Rond de opleiding tot predikant (1)
2001-11-23
Deze bijdrage van Prof. K.R. Veenhof is géén reactie op het in Opbouw (49/22 pagina 446) geplaatste artikel ‘Het Nederlands Gereformeerd Seminarie’ van de hand van ds Willem Smouter. De vorige Opbouw lag nog op de pers toen onderstaand artikel van br. Veenhof op de redactie binnenkwam. Red.- Jaargang 45
- nummer 23
Het verslag van de laatste zitting van de Landelijke Vergadering (in Opbouw van 12-10) opende met een foto van een volgens het onderschrift blije ds Van Es. Dat wekt de indruk dat de discussies rond de opleiding tot predikant en de positie van het Nederlands Gereformeerd Seminarie (NGS) toch nog een bevredigend einde hebben gevonden.
Immers, de afgevaardigde die in de LV de ideeën van het NGS (waaraan hij doceert) over de theologie en de opleiding het vurigst had verdedigd - zij het niet krachtens mandaat van de regio die hem had afgevaardigd, want die steunde in meerderheid het voorstel van de Commissie Opleiding Predikanten (voortaan COP) – was uiteindelijk tevreden. Zijn voorstel tot een voortgezet gesprek tussen de COP en het NGS over de visie op het theologisch karakter van de opleiding was door de LV overgenomen. Dus eind goed al goed?
Dat is maar de vraag, want het uiteindelijke besluit van de LV roept inhoudelijke procedurele vragen op, waarover ik hieronder iets wil opmerken.
Bovendien, de ‘blije’ ds Van Es gaf (met enkele anderen) uiteindelijk zijn stem niet aan het door het moderamen geformuleerde voorstel.
Want dat bevatte ook het besluit door te gaan met het zoeken naar mogelijkheden voor een eigen opleidingsen begeleidingsinstituut, aanleunend tegen de TUApeldoorn. En de kerken vragen het NGS erin ook nadrukkelijk om medewerking aan de totstandkoming van zo'n eigen instituut, waarin dan uiteraard het NGS t.z.t. zou opgaan.
En dat is voor de aanhangers van het NGS een brug te ver, omdat het bestaan van hun particuliere opleiding hiermee in geding komt. En daarom wèl een gesprek, maar geen concrete toezegging tot medewerking. We zijn in feite nog even ver als met de brief van het bestuur van NGS van sept. 2000, waarin het unanieme voorstel van de COP aan de LV werd afgewezen. Dat is geen bemoedigend perspectief, maar niet verrassend voor wie de geschiedenis kent.
Het NGS werd opgericht kort nadat de gezamenlijke kerken, in het begin van de zeventiger jaren, in een LV waar alle gemeenten vertegenwoordigd waren, met overgrote meerderheid hadden uitgesproken in ieder geval voorlopig geen eigen opleiding te willen opzetten en het ‘Apeldoorn-advies’ formeel hadden aanvaard. De m.i. onkerkelijke beslissing toen toch een eigen NGS te stichten vroeg uiteraard om zwaarwegende argumenten en die heeft het NGS inderdaad van meet af aan pogen te geven.
Subjectief en dubieus was m.i. de bewering dat men daartoe geroepen was - door wie anders dan door de oprichters zelf en hun geestverwanten, - want daarmee kan men alles verdedigen.
Meer gewicht hebben daarom vooral twee andere argumenten.
Plicht tot een geheel eigen opleiding?
Het eerste argument is de stelling dat het een bijbels-principiële plicht van iedere kerk is haar eigen predikanten op te leiden, beargumenteerd met een verwijzing naar 2 Tim 2:2. Dit argument is in het unanieme rapport van de vorige COP (1977) besproken en te licht bevonden. We lezen er: ‘De argumenten daarvoor, soms aan 2 Tim.2:2 ontleend, acht de commissie niet overtuigend.
Het gaat in deze tekst primair over het doorgeven van het nog grotendeels op mondelinge, apostolische overlevering berustende evangelie, in een situatie waarin de ene, jonge christelijke kerk stond naast jodendom en heidendom. Een ‘opleiding’ in onze zin, op basis van een volledige Heilige Schrift, en een mogelijkheid tot dele gatie lagen geheel buiten het gezichtsveld van Paulus... Anders gezegd, de commissie is van mening dat de kerken niet hun bijbelse roeping verzaken wanneer ze opteren voor een andere opleidingsmogelijkheid dan een complete eigen opleiding’. En daaraan werd toegevoegd dat Gods zegen, die het NGS voor het eigen instituut claimt, evengoed, en waarom zelfs niet meer, op een door alle kerken gezamenlijk nieuw te stichten opleiding kan gaan rusten. Ook via een gedeeltelijk eigen opleiding kunnen de kerken hun roeping om voor predikanten te zorgen - en dat is wat anders dan een eigen opleiding te stichten - nakomen. En via zo'n oplossing is de noodzakelijke geestelijke en praktische band met de kerken, waarin de afgestudeerden zullen dienen, voldoende gewaarborgd.
Daarmee wordt niet ontkend dat er situaties kunnen zijn (denk aan de tijd kort na de Afscheiding) waarin de kerken zelf een opleiding moeten stichten.
Maar dat is nu, binnen de "kleine oecumene" en gezien de jarenlange goede samenwerking met de TU Apeldoorn, niet het geval. En het is ook onwenselijk, want het betekent onvermijdelijk een opleiding met zeer kleine aantallen studenten, onvoldoende goed gekwalificeerde docenten, in een klein theologisch en oecumenisch isolement.
De waardevolle contacten met a.s. predikanten van zusterkerken tijdens de opleiding ontbreken dan. Op de LV en van de zijde van het NGS is de afwijzing van dit argument nooit bestreden. Het zou goed zijn het daarom definitief uit de discussie te verwijderen.
'Late roepingen'
Nu dit argument niet meer geldt is in de gesprekken met delegaties van het NGS de nadruk meer komen te liggen op het praktische nut van het NGS als een opleiding waar "late roepingen" gemakkelijk kunnen studeren. Dat is ook begrijpelijk, omdat de meeste NGSstudenten tot die categorie behoren.
Maar voor hen alléén een speciale opleiding in stand houden gaat volgens de COP te ver en is ook niet goed. Er zijn bovendien voor zulke studenten ook elders goede mogelijkheden, waarvan ook predikanten in onze kerken (zoals één van hen op de LV zelf verklaarde) goed gebruik kunnen maken.
En dat was ook in het verleden - als het NGS er niet geweest was - voor studenten die zich tot de dienst geroepen voelden, met ondersteuning door de TSB, wel mogelijk geweest. Iedere kerkelijke opleiding in de theologie heeft te maken met veel ‘late roepingen’ en alle faculteiten hebben mogelijkheden geschapen om hen te helpen.
Bovendien, de veel gebruikte weg van een zaterdagopleiding (voor wie door de week moet werken) biedt het NGS niet. Daardoor zijn er in onze kerken net zo veel ‘late roepingen’ die elders studeren als aan het NGS. Een nieuwe opleidingsvorm, samen met de TU Apeldoorn, moet en kan uiteraard ook wegen vinden om aan die behoefte voldoen. Laten we eerlijk toegeven: voor ‘late roepingen’ alleen behoeven we geen NGS te hebben of in stand te houden. Bovendien, ook ‘late roepingen’ hebben recht op een studie o.l.v. de beste docenten en zijn niet gediend met een theologisch en oecumenisch isolement. Trouwens, krachtens de besluiten van de laatste LV's zijn ook zij - behoudens eventuele individuele uitzonderingen - verplicht hun studie met een doctoraal examen (en dus in Kampen of Apeldoorn) af te ronden, zodat ook het NGS ze op zeker moment toch moet doorverwijzen.
Een opleiding zonder theologie?
Op de LV werd daarom vanuit de NGSkring een ander argument voor een eigen opleiding naar voren gebracht, dat al bij de oprichting van het NGS een rol speelde. Het was de noodzaak van een nieuw soort opleiding, geheel gericht op prediking en pastoraat, zonder theologische wetenschap, die gevaarlijk zou zijn voor de kerken.
Daarbij werd gesteld dat de vraag naar de plaats van de theologie in de opleiding, die daarbij in geding was, in de gesprekken met de COP onvoldoende zou zijn doorgesproken. Het al vóór de zomer door de LV genomen besluit verder te gaan op de weg van een eigen instituut in samenwerking met de TUApeldoorn, zou eigenlijk prematuur zijn.
In reacties op de interventies die hierop hamerden heeft de LV, geduldig en wars van polarisatie, uiteindelijk besloten dat het gesprek over de theologische basisvragen met het NGS moet worden voortgezet en binnen een jaar afgerond. Let wel voortgezet, want er is binnen de COP (met als leden o.a. de rector en een docent van het NGS) en in ontmoetingen met delegaties van het NGS-bestuur al over deze zaken gesproken. In het unanieme COP-rapport, aan de laatste LV uitgebracht, staat als neerslag daarvan het volgende: ‘Door het NGS wordt de dienende plaats van de theologie in het geheel van de opleiding tot predikant benadrukt.
In geding is hierbij niet, dat a.s. predikanten gevrijwaard moeten blijven van theologie. De commissie is van mening dat een opleiding voor predikanten op academisch niveau (die ook het NGS claimt - KRV) niet zonder theologie kan. Enerzijds om theologische zienswijzen te kunnen beoordelen, anderzijds om vrij gebruik te kunnen maken van waardevolle theologie. Het gaat feitelijke om de aard van de theologie en de plaats die zij inneemt.....
De commissie acht de verschillen in visie echter niet van dien aard, dat ze samenwerking met de TUApeldoorn verhinderen’.
Op verzoek van de LV heeft ook TSB-docent dr Van der Dussen (aan wie de kerken de begeleiding op het terrein van de systematische vakken hebben toevertrouwd), in reactie op de opmerkingen van ds Van Es, kort uiteengezet hoe de TSB de functie en betekenis van de theologie ziet, ook in onderscheid met wat men uit de NGS-kring hoort. Die korte en heldere uiteenzetting is in het verslag in Opbouw uiteraard maar summier weergegeven.
Ik citeer uit de (ook beknopte) notulen van de LV (zitting 23 juni 2001): ‘Ds Van der Dussen onderstreept de grote verbondenheid tussen NGS en TSB in wezenlijke zaken, maar onderkent dat er tevens sprake is van wat spanning en wrijving.... Het standpunt van het NGS werkt zijns inziens uit in een beduidend minder positieve waardering van de theologische wetenschap dan de studieleiders die waarderen. Het door ds Van Es geschetste dilemma, dat theologie woordverkondiging in de weg kan staan, wordt door spreker zo niet herkend: theologie is dienstbaar en moet dienstbaar zijn aan het beter verstaan van de Schriften. Ook de moderne theologie moet in de predikantenopleiding aan de orde komen, daar voorgangers weerbaar moeten zijn..’.