Het primaat van de verzoening

2001-11-23
  • Jaargang 45
  • nummer 23
Enige maanden geleden vond in Opbouw tussen ds H. de Jong en ds W. Smouter een korte, maar waardevolle bezinning plaats op het thema ‘genezing en vergeving’.1 Ds. De Jong stelde dat de dienst der genezing in het Nieuwe Testament vrijwel geheel in de schaduw van de dienst der verzoening staat. Impliciet waarschuwde hij hiermee tegen een overschatting van de betekenis van de dienst der genezing zoals die onder andere in ‘Houten’ gaande is. Hoewel ik in het onderstaande artikel de hoop uitspreek, dat de dienst der genezing ‘een ruime ingang’ in onze kerken zal krijgen, wil ik ds. De Jong toch bijvallen.

De dienst der genezing
Het lijkt me wenselijk om eerst nauwkeuriger aan te geven waarover we het hebben. Mijn indruk is, dat ‘de bediening van genezing’ meer inhoudt dan alleen het streven naar genezingswonderen.
Op dergelijke wonderen wordt tijdens de dienst der genezing gehoopt, er wordt ook om gebeden, maar de bediening zelf is breder en gaat tegelijk dieper. De kern daarvan is een intensief en inventief zoeken van de levende God, de Vader van Jezus Christus, die door de Geest werkelijk aanwezig is. Zijn aanwezigheid doet wat, werkt genezing uit. Waar God reëel aanwezig is, Tegenwoordig is in zijn heiligheid en liefde, rechtvaardigheid en genade, macht en majesteit, daar gebeurt iets met een mens. De boze wordt daardoor uit zijn schuilkelders gedreven, iemands zonde wordt openbaar, een pijnplek komt aan het licht.
Vervolgens gaat de duisternis wijken.
Een mens gaat ten overstaande van God in Christus ontdekken wie hij mag zijn, ja, wie hij werkelijk is. Zelfs kan een mens dankzij de aanwezigheid van God genezing ontvangen in lichamelijke, psychische, sociale en ethische zin.
Het gaat in de dienst der genezing dus niet alleen om een incidentele genezing, maar vooral om een leren leven in de tegenwoordigheid van de Heer. Daarin ligt zelfs de kern van de dienst der genezing.2 Nu zijn mijn gedachtegang en ontwikkeling niet zo ver, dat ik over dit alles een afgeronde mening heb. Met name over de boeken van Leanne Payne ben ik nog lang niet uitgedacht. Toch ben ik wel zover dat ik iets naar voren kan brengen.

Opnieuw: een welkome aanvulling
Allereerst hoop ik, dat de bediening van genezing, zoals ik die hierboven omschreef, een natuurlijke plaats in onze kerken zal gaan krijgen. Onze kerken kennen wel het gebed om genezing, maar missen een bediening van genezing, terwijl die -naast tal van andere bedieningen- toch werkelijk tot zegen van de gemeente zal kunnen zijn. Mogelijk kan ‘Houten’ ook in dit opzicht een oefenplaats en leerschool voor ons zijn.
Ik hoop dat temeer, daar datgene waar het in de dienst van genezing om te doen is me aanspreekt, raakt en zelfs ontroert. Ik heb er ook vertrouwen in.
Inderdaad, met een mens gebeurt wat in de ontmoeting met de levende God.
Velen weten daarvan. We kunnen dit herleiden tot de Bijbel zelf. Een sprekend schriftwoord is in dit verband 1 Cor.14: 24 en 25: ‘Als allen profeteren en er komt een ongelovige of toehoorder binnen, dan wordt hij door allen weerlegd, wordt hij door allen doorgrond, het verborgene van zijn hart komt aan het licht en hij zal zich ter aarde werpen, God aanbidden en belijden dat God inderdaad in uw midden is.’ Godswoorden, profetische woorden, grijpen een mens aan tot in de kern van zijn bestaan. We mogen verder zeker niet uitsluiten dat de boze zich tijdens zo’n confrontatie met God niet langer verstoppen kan. Immers, overal waar Jezus en de zijnen komen, ontstaat er opschudding onder de boze geesten. Ook kan de ontmoeting met de zowel rechtvaardige als genadige God voor het zelfbeeld van een mens ongelooflijk veel betekenen. Een mens ontvangt een nieuwe identiteit dankzij het besef een kind van God te zijn.

Lichamelijke genezing
Tenslotte kan in de ontmoeting met God ook een lichamelijke genezing plaatsvinden. Zo immers spreekt Jakobus erover: ‘Heeft iemand onder u leed te dragen? Laat hij bidden. Is iemand blij te moede? Laat hij lofzingen. Is er iemand bij u ziek? Laat hij dan de oudsten der gemeente tot zich roepen, opdat zij over hem een gebed uitspreken en hem met olie zalven in de naam des Heren. En het gelovige gebed zal de lijder gezond maken, en de Here zal hem oprichten. En als hij zonden heeft gedaan, zal hem vergiffenis geschonken worden. Belijdt daarom elkaar uw zonden en bidt voor elkaar, opdat gij genezing ontvangt. Het gebed van de rechtvaardige vermag veel, doordat er kracht aan verleend wordt.’ Dit lijkt me de dienst van genezing in een notendop.
Waar het om gaat: de Schriften nodigen ons om met heel ons leven voor God te komen, samen, biddend, verwachtend.
In die ontmoeting met Hem zal een mens meer mens worden, naar God het beschikt. Vandaar mijn hoop, dat de gebedsbediening van ‘Houten’ zich verder mag ontplooien en tot zegen van onze kerken zal zijn.

Toch
Toch heb ik, net als dominee De Jong, een sterke neiging om in de dienst der genezing niet de eigenlijk roeping van de kerk in de wereld te zien.
‘Genezing’ in de breedste zin van het woord is het perspectief dat voor ons ligt. We zijn op weg naar de totale verlossing van ons bestaan, de totale genezing. Maar nu leven we nog niet onder de nieuwe hemel en op de nieuwe aarde, waar alle tranen van de ogen gewist zullen worden, waar de dood niet meer is, noch rouw, noch geklaag, noch moeite. Paulus zegt zelfs, dat wij, zolang wij in het lichaam verblijf hebben, vér van de Here, in den vreemde zijn (2 Cor.5:6)! Er is nog steeds afstand tussen de bruid en de bruidegom.
God is aanwezig - ja, door Zijn Geest is God in ons midden - en tegelijk is Hij nog zo afwezig op aarde. En daarom ligt bij Paulus niet het accent op de dienst der genezing (hij gebruikt die uitdrukking zelfs niet), maar op de dienst der verzoening: ‘Wij zijn gezanten van Christus, alsof God door onze mond u vermaande; in de naam van Christus vragen wij u: laat u met God verzoenen! Hem die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid Gods in Hem’ (2 Cor.5:20).
Deze woorden kleuren ook het vervolg: ‘zie, nu is het de tijd van het welbehagen, nu is het de dag van het heil’ (2 Cor.6:2).


De tijd getypeerd
Paulus typeert in 2 Cor.6:2 een heel tijdvlak en wel de huidige bedeling.
Dat doet hij ook in Rom.8, een hoofdstuk waarin hij uitvoerig spreekt over de werking van de Geest in het leven van de gelovigen. Maar juist in dit hoofdstuk valt het op dat Paulus zich zo bewust is van de harde werkelijkheid.
Hij spreekt over ‘het lijden van de tegenwoordige tijd’ en blijkt daaraan zeer zwaar te tillen (:18). De schepping is aan vruchteloosheid onderworpen en dienstbaar aan de vergankelijkheid (:20 en 21). ‘Wij weten, dat de ganse schepping in al haar delen zucht en in barensnood is’ (:22). En ook van Gods kinderen, die de Geest als eerste gave ontvangen hebben, geldt dat zij zuchten bij zichzelf in de verwachting van hun zoonschap, de verlossing van hun lichaam (:23)! Paulus spreekt van een zwakheid, zo groot, dat wij zelfs niet weten wat wij bidden zullen naar behoren (:26).
Woord voor woord tekent Paulus een bestaan dat in elk opzicht onmachtig is en zwak. Een wereld waarin mensen hulpeloos en verslagen staan bij een graf. Een wereld waarin bloemen in knop geknakt worden. Een wereld waarin jonge moeders weduwen kunnen worden en waarin wanhopige mensen door de puinhopen dwalen op zoek naar overlevenden van een aardbeving.
Een wereld waarin zelfs een kind van God soms sprakeloos is en richting zijn hemelse Vader niet verder komt dan een gebed zonder woorden.
Hieruit blijkt, dat de komst van de Heilige Geest aan de gevallen schepping als zodanig niets veranderd heeft.
Geen enkele vorm van gebrokenheid is opgeheven sinds de uitstorting van de Heilige Geest. Zelfs valt uit Rom.8 op te maken, dat het werk van de Geest er niet op gericht is om ons nu al uit dit onverloste bestaan op te heffen!

Het werk van de Geest
Waarin het werk van de Geest dan bestaat?
Ik noem een drietal punten:
1. Allereerst getuigt de Geest met onze geest, dat wij kinderen van God zijn (8:16). Dat is het eerste wonderwerk van de Geest, dat mensen, die blijkens Romeinen 7 krijgsgevangenen zijn van de wet der zonde, dankzij de Heilige Geest zeker van hun vrijspraak in Christus Jezus (Rom.8:1). De Geest zet ons allereerst in deze ruimte van de vrijspraak.
Hij geeft geen geest van slavernij, om opnieuw te vrezen, maar een Geest van zoonschap (8:15). Hij maakt, dat we ondanks al onze zonden de vrijmoedigheid hebben om God aan te spreken met het uiterst intieme en vertrouwde ‘Abba’, Vader.
2. Vervolgens neemt de Heilige Geest ons mee het nieuwe leven in. Het mag niet alleen bij vrijspraak blijven, maar het moet ook werkelijk tot een nieuwe manier van leven komen. Daarom geeft de Geest ons een nieuwe gezindheid, zodat wij in staat zijn de eis van de wet te vervullen. In Romeinen 12 tot 15 werkt Paulus breed uit wat dit nieuwe leven inhoudt.
3. Tenslotte houdt de Geest de vlam van de hoop brandende. Die vlam van hoop kan in een onverloste wereld immers zomaar doven? Onze hunkering naar een verlost bestaan duidt Paulus als het zuchten van de Geest, die in ons kreunt om een andere wereld.

Eén zekerheid
Uit niets in dit hoofdstuk blijkt, dat de Heilige Geest is uitgestort om ons uit ons onverloste bestaan op te heffen.
De beweging van Rom.8 is: ‘Die Hij tevoren bestemd heeft, deze heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, deze heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, deze heeft Hij ook verheerlijkt’ (8:30).
Uit vergelijking van vers 17 en 21 met vers 30 blijkt echter, dat de verheerlijking nog voor ons ligt! Uiteindelijk concentreert het werk van de Geest zich dus op de roeping en de rechtvaardiging van een mens.
Eén zekerheid blijft echter altijd overeind: Wat ons ook overkomt, naaktheid, gevaar het zwaard, niets kan ons meer scheiden van de liefde van God.
‘Ik ben verzekerd dat noch dood noch leven, noch engelen noch machten, noch heden noch toekomst, noch krachten, noch hoogte noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde van God, welke is in Christus Jezus, onze Here.’(8:38 en 39)

Tekenen van de apostel
Voor het juiste perspectief is het goed om te zien, dat Paulus dit hoofdstuk schrijft, terwijl in zijn eigen bediening nog volop sprake is van ‘wonderen en tekenen’. In Rom.15 schrijft hij: ‘Ik zal het niet wagen van iets anders te spreken dan van hetgeen Christus door mij bewerkt heeft, om heidenen tot gehoorzaamheid te brengen door woord en daad, door kracht van teke nen en wonderen, door de kracht van de Geest’ (Rom.15:18,19). De wonderen en tekenen worden hier denk ik niet voor niets gekoppeld aan Paulus’ roeping.
Elders spreekt hij van ‘de tekenen van een apostel’ die door hem onder de Corinthiërs zijn verricht door ‘tekenen, wonderen en krachten’. Dit sluit aan bij wat we in Hand.5:12vv lezen, namelijk, dat er vele tekenen en wonderen geschiedden ‘door de handen van de apostelen’. Zelfs de schaduw van Petrus (alleen hij, de rots waarop Christus zijn gemeente wilde bouwen, wordt in dit verband genoemd) is voldoende om allen te genezen! Het bevestigt de gedachte van ds. De Jong, dat deze wonderen het zwavelkopje zijn geweest die de lucifer hebben doen branden. De overdaad aan wonderen is iets uitzonderlijks geweest, mogelijk zelfs iets onherhaalbaars.

Onbevangen en behoedzaam
Het is om deze reden, dat ik aan mijn hoop dat de bediening van genezing gemeengoed in onze kerken mag worden ook een grote portie behoedzaamheid toevoeg. De Bruidegom en de bruid zijn nog niet verenigd. We zijn nog ver van Christus in de vreemde.
Het lijkt me daarom wijs te bidden om genezing, zonder torenhoge verwachtingen te wekken. Van torenhoge verwachtingen kan een mens hard vallen.
En zeker mogen we niet op genezing gaan rekenen, zoals wij op vergeving rekenen mogen. Al is het alleen al om te voorkomen, dat de dienst der genezing in zijn tegendeel uitwerkt.
Immers ‘Een langgerekt hopen (ook op genezing!) maakt het hart ziek’!
Maar, wordt in het bovenstaande feitelijk niet met de ene hand teruggenomen, wat de andere hand aanvankelijk gaf? Ik merk, dat ik nog een artikel nodig heb om deze vraag te beantwoorden.

Noten
1.Opbouw, 45e jaargang nummer 8, pag. 161-163 (H. de Jong, Vergeving en genezing, Goede Vrijdag en Pasen); nummer 9, pag.187-188 (W. Smouter, Vergeving en genezing); nummer 13, pag. 268-270 (H. de Jong, Vergeving en genezing II).
Vermeldenswaard is ook het artikel van Pieter J. van Kampen ‘Over ziekenzalving en vrede’, nummer 10, pag.200-202.
2. Het is allemaal wat abstract geformuleerd.
Veel breder wordt hierover geschreven in de in mijn eerste artikel genoemde boeken van Leanne Payne, Gods Tegenwoordigheid geneest, Kampen 1997 en Luisterend bidden. God stem leren verstaan. Kampen 1998.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief