook door een verbluffende intelligentie overeind gehouden wordt, uitgeschakeld zijn? Is niet het kwaad overal en is niet de schrik rondom? Waar te beginnen, alleen met het zoeken al? Het is alles door ongrijpbaarheid omgeven.
Zoals Larry King van CNN het formuleerde: 'We even don't know what we don't know' - 'wij weten niet eens wat we (allemaal) niet weten'. En daarmee verwoordde hij de verlegenheid waarvoor we nu allen staan. Een verlegenheid waartegen militaire paraatheid en kordate moed niet zijn opgewassen.

Het geheimenis der wetteloosheid
Als de Here Jezus het over de toekomst (zijn toekomst!) heeft, dan zegt Hij: 'Ook zult ge horen van oorlogen en geruchten van oorlogen. Ziet toe, weest niet verontrust, want dat moet geschieden, maar het einde is het nog niet' (Matteüs 24:6). Oorlogen en geruchten van oorlogen zijn in de geschiedenis dus niet blijvend. Ze worden een keer afgesloten en dan komt er iets anders.
Met dit woord duidde ook de Here het geheim aan dat het kwaad draagt.
Volk tegen volk en koninkrijk tegen koninkrijk, - dat kenden we tot dusver wel. Ook erg, daar niet van. Het is mij verre het leed te onderschatten dat volken en overheden elkaar aan kunnen doen. Ik ben een kind van de tweede wereldoorlog, hoe zou ik dat kunnen vergeten? Maar volk tegen volk, koninkrijk tegen koninkrijk, - daar kun je je nog tegen wapenen. Bij de misdaad van Pearl Harbor in 1941, bij voorbeeld, wist je nog wie de dader was: dat land, dat volk. Maar die duidelijkheid ontbreekt vandaag. En je vraagt je af: Gaat die duidelijkheid soms voorgoed tot het verleden behoren?
Krijgen we nu voortaan te doen met tegenstanders die onder de radar van elk militair apparaat doorvliegen?
En is dat dan niet een verandering die vandaag zo heel verschillend van gisteren maakt? Dat het kwaad zich steeds moeilijker laat lokaliseren, zou dat de onthulling van het geheimenis der wetteloosheid zijn?

De schilden der aarde weggenomen?
Wij hebben de tijd achter ons dat de ene wereldmacht de andere in een zeker evenwicht hield. De koude oorlog.
Niet wenselijk, we waren terecht blij dat aan die toestand een einde kwam. Maar er zat iets weerhoudends in, men bedwong in zekere zin elkaar.
Is daar sinds 11 september een definitief einde aan gekomen? Want je kunt wel in een nieuwe koude oorlog een ruimteschild willen oprichten tegen schurkenstaten, maar is de hele filosofie die achter zo'n ruimteschild staat in deze dagen niet aan flarden geschoten?
Hoezo ruimte? Hoezo schild?
Een vliegtuigkaping met behulp van een eenvoudig mes was voldoende om deze ongeëvenaarde misdaad uit te voeren.
Over schild gesproken, de overheden zelf worden in de Schrift ook schilden genoemd, de schilden der aarde (Psalm 47:10). Worden deze schilden langzaam aan weggenomen? Tegenover zelfmoordcommando's die anderen in hun zelfgekozen dood willen meesleuren, staat toch iedere overheid machteloos? Elk wapen immers dat ter verdediging van de samenleving wordt opgenomen, heeft tot vooronderstelling dat de bedreiger van de orde erdoor afgeschrikt kan worden, omdat zijn leven hem lief is. Maar als die vanzelfsprekende liefde tot het leven ontbreekt, wel, dat maakt toch elk zwaard bot? Ik vrees daarom dat een oorlog, hoe vaak ook gezegd wordt dat het geen traditionele is, weinig zal kunnen uitrichten. Dat het begrip oorlog zelf achterhaald raakt.

De vraag naar gerechtigheid
Maar wat dan? Er is een ontstellende misdaad gepleegd en daarmee is de vraag naar gerechtigheid op tafel gelegd.
Daar kan geen overheid omheen.
Bij alle kritiek die je op Amerika kunt hebben blijft dit recht overeind staan.
Over die kritiek gesproken, ik hoor daarin naast een goede ook wel een erg wat die terroristen gedaan hebben, maar de Amerikanen hebben het ernaar gemaakt. En kijk ze nu eens driftig op oorlogspad gaan!' Kijk, daar heb je het vereffeningsdenken: waar twee kijven hebben twee schuld. En daarmee houdt men zich afzijdig. Er is een decadent Europa dat niet gestoord wenst te worden in zijn welvaartsslaap.
Het wentelt zich van de ene op de andere zijde en zegt: make love, not war! Aan die stemming wil ik geen enkele steun geven. Ook niet als ik aan de Amerikanen de kritische vraag stel of zij niet de beperktheid inzien van de middelen om gerechtigheid te brengen.
En dat zeker het spreken over infinit justice (oneindige gerechtigheid) te ver gaat. Kan het allemaal niet wat bescheidener? 'We zullen ze uitroken', - dat klinkt toch te snoeverig bij zo'n moeilijk te bestrijden vijand? En 'we want him, dead or alive', dat is toch misplaatste cowboy-retoriek? Kritiek dus, maar niet om ons te drukken.
Want ook de vroomste en humaanste overwegingen ontslaan ons niet van onze verplichtingen tegenover het bondgenootschap. President Bush heeft gelijk: we moeten hier kiezen.

De boze niet weerstaan
Maar van Gods kinderen wordt toch meer gevraagd dan dat ze met al hun krachten aan de jacht op de man wiens naam ik op deze plaats niet noemen wil, meedoen. Wij behoren in deze tijd meer dan tot dusver onze eigenlijke tegenstander in het oog te vatten.
Wie zit achter de ontwikkeling zoals ik die schetste? Dat is de boze. Steeds duidelijker komt hij uit de verf. Niet dat hij uiteindelijk helemaal zonder menselijke tussenkomst zal gaan werken.
Dat is zijn stijl niet. De mens der wetteloosheid zal een mens zijn, zeker weten. Maar wel een mens in wie het duivelse zo duidelijk aanwezig zal zijn dat hij zelf ook 'de boze' genoemd kan worden.
En hier aangekomen valt te denken aan Jezus' woord uit de Bergrede dat wij de boze niet zullen weerstaan (Matteüs 5:39). 'De boze', daar wordt in dat verband duidelijk een mens mee bedoeld. Maar Jezus gebruikt hetzelfde woord als Hij ons in zijn gebed leert zeggen: 'verlos ons van de boze', waarmee Hij zeker geen mens op het oog heeft. Twee verschillende figuren onder een en dezelfde term. Wat betekent dit? Wel, het gebeurde eens dat een vader zijn kind een klap gaf en dat het kind zijn vader de andere wang toekeerde. Daar kreeg zoonlief toen een klap op die harder was dan de eerste. Terecht. Want met die geste wees de zoon zijn vader aan als 'boze'.
En dat is nog iets anders dan: U hebt ongelijk. Dat kan een straffende vader heel goed hebben, ongelijk, en een kind mag dat nog zeggen ook. Maar als je iemand de andere wang toekeert, dan zeg je daarmee dat je die ander als mens eigenlijk niet meer serieus neemt, zo vervuld als je hem ziet door de macht van de boze. Je komt dan tot de slotsom: Hier vecht ik niet tegen, voor zo iemand kan ik alleen maar God vragen dat Hij zelf hem voor zijn rekening neemt.
Israël vocht eens tegen Moab en belegerde zijn hoofdstad. Toen de koning van Moab inzag dat de strijd verloren was, ging hij de stadsmuur op om zijn zoon, de kroonprins, ten aanschouwen van de vijand te offeren. Daar werd Israël toen zo verontwaardigd over dat het de belegering opgaf en van de stad wegtrok. 'Ben je nu helemaal...!', zeiden ze en ze stampten van boosheid op de grond. Er is een tijd om wapens op te nemen en er is een tijd om wapens weg te gooien. Dat laatste deden de Israëlieten toen. Ze weerstonden deze boze niet langer en lieten hem aan God over (2 Koningen 3:27).

Twee ijzers in het vuur
Zouden zo ook wij ons niet moeten voorbereiden op een tijd dat het kwaad zulke vormen gaat aannemen dat we er alleen nog maar Gods ingrijpen tegen af kunnen roepen? Ik zeg niet dat die tijd al gekomen is. Laten de overheden met hun middelen blijven proberen het kwaad in zijn loop te stuiten. Ik heb daar nu nog geen alternatief voor. Al zou ik willen dat ook overheden de beperktheid van hun middelen begonnen in te zien. En dat ze de arrogantie van de macht aflegden.
De arrogantie van de macht: denken dat je met je militaire middelen alles kunt bereiken. Tussen haakjes, zou er voor Amerika geen reden zijn zich af te vragen waarom het in de wereld zo gehaat is? Zou de arrogantie van de macht (militair, economisch) daar misschien de reden van kunnen zijn?
Godsvertrouwen kon tot dusver altijd nog samengegaan met militaire teweer stelling: 'Vrees God en houd uw kruit droog!' Het gaat naar een tijd toe dat Godsvertrouwen het enige antwoord wordt op de gevaren die ons omringen. Alleen 'God is ons een toevlucht en sterkte, ten zeerste bevonden een hulp in benauwdheden', zegt de psalm die het over het zich verplaatsen van de aarde heeft (Psalm 46:2). Steeds duidelijker krijgen we in de bozen met de boze zelf te maken.
Het woord van de Here Jezus uit de Bergrede, de boze niet te weerstaan, is dan ook niet het advies van een bevlogen idealist, maar de wijsheid van Hem die het uiteindelijke voor ogen had en heeft. Het zou kunnen zijn dat het toekeren van de andere wang de enig juiste houding wordt die we tegenover dit niets ontziende terrorisme moeten aannemen. Maar toch niet dan nadat eerst het overheidszwaard er nog eens op uitgeprobeerd is.
Daarom: steun bieden aan het bondgenootschap, een zegen vragen over de wapenen (!) dat ze met verstand en in dienst van de gerechtigheid worden ingezet. En verderop in de tijd wellicht zeggen: Nu naderen de bozen zozeer de boze, dat we ze alleen nog maar aan God kunnen overlaten. Dat zijn de twee ijzers die wij in het vuur hebben. Niet gemakkelijk, maar we moeten geloof en politiek niet te snel uit elkaar breken. Evangelischen doen dat eerder dan gereformeerden.

Keerzijde
De dingen hebben trouwens ook hun keerzijde. Als we zeggen dat we onze tegenstanders steeds meer aan God moeten overlaten, laten we elkaar dan ook troosten dat God deze tegenstanders aan kan. Ook in die zin aan kan dat Hij ze in plaats van te straffen tot zich bekeren kan. In het Nieuwe Testament, aan het begin van de weg die de kerk door de geschiedenis gegaan is, ontmoeten we een extreem godsdienstige fanaticus: Saulus van Tarsus, 'blazende dreiging en moord' (zoals van hem gezegd wordt in Handelingen 9:1). Geen overheid die zijn woeden belemmerde en de christenen tegen hem in bescherming nam. Maar God zette zijn hart om en hij werd een discipel van Jezus Christus. Hem is barmhartigheid geschied, zoals hij zelf zegt.
Laten we niet wanhopen, zo kan het nu nog gaan.
Is de dag van vandaag anders dan die van gisteren? In zekere zin wel. We worden door de gebeurtenissen van de afgelopen tijd meer dan tot dusver naar het uiteindelijke toe gedreven.
In die zin dat de fase van oorlogen tussen volken en koninkrijken voorbij lijkt te gaan en dat we in plaats daarvan de boze zelf het voortouw zien nemen in zijn woeden tegen de mensen en tegen de gemeente in het bijzonder.
Ziende op deze finale van de geschiedenis wil ik eindigen met een woord van de Heiland in zijn onderwijs over de toekomst: 'Wie volharden zal tot het einde, die zal zalig worden' (Matteüs 24:13).

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief