'Houten' en het gebed
2001-10-26
Wanneer het in onze kerken over ‘Houten’ gaat, wordt door velen niet meer allereerst gedacht aan de Christelijke en Nederlands Gereformeerde Kerk aldaar, maar aan ‘grotere aandacht voor het werk van de Geest’, ‘gebedspastoraat’, ‘Luisterend bidden’ en ‘Gods tegenwoordigheid geneest’1).- Jaargang 45
- nummer 21
Inmiddels zijn verschillende predikanten en gemeenteleden van elders bij ‘Houten’ (i.c. Dick en Jeanette Westerkamp) in de leer geweest en het kan niet anders of datgene, wat zich in Houten ontwikkelt, zal minstens druppelsgewijs ook in andere kerken doorwerken. Hoewel ik zelf Houten (nog) niet heb aangedaan, kan ik me, op basis van ervaringen die ik elders opdeed, toch een goede voorstelling maken van hetgeen daar gaande is.
Vandaar mijn vrijmoedigheid om in enkele artikelen aandacht te geven aan hetgeen ‘Houten’ uitdraagt. In dit artikel wil ik ingaan op de bijzondere rol die het gebed in ‘Houten’ vervult.
Grotere plaats, andere functie
Het gebed, ons gesprek met God, vormt met het geloof en het gebod één van de pijlers van het christelijke leven. Zo elementair als aarde, vuur, wind en water volgens de Grieken voor de wereld waren, zo elementair is het gebed voor een christen. Dat belijden en beleven we ook in de gereformeerde traditie. En daarom, wat ‘Houten’ ook inhoudt, het is niet wezenlijk anders dan hetgeen vanouds gaande is in de kerk van Christus.
Toch is de functie van het gebed in ‘Houten’ niet dezelfde als in de traditie, waarin wij gereformeerden zijn grootgebracht. Dat geldt met name voor de manier van bidden, zoals die in de praktijk van het gereformeerde leven gegroeid is. Ik zie een tweetal verschillen.
Ten eerste wordt in ‘Houten’ meer tijd genomen voor het gebed.
Ten tweede wordt in ‘Houten’ het gebed gezien als een werkelijk communicatiemiddel.
Gebed is gesprek, samenspraak. Bidden betekent dus ook luisteren, luisteren of God tot je spreekt in (bijbel)woorden, beelden en intuïties, die van betekenis (kunnen) zijn voor jezelf of voor anderen.
Met recht bijbels
Meteen al wil ik open kaart spelen en zeggen hoe ik deze veranderde plaats en functie van het gebed waardeer. Ik geloof, dat door ‘Houten’ aan de manier waarop wij gewoon zijn te bidden iets toegevoegd wordt, dat met het volste recht bijbels genoemd kan worden.
Als je leest in het Nieuwe Testament merk je, dat Christus’ volgelingen méér bidden dan wij gewoon zijn. En dat is niet alleen een kwestie van tijd. Zij bidden meer, met name omdat zij ánders bidden. In hun leven had het gebed een rijkere functie dan onder ons gebruikelijk is en ik hoop dat -mede dankzij de impulsen vanuit Houteniets van die rijkdom weer gaat functioneren onder ons. Graag wil ik deze positieve waardering hieronder nader onderbouwen.
Gebed: een tijdrovende taak
Om te beginnen wil ik dan wijzen op enkele woorden uit Handelingen 6:1-7.
Een boeiend bijbelgedeelte dat, zeker in een tijd waarin menige predikant en ouderling te veel op zijn bordje heeft, nog uiterst actueel is ook.2) Uit dit gedeelte blijkt welke taken de apostelen als hun kerntaken beschouwden.
Door de situatie gedwongen -de gemeente groeide als kool- ontkomen de overbelaste apostelen namelijk niet aan een evaluatie van hun takenpakket.
Ze besluiten vervolgens de diaconale zorg voor weduwen aan anderen toe te vertrouwen, om zo zichzelf te kunnen concentreren ‘op het gebed en de bediening van het woord’. Tussen haakjes, ik sluit niet uit dat het zegenrijk zou kunnen werken, indien ook nu nog predikanten en ouderlingen op basis van ditzelfde criterium een schifting in hun takenpakket zouden gaan aanbrengen.
Maar dat terzijde. Waar het me nu om gaat is, dat deze woorden in Hand. 6:4 de indruk wekken, dat het gebed een groot beslag op de tijd van de apostelen legde. Hier immers worden de voornaamste en meest tijdrovende taken van de apostelen aangeduid!
Volharden in het gebed
Deze indruk wordt versterkt door andere gegevens over het gebed van de apostelen. Zo lezen we in Hand.1:14, dat de Twaalven en enkele vrouwen eendrachtig ‘volharden in het gebed’.
Het Griekse werkwoord dat hier voor ‘volharden’ gebruikt wordt, is overigens hetzelfde als hetgeen in Hand.6:4 voor ‘houden aan’ gebruikt wordt.
Wel terecht worden deze woorden in de Nieuwe Bijbelvertaling daarom in beide gevallen vertaald met ‘wijden aan’.3) Hand. 12 is er vervolgens een goede illustratie van hoeveel tijd door de gemeente aan het gebed werd gewijd.
Hoewel hier sprake is van een uitzonderlijke situatie -Petrus lijkt ten dode opgeschreven- zijn zinsneden als ‘door de gemeente werd voortdurend voor hem gebeden’ (:5) en ‘velen waren vergaderd in gebed’ (:12, NB in de nacht!, zie :6) typerend voor een gemeente, die gewend is tijd te nemen voor de gebeden.
In dit verband wil ik ook wijze op Hand. 13:2. Terwijl zij in gebed zijn vasten zij, zo lezen we daar. Nu, vasten is een houding van permanent gebed aannemen.
Het vasten als zodanig is al een vorm van communicatie met God.
Wie vast, intensiveert de zeggingskracht van zijn gebeden. Zoals hongerstakers dwingend hun zaak op andermans agenda plaatsen door zich van eten te onthouden, zo brengen mensen die vasten hun zaak dringend voor Gods aangezicht. Alleen al qua tijd legde het gebed daarom een groot beslag op de apostelen.
Ook onze primaire taak ...?
Dit gegeven werpt de vraag op hoeveel (of hoe weinig?) tijd wij aan het gebed wijden. Ik denk in dit verband met name ook aan de ambtsdragers van de gemeente. In hoeverre zijn wij ons ervan bewust dat bidden, naast de bediening van het woord, onze primaire taak is? Zoals Paulus dat ook tegen Timotheüs zegt: ‘Ik vermaan u dan allereerst smekingen, gebeden, voorbeden en dankzeggingen te doen voor alle mensen …’ (1 Tim.2:1) Ik vermoed dat het op kerkenraadsvergaderingen dikwijls net als in Enschede-Zuid gaat. Aan het begin van de vergadering bidden we oprecht, maar kort en krachtig om een gezegende vergadering. Aan het eind van de vergadering, wanneer er in feite veel stof verzameld is om in gebed naar voren te brengen, is het vaak laat en zijn we het vergaderen zat. Rust om te bidden hebben we dan niet. En zo komt het van het vervullen van deze primaire taak niet veel terecht. Gelet op de gebedspraktijk van de vroege kerk is mijn stellige indruk dat dit anders moet. Je kunt bijvoorbeeld de vergadering beginnen met een gebed, waaraan een ieder die iets heeft kan deelnemen.
Ook een kwestie van luisteren
Maar waarom eigenlijk? Valt hier dan winst te boeken? Ik kan me voorstellen, dat iemand de neiging heeft een kritische kanttekening te plaatsen bij de nadruk, die ik hier leg op de tijdsduur van het gebed. Alsof lang bidden doel in zichzelf zou zijn! Heeft Jezus zelf niet gezegd ‘gebruikt bij uw bidden geen omhaal van woorden’ (Mat.6:7)?
Heeft Hij zelf ons geen voorbeeld nagelaten van een zeer beknopt, maar allesomvattend gebed (Mat.6:9vv)?
Ogenschijnlijk valt hier geen speld tussen te krijgen. Maar juist deze reactie zegt iets over het eenzijdige beeld dat wij van bidden hebben!
Inderdaad, als het gaat om datgene wat wij tot God te zeggen hebben, hoeven wij geen veelheid van woorden te gebruiken. ‘Uw Vader weet wat gij van node hebt, eer gij Hem bidt’ (Mat.6:8). Maar bidden is niet alleen een brief op de bus doen en de volgende dag (of een week later) weer een brief op de bus doen enz. Bidden in de Bijbel is niet alleen een kwestie van spreken, maar ook van luisteren.
Bidden is ook wachten op antwoord, op datgene wat de Geest tot de gemeente te zeggen heeft. Dat blijkt uit dezelfde bijbelgedeelten, die ik hierboven al aanstipte.
Respons van Boven
Er loopt een lijn van het eendrachtige gebed van de apostelen na Jezus’ hemelvaart in Hand.1:14 náár de uitstorting van de Heilige Geest in Hand. 2. Als we in Hand.2:1 lezen ‘Allen waren samen bijeen’, mag hier ongetwijfeld bij gedacht worden ‘Allen waren samen biddend bijeen.’ De uitstorting van de Heilige Geest wordt hier dan ook neergezet, niet alleen als een vervulling van Christus’ belofte, maar ook als een antwoord op het gebed! Of dat betekent, dat de Geest niet uitgestort zou zijn, als de apostelen niet gebeden hadden? Wel, zo zou ik het niet willen stellen. Maar het is toch zeker ook niet zo, dat de Heilige Geest in volheid komt, wanneer mensen nálaten zich biddend voor Hem open te stellen!
Daar waar mensen biddend voor Hem openstaan, kan de Heilige Geest hen vullen tot de rand. En daarom mogen we de komst van de Geest ook zien als een antwoord op het gebed(vgl. Luc.11:13).
Bidden en profeteren
Ook in Hand.4:24-31, na de bedreiging van Petrus en Johannes, gebeurt er van alles tijdens het gebed van de apostelen. Allereerst valt op, dat in het gebed van de apostelen een sterk profetische trek zit. Psalm 2 speelt daarin een belangrijke rol. Vanuit deze psalm wordt de situatie, waarin de gemeente zich bevindt, geduid (zie :24 en 25). De gemeente ziet in het verzet van Herodes, Pontius Pilatus en de leiders van Israël gebeuren hetgeen de Gods hand en raad tevoren bepaald had! Deze profetische zienswijze werkt ook door in de beden waarmee de gemeente tot God komt. Zij bidden niet dat de vervolging ophoudt, maar ze bidden om vrijmoedig Gods Woord te blijven spreken tegen de verdrukking in. Zo zien de apostelen tijdens het gebed het licht van Gods Woord over hun situatie opgaan. Dat veronderstelt overigens een zeer nauwe omgang met het Woord en een leven uit het Woord. In Hand.4:31 lezen we vervolgens dat Gods Geest komt en de aanwezigen opnieuw vervult, ook hier als een antwoord op het gebed.
Ook op andere plaatsen in Handelingen zie je van alles gebeuren tijdens de gebeden: visioenen en profetieën dienen zich aan waar gemeenteleden biddend samenzijn. Zonder daarop verder in te gaan wil ik wijzen op Hand.9:10-12 (Paulus heeft tijdens zijn gebed Ananias al zien binnenkomen); Hand.10:9,10/11:5 (Petrus krijgt tijdens zijn gebed een visioen) en Hand.13:3 (Tijdens het bidden worden Saulus en Barnabas door de Heilige Geest afgezonderd).
Buiten de Handelingen der apostelen valt ook te wijzen op 2 Kor. 12:7-9.
Tweerichtingsverkeer
Deze gegevens laten zien, dat het bidden in de vroege kerk geen eenrichtingsverkeer, maar tweerichtingsverkeer was. Steeds weer zien we dat er tijdens het bidden reactie van Boven komt. Er is sprake van een werkelijke communicatie tussen God en de apostelen, tussen God en de gemeente.
Geen communicatie in de zin van ‘u vraagt, wij draaien’ maar wel een werkelijke respons en soms zelfs per kerende post. Dat wil niet zeggen dat gezichten en profetieën uitsluitend plaatsvinden als er gebeden wordt.
God kan ook tot mensen spreken wanneer zij niet in gebed zijn. En nog minder bedoel ik te zeggen, dat Gods spreken tot de mens zich beperkt tot visioenen en profetische boodschappen!
Maar dat er een duidelijk verband ligt tussen de leiding die God aan zijn kerk wilde geven en het luisterende bidden van de apostelen, dat staat wel vast.
Lijn doortrekken?
De vraag is natuurlijk of wij, zoals ik hierboven deed, de lijn vanuit Handelingen zomaar naar onze tijd mogen doortrekken. Is de respons van Boven een privilege geweest voor de eerste kerk? Of mogen we ook nu nog verwachten dat de Geest tot ons spreken kan, wanneer wij in gebed zijn? En gesteld dat de lijn doorgetrokken mag worden, hebben wij in onze cultuur dan wel de geestelijke voelhorens om die respons op te vangen? En is verder de functie van het ‘luisterende bidden’ in ‘Houten’ werkelijk dezelfde als die van het Nieuwe Testament? Kan er wel een isgelijkteken gezet worden tussen het sterk persoonsgerichte gebedspastoraat van ‘Houten’ en het zo duidelijk kerkgerichte en missionaire gebed in de Handelingen der apostelen? In een volgend artikel wil ik op deze vragen ingaan, nu beperk ik me tot het volgende.
Als Jakobus zegt: ‘Indien echter iemand van u in wijsheid tekort schiet, dan bidde hij God daarom, die aan allen geeft, eenvoudigweg en zonder verwijt; en zij zal hem gegeven worden’ (Jak.1:5), dan is dit zeer algemeen gestelde woord er volgens mij een blijk van dat ‘luisterend bidden’ ook nu nog zin heeft.
Nog steeds kan het gebeuren dat, waar mensen biddend samenzijn, God kan gaan spreken en de situatie duiden.
Als je dat beseft, verandert het karakter van je gebed. Je gaat niet alleen spreken, maar ook luisteren tijdens het bidden. Je legt het voor Hem neer en ziet uit, om het met de woorden van Ps. 5:4 te zeggen.
Niet typisch 'Houten'
Het bijzondere is dat al veel langer (en ook buiten ‘Houten’ om) talloze christenen -gereformeerde christenen incluis- de ervaring hebben opgedaan, dat God tijdens het bidden kan gaan spreken. Alleen, vaak benoem(d)en we het niet zo. Hoe dikwijls komt het niet voor, dat we tijdens het bidden invallen hebben? We nemen de tijd om te bidden, noemen de namen van wie ons lief zijn, gemeenteleden, moeiten in de gemeente, en zomaar komen gedachten in ons op die nieuw perspectief bieden. Of een naam van iemand aan wie je plots denkt of een idee.
Dat is een ervaring waarvan misschien wel iedere christen die bidt in meer of mindere mate weet van heeft.
‘Houten’ biedt in die zin niet iets nieuws.
Maar wat doen wij met deze ervaring?
Ik heb de indruk dat zulke ervaringen nauwelijks tot ontwikkeling worden gebracht. Zo blijft het ‘luisterende bidden’ onder ons iets incidenteels houden en benutten we de mogelijkheden die daarin besloten liggen te weinig.
‘Houten’ doet er wel wat mee en mede daarom is mijn primaire reactie op ‘Houten’ positief en dankbaar.
Noten
1. Naar de titels van enkele in het Nederlands vertaalde boeken van Leanne Payne.
2. Over dit bijbelgedeelte is onlangs een preek van mij verschenen in ‘Het blijvende Woord’, prekenserie onder redactie van J.M. de Groot en Z.G. van Oene, 29e jaargang 2001, pag.19-26 3. Zie in Werk in uitvoering 1, NBG/KGB 1998 onder de genoemde schriftverzen