Bediening van Gods goedertierenheid
2001-11-23
Op 27 oktober werd de jaarlijkse diaconale conferentie van de Nederlands Gereformeerde kerken gehouden. Ook dit jaar vonden de diakenen een gastvrij onderdak in de kerk van Leerdam.- Jaargang 45
- nummer 23
Het doel van de conferentie kon in één woord worden samengevat: bemoediging.
De voorzitter van de Diaconale Commissie (DC; de organisator van de conferentie), br. F.van Egmond, wilde de 93 aanwezigen een hart onder de riem steken en liet hen daarom veel bemoedigende psalmen en liederen zingen.
Ouder en kind
De STAGG (Stichting Ambulante Geestelijke Gezondheidszorg) levert een aanzienlijke bijdrage aan de conferentie.
Direct na de opening krijgt br. L. Eland, de voorzitter van de stichting, gelegenheid om iets te vertellen over de situatie van de STAGG. Hij ziet zijn aanwezigheid als een soort familiebezoek: de dochter bezoekt haar ouders.
De STAGG is immers ontstaan op initiatief van de DC. Sommigen suggereren dat de NGK geen verplichtingen hebben tegenover zijn stichting. Br. Eland vindt dat onterecht: ‘Wij zijn uw kind’. Br. D.J. Boer uit de DC neemt vervolgens een ‘interview’ af van br. Eland en een medewerkster van de STAGG. Hij vraagt hen o.a. naar het ‘waarom’ van christelijke hulpverlening.
In het antwoord wordt benadrukt dat christelijke hulpverlening voor veel mensen laagdrempeliger is.
Als de hulpvrager dat wil, kan er ook over het geloof gesproken worden.
Hulpverleners en hulpvragenden komen niet alleen uit de kleine kring van de NGK. Wel hebben Nederlands Gereformeerden een streepje voor bij de STAGG: kortere wachttijden en lagere tarieven.
Dat is ook eerlijk, want de kosten, ‘die betaalt u’ - zo houdt br. Eland de diakenen voor.
Ik word er zo moe van...
Ds. G.J. Zwarts geeft vervolgens een lezing over het onderwerp ‘Bediening van Gods goedertierenheid…maar ik word er soms zo moe van’. Hij wil nu eens niet de ‘stabiele harde werkers’ aanspreken, maar de diakenen ‘die teleurgesteld zijn geraakt, misschien zelfs cynisch geworden…die doodop zijn van alles wat er moet gebeuren’.
Hij wil nagaan wat de oorzaken kunnen zijn van die vermoeidheid. Vooraf benadrukt Hij dat Gods liefde om de zwakheid van zijn diakenen heen staat.
‘Hij wist wie Hij riep, toen Hij u riep om diaken te worden.’ Toch zijn er minstens vijf mogelijke oorzaken voor ‘ambtsvermoeidheid’.
De eerste is dat je het werk niet kunt overzien, dat het je te groot is. Dan word je moedeloos. Wie dat zo ervaart, krijgt van Zwarts het advies om zijn of haar werk in de juiste proporties te zien: het is Gods werk. Daarom moet je niet zaaien op de akker van het vlees, maar op de akker van de Geest en dan vol verwachting wachten ‘wat Hij ervan gaat maken’.
Je kunt ook het gevoel hebben dat je heel veel moet, dat je je overal verantwoordelijk voor voelt. Dat zou volgens de inleider wel eens de ‘geest der slavernij’ kunnen zijn waar Paulus het over heeft. ‘Dan zie je het christelijk leven als één grote opgave’. Wat je voor God moet doen, zie je dan als een ‘last die er nog eens bovenop komt’.
Ds. Zwarts waarschuwt, dat er dan echt iets mis is. ‘Misschien ben je zelfs nog niet eens echt toegekomen aan de aanvaarding van Christus’. Ook als dat wel zo is, ligt de geest van slavernij steeds weer op de loer. ‘Je laten vallen en rusten in Christus’, dat is steeds weer nodig.
Ik geef het op...
Als derde wijst ds. Zwarts erop, dat veel ambtsdragers door de teleurstelling in hun werk de kerk helemaal niet meer zien zitten. Zij zeggen: ‘Ik geef het op. Ik kap ermee.’ Hij houdt hen voor dat de kerk in de eerste plaats een gelóófsartikel is: ‘Ik geloof de kerk. Ik geloof dat dat Gods werk is ook al denk ik wel eens: wat een zootje.’ Daarom kun je toch volhouden.
Misschien moeten de vermoeide ambtsdragers nog een laagje dieper beginnen, bij de vraag: ‘Geloof ik het nog wel?’ Dat is belangrijk, want ‘twijfel ondermijnt je ambtsbediening.’ Dat geloof heeft alles te maken met het liefhebben van God. God vraagt van de mens dat zij Hem goedertierenheid bewijzen, Hem liefhebben dus. Alleen door God lief te hebben, kun je het volhouden, kun je tegen een stootje.
Als vijfde wijst de predikant uit Breukelen op de ‘veelzeggende samenhang’, bijvoorbeeld in de brieven van Johannes, tussen Gods liefde voor ons en onze liefde voor God en de ander. Hij is ervan overtuigd dat je kunt groeien in geloof, door te gaan liefhebben. En daarom zijn diakenen ‘de mensen bij uitstek… die kunnen groeien in geloof’.
Herder en schaap
Hermine de Rijk mag vervolgens vanuit de STAGG een poging doen om de diakenen te bemoedigen. Liefst wil zij daartoe ontspannen ‘loungen’ met de broeders en zusters: kerkbanken uit de zaal, matrassen op de grond, lekkere muziek en koffie met gebak. Zij heeft besloten dat maar niet te doen.
De bekommerde ambtsdragers mogen niet consumeren, maar moeten in beweging komen. Aan de hand van het verhaal van de goede herder en het verloren schaap stelt zr. De Rijk hen de vraag: ‘Bij wie hoort u? Bij de herders, de verloren schapen of bij de grote kudde?’ De aanwezigen moeten vervolgens in de kerkzaal hun groep opzoeken: herders, kudde of verloren schapen. Na enig geloop blijkt dat een meerderheid zich het meest thuis voelt in de kudde, in de veilige omgeving van de gemeente. Sommigen zien zich vooral in de herderspositie terug: zij willen als diaken anderen terugbrengen bij de kudde. Anderen voelen zich ‘verloren’ en hebben geen vanzelfsprekende plek in de kudde. Hermine de Rijk legt uit dat dit ‘verloren zijn’ niet alleen negatief is. Voor iedereen is namelijk ‘gevonden willen worden’ van wezenlijk belang.
Goedertierenheidverhaal
In de pauzes is er ruimschoots gelegenheid voor opbouwende ontmoeting.
Ook is er (voor het eerst) een aantal stands aanwezig van diaconale organisaties. Na de lunch worden de aanwezigen opnieuw door zr. De Rijk aan het werk gezet.
‘Gods goedertierenheid: allemaal kennen we daar iets van, maar allemaal zijn we het ook wel eens kwijt geweest’. Zij vraagt de diakenen een verhaal uit de Bijbel te kiezen, waarin zij iets van hun persoonlijke ‘goedertierenheidverhaal’ herkennen.
Dat verhaal gaan zij vervolgens in groepjes van twee aan elkaar vertellen. Terwijl de een vertelt, moet de ander luisteren.
Aan het slot moeten zij in het kort samenvatten wat voor de gesprekspartner het belangrijkst is in zijn of haar weg met God. Na afloop geeft Hermine de Rijk de aanwezigen mee, dat het van wezenlijk belang is om zo naar een ander te luisteren én om zo door een ander gehoord te worden.
Dat zou ook goed zijn in de kring van de kerkenraad. Want iedereen, ook een diaken, heeft het nodig om een ruimte te hebben waar hij of zij zichzelf kan zijn, zich thuis voelt.
Inmiddels is het tegen drie uur ’s middags.
Buiten schijnt de zon en binnen heeft niemand meer iets te vragen. Br. Van Egmond kijkt terug op een geslaagde dag en sluit de conferentie. Maar dat doet hij niet dan nadat hij de aanwezigen op het hart heeft gedrukt toch vooral wel de bijdrage voor de STAGG te betalen.